ECLI:NL:RBZWB:2026:5512

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448406 / JE RK 26-880
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen wegens ernstige zorgen over verzorging en opvoeding

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt de kinderrechter om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2010 en 2013, vanwege ernstige zorgen over hun welzijn en de opvoedingssituatie. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, weigert medewerking aan hulpverlening en heeft sinds oktober 2025 geen contact meer met de GI. De kinderen vertonen schoolverzuim en zijn onverzorgd, terwijl de moeder psychische problemen heeft die zijn verergerd na het overlijden van haar jongste kindje.

De kinderrechter overweegt dat op grond van artikel 1:265b BW en artikel 800 Rv Pro een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend zonder voorafgaand verhoor indien er onmiddellijk en ernstig gevaar is. Gezien de situatie en het risico dat de moeder met de kinderen naar het buitenland vertrekt, wordt de machtiging verleend voor de duur van twee weken, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

De GI en de moeder worden opgeroepen voor een zitting waarin verdere behandeling van het verzoek zal plaatsvinden. De beschikking is openbaar uitgesproken en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na dagtekening of betekening van de beschikking.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor twee weken met onmiddellijke ingang en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448406 / JE RK 26-880
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026;
- het telefonisch gesprek van de kinderrechter met de GI op 21 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juli 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 18 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een, naar de kinderrechter begrijpt, gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. De GI verzoekt aansluitend, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van een jaar in een gezinsgerichte voorziening.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.3.
De kinderrechter beschouwt de verzoeken van de GI, gezien het bovenstaande, als één verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij is verzocht dat ten aanzien van de eerste vier weken wordt beslist zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
4.4.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De GI maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De zorgen betreffen met name het uitblijven van schoolgang, veelvuldig verzuim, gebrek aan structuur, zorgen omtrent de psychische belastbaarheid van de moeder en de beperkte beschikbaarheid in de opvoeding. De GI heeft sinds de start van de ondertoezichtstelling geprobeerd diverse hulpverlening in te zetten maar de moeder weigert iedere medewerking. Sinds oktober 2025 is de moeder uit contact met de GI. Hulpverlening wordt niet toegelaten. [minderjarige 1] heeft een tijd bij zijn peetopa en peetoma in [plaats] gewoond, waar hij weer naar school ging. In maart 2026 is [minderjarige 1] daar zonder toestemming weggehaald door een vriendin van de moeder. Hiervan is in [plaats] aangifte bij de politie gedaan. Sindsdien gaat het slechter met [minderjarige 1]. [minderjarige 2] gaat al langere tijd niet naar school. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 26 maart 2026 heeft de moeder de GI de toegang tot de woning geweigerd. Door omstandigheden is het daaropvolgende verzoek tot versnelde behandeling voor een machtiging uithuisplaatsing niet doorgekomen. Op 20 mei 2026 heeft de tante moederszijde huilend contact opgenomen met de GI met de melding dat de kinderen er onverzorgd uit zien, dat het huis vies is en dat de kinderen onvoldoende te eten krijgen. De kinderen mogen niets tegen derden zeggen, omdat moeder zich anders op de kinderen afreageert. Het netwerk van de moeder, dat zich eerder terughoudend opstelde, maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast zijn er grote zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. Deze klachten zijn verergerd na het overlijden van haar jongste kindje. De moeder ervaart heel veel wantrouwen ten opzichte van de hulpverlening. Om die reden onthoudt zij de kinderen ook medicatie wanneer ze deze nodig hebben. De moeder heeft in het verleden de kinderen zonder toestemming meegenomen naar het buitenland en de GI is bang dat de moeder dit opnieuw gaat doen als zij hoort dat de GI van mening is dat de kinderen voorlopig op een andere plaats moeten gaan wonen. Ook vanuit de familie van de moeder zijn signalen geuit dat de moeder voornemens is om naar het buitenland te vertrekken. In die situatie zijn de kinderen volledig uit beeld.
4.5.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst. [1]
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], omdat de kans aanwezig is dat de moeder met de kinderen naar het buitenland vertrekt. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.8.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen zitting. Tijdens die zitting zal ook het verzoek in de procedure met kenmerk C/02/448408 JE RK 26-881 worden behandeld. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI en de moeder op voor de zitting van
mr. Van de Merbel op [datum] 2026 om [uur] voor de duur van 60 minutenin het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.6.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij aparte brief zullen worden opgeroepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).