ECLI:NL:RBZWB:2026:5504

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/6439
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.S.S. Obispo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen beslaglegging op AOW-uitkering niet-ontvankelijk wegens ontbreken besluit in Awb-zin

Eisers maakten bezwaar tegen de beslaglegging op de AOW-uitkering van de heer eiser, welke beslaglegging plaatsvond in het kader van een eerdere terugvordering van bijstandsuitkering door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de beslaglegging geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank oordeelt dat de beslaglegging een civielrechtelijke handeling is die voortvloeit uit een eerder genomen en in rechte vaststaande bestuursbesluit tot intrekking en terugvordering van bijstand. De beslaglegging zelf is geen zelfstandig besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt volgens de Awb. Eisers konden zich daarom niet op bezwaar beroepen tegen de beslaglegging.

Daarnaast is geoordeeld dat de beslissing op bezwaar zorgvuldig is genomen, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel en advies van de adviescommissie bezwaarschriften. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep van eisers wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van het college blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen beslaglegging wordt ongegrond verklaard omdat de beslaglegging geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6439

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de beslaglegging op de AOW-uitkering van de heer [eiser 1] (eiser). In 2013 heeft het college beslist om een deel van de door eisers ontvangen bijstandsuitkering terug te vorderen. In dat kader is in 2021 beslag gelegd op de AOW-uitkering van eiser. Het bezwaar van eisers tegen de beslaglegging is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beslaglegging volgens het college geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers zijn het niet eens met deze beslissing en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Bij besluit van 19 september 2013 heeft het college het recht van eisers op een bijstandsuitkering per 11 februari 2013 ingetrokken en bij besluit van 20 september 2013 heeft het college de te veel uitbetaalde bijstand over de periode van 11 februari 2013 tot en met 31 augustus 2013 teruggevorderd. Tegen deze besluiten is geprocedeerd tot aan de Centrale Raad van Beroep. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend. Het daartegen ingestelde verzet is ongegrond verklaard, waardoor de besluiten in rechte zijn komen vast te staan. Op 8 september 2022 is beslag gelegd op de AOW-uitkering van eiser. Eisers hebben hier op 29 juli 2025 bezwaar tegen gemaakt.
2.1.
Eisers stellen in bezwaar dat de beslaglegging onterecht is geweest, omdat het college niet heeft aangetoond dat eisers een schuld hebben bij de gemeente. Daarnaast is er geen besluit genomen tot beslaglegging, waar eisers bezwaar tegen hebben kunnen maken. Verder heeft de beslaglegging zonder toepassing van hoor en wederhoor plaatsgevonden, waardoor algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.
2.2.
Op 30 oktober 2025 heeft het college een beslissing genomen op het bezwaar van eisers. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de beslaglegging en de berekening van de beslagvrije voet geen besluiten zijn in de zin van de Awb. Hierdoor staat geen bezwaar open en is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze beslissing.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat op 8 september 2022 een besluit is genomen dat strekt tot beslaglegging. Dit is een besluit in de zin van de Awb. Voorts zou het college volgens eisers hebben erkend dat de kennisgeving van 8 september 2022 een besluit is in de zin van de Awb, omdat deze in de beslissing op bezwaar wordt aangeduid als besluit. Verder is aangevoerd dat de beslissing op bezwaar is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat geen advies is ingewonnen van de adviescommissie bezwaarschriften. Om deze zelfde reden is ook geen sprake van een deugdelijke motivering.
Is sprake van een besluit?
3.1.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat dat onder besluit - waartegen op grond van artikel 7:1 in Pro samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb een bezwaarschrift kan worden ingediend - wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het moet hierbij gaan om een beslissing waarbij een publiekrechtelijke bevoegdheid wordt gebruikt, die erop gericht is een bevoegdheid, recht of verplichting voor éen of meer anderen te laten ontstaan of teniet te doen.
3.2.
De rechtbank oordeelt dat de beslaglegging geen besluit is in de zin van de Awb. De feitelijke beslaglegging op 8 september 2022 is een uitwerking van een eerder genomen beslissing, namelijk de beslissing om het recht op een uitkering in te trekken en een deel van de betaalde uitkering terug te vorderen. Deze beslissing staat al enige tijd in rechte vast. De beslaglegging is een civielrechtelijke handeling die voortvloeit uit deze beslissing. Als eisers willen opkomen tegen de beslaglegging, kunnen zij zich wenden tot de civiele rechter.
3.3.
Daaraan doet niet af dat het college in de beslissing op bezwaar de passage “
U heeft bezwaar gemaakt tegen ons besluit van 8 september 2022, waarin wij beslag hebben gelegd op uw AOW-uitkering.” heeft opgenomen. Het is voorstelbaar dat er door die formulering bij eisers verwarring is ontstaan over de status van de beslaglegging, maar dat maakt nog niet dat (wel) sprake is van een besluit; er is immers niet voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden uit de Awb.
3.4.
Wat eisers hebben aangevoerd over de kennisgeving van 8 september 2022 kan buiten beschouwing blijven, aangezien daar geen bezwaar tegen is gemaakt. Op het moment dat eisers bezwaar hebben gemaakt tegen de beslaglegging, waren zij namelijk niet op de hoogte van de kennisgeving. Hierdoor kan het ook geen onderwerp zijn van het beroep. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een dergelijke kennisgeving evenmin kan worden aangemerkt als besluit. Het beoogt eisers enkel op de hoogte te stellen van het beslag en is dus niet op enig rechtsgevolg gericht.
3.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de beslissing op bezwaar zorgvuldig genomen?
3.6.
Het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Awb, houdt onder meer in dat een bestuursorgaan een besluit zorgvuldig moet voorbereiden en nemen. Het op correcte wijze volgen van de procedure valt hier ook onder.
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit genomen met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel. Uit het dossier blijkt dat de beslissing op bezwaar op 30 oktober 2025 is voorgelegd aan de adviescommissie voor de bezwaarschriften. De adviescommissie heeft geadviseerd het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk te verklaren. Van een motiveringsgebrek is evenmin sprake.
3.8.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college waarin het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk wordt verklaard, in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van
J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 7:1
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
a. het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen,
b. het besluit aan goedkeuring is onderworpen,
c. het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt,
d. het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4,
e. het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a, heeft bepaald dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft,
f. het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit,
g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
Artikel 438
1. Geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn, of in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden.