Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5529

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
02-213188-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minderjarige veroordeeld tot jeugddetentie voor 16 strafbare feiten waaronder autoinbraken en mishandeling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 juni 2026 een minderjarige verdachte veroordeeld voor 16 strafbare feiten gepleegd tussen juli en december 2025 in Breda en Oosterhout. De feiten omvatten onder meer diefstallen, (poging tot) autoinbraken, vernielingen, beledigingen en mishandelingen van politieagenten en BOA's. De verdachte, een alleenstaande minderjarige vreemdeling, werd meerdere keren aangehouden en verbleef 165 dagen in voorarrest.

De rechtbank achtte alle feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van bekennende verklaringen, camerabeelden, getuigenverklaringen, DNA-sporen en andere bewijsmiddelen. De verdediging voerde onder meer ontoerekeningsvatbaarheid aan wegens psychose door middelengebruik, maar dit werd verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing.

De rechtbank hield rekening met de ernst en omvang van de feiten, de kwetsbare positie van de verdachte en het hoge recidiverisico. Gezien de voortdurende recidive en het ontbreken van effectiviteit van bijzondere voorwaarden, werd een onvoorwaardelijke jeugddetentie van acht maanden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werden diverse schadevergoedingen aan benadeelden toegekend, variërend van immateriële tot materiële schade, met wettelijke rente.

De rechtbank wees vrijspraak toe voor enkele feiten wegens onvoldoende bewijs en verklaarde verdachte strafbaar voor de overige tenlastegelegde feiten. De schadevergoedingsmaatregel wordt door het CJIB geïnd, met mogelijkheid tot gijzeling, zij het met een duur van 0 dagen vanwege het jeugdstrafrecht. Het vonnis werd gewezen door kinderrechters R. de Jong, D.H. Hamburger en H. Faouzi, waarbij laatstgenoemde niet medeondertekende.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot acht maanden onvoorwaardelijke jeugddetentie met aftrek van voorarrest en diverse schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02-213188-25, 02-228538-25 (TTZGEV), 02-220760-25 (TTZGEV), 02-222812-25 (TTZGEV), 02-264231-25 (TTZGEV), 02-244197-25 (TTZGEV), 02-348263-25 (TTZGEV) en 02-341281-25 (TTZGEV)
vonnis van de meervoudige kamer van 23 juni 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] (Tunesië)
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [locatie]
raadslieden mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal (in parketnummer 02-348263-25) en mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda (in de overige parketnummers)

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 9 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. In de zaak met parketnummer 02-224197-25 is de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in Breda en/of Oosterhout
02-213188-25
1. op 12 juli 2025 parfum heeft gestolen bij de [winkel 1] ;
2. op 12 juli 2025 politieagent [benadeelde 1] heeft beledigd door hem uit te schelden voor kankerpolitie en/of kankerlijer;
3. omstreeks 13 juli 2025 een ketting en aansteker heeft gestolen van [benadeelde 2] ;
4. omstreeks 13 juli 2025 een mes van categorie IV voorhanden heeft gehad;
02-228538-25
op 3 augustus 2025 samen met een ander de portemonnee van [benadeelde 3] heeft gestolen;
02-220760-25
op 4 augustus 2025 samen met anderen accu's en gereedschap heeft gestolen bij de [winkel 2] ;
02-222812-25
1. op 12 augustus 2025 buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) [benadeelde 4] heeft geslagen;
2. op 12 augustus 2025 BOA [benadeelde 5] heeft beledigd door hem te bespugen;
02-264231-25
op 14 augustus 2025 [benadeelde 6] van zijn ketting heeft beroofd;
02-244197-25
1. op 15 augustus 2025 samen met anderen zes auto-inbraken heeft gepleegd;
2. op 15 augustus 2025 samen met anderen heeft geprobeerd drie auto-inbraken te plegen;
3. op 15 augustus 2025 samen met anderen drie auto’s heeft vernield dan wel beschadigd;
02-348263-25op 21 november 2025 politieagent [benadeelde 7] heeft beledigd door hem in zijn gezicht te spugen;
02-341281-25
1. op 14 december 2025 [benadeelde 8] heeft mishandeld door hem te slaan;
2. op 14 december 2025 zich heeft verzet tegen zijn aanhouding door de politie;
3. op 15 december 2025 buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 9] heeft geslagen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
02-213188-25
De verdediging is van mening dat de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder feit 2 ten laste gelegde belediging, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
De verdediging is voorts van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 3 ten laste gelegde diefstal nu sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Ook ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde voorhanden hebben van een mes dient verdachte naar mening van de verdediging te worden vrijgesproken, nu er geen omstandigheden zijn waardoor het zakmes als verboden wapen zou moeten worden gekwalificeerd.
02-228538-25De verdediging is van mening dat de diefstal van de portemonnee van [benadeelde 3] wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting, maar dat vrijspraak moet volgen van het medeplegen wegens gebrek aan bewijs.
02-220760-25
De verdediging is van mening dat het medeplegen van de diefstal bij de [winkel 2] wettig en overtuigend kan worden bewezen, op basis van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting.
02-222812-25
De verdediging is van mening dat de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling van een BOA wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 2 ten laste gelegde belediging van een BOA niet kan worden bewezen, nu verdachte weliswaar heeft gespuugd, maar hij dit niet opzettelijk heeft gedaan in de richting van de BOA.
02-264231-25
De verdediging is van mening dat niet gekomen kan worden tot een bewezenverklaring van de diefstal van de ketting van [benadeelde 6] wegens gebrek aan bewijs.
02-244197-25
De verdediging is van mening dat gekomen kan worden tot een bewezenverklaring van
feit 1 en feit 2 met uitzondering van het medeplegen, nu niet kan worden bewezen dat de medeverdachten betrokken zijn geweest bij de inbraken en de pogingen daartoe.
Feit 3 kan niet worden bewezen, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wie de vernielingshandelingen heeft verricht.
02-348263-25
De verdediging is van mening dat niet gekomen kan worden tot bewezenverklaring van de belediging van verbalisant [benadeelde 7] nu verdachte hierop geen opzet heeft gehad.
02-341281-25
De verdediging heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de onder dit parketnummer ten laste gelegde feiten.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-213188-25
Feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2026;
- de aangifte van [aangever 1] namens [winkel 1] van 12 juli 2026, pagina 8 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025182934 van de politie Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 84.
Feit 2
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2026;
- de aangifte van [benadeelde 1] van 12 juli 2025, pagina 10 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025182934 van de politie Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 84.
Feit 3
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangeefster [benadeelde 2] op 12 juli 2025, omstreeks 18.00 uur, samen met een ander bij ‘de kuil’ van het park Valkenberg in Breda zat. Haar Zippo aansteker en goudkleurige ketting lagen tussen hen op de grond. Nadat zij zijn aangesproken door twee jongemannen en deze jongemannen weer zijn weggelopen, waren de aansteker en ketting verdwenen. [benadeelde 2] heeft hierna de politie gebeld dat zij is bestolen van haar aansteker en ketting.
Op camerabeelden van het park is waargenomen dat er twee personen om 17:29 uur het park Valkenberg in lopen in de richting van ‘de kuil’. Een van deze personen is herkend als zijnde verdachte. Verdachte is in verband met de diefstal onder feit 1 om 17:58 uur aangehouden. Na fouillering bleek dat verdachte in bezit was van een Zippo aansteker en een goudkleurige ketting.
Aan [benadeelde 2] zijn foto’s toegestuurd van de bij verdachte aangetroffen ketting, waarop zij heeft bevestigd dat dit haar ketting betrof.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte degene is geweest die de ketting en aansteker van [benadeelde 2] heeft gestolen. De rechtbank acht de onder feit 3 ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de politie op 12 juli 2025 ter zake van de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal ter plaatse is gegaan naar de [winkel 1] te Breda , teneinde verdachte aan te houden. De politie trof verdachte erg onrustig aan. Verdachte gaf onder andere aan de politie te haten en schold met ‘kankerpolitie’. Voorafgaand aan de fouillering van verdachte werd hem gevraagd of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Verdachte heeft hierop aangegeven dat dit niet het geval was.
Bij het leegmaken van zijn zakken is vervolgens een zakmes aangetroffen.
Dit zakmes is onderzocht en uit dit onderzoek volgt dat het zakmes een wapen zou kunnen zijn in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV onder 7 van de Wet Wapens en Munitie. Hiervan is sprake indien gelet op de aard of de omstandigheden waaronder het wapen wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit voor geen ander doel is bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het onrustige gedrag bij zijn aanhouding, en het feit dat verdachte zijn wapen heeft willen verhullen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat verdachte het zakmes op zak had om letsel aan personen toe te brengen dan wel om hiermee te dreigen. De rechtbank acht de onder feit 4 ten laste gelegde overtreding van de Wet wapens en munitie gelet hierop wettig en overtuigend bewezen.
02-228538-25
De rechtbank acht de ten laste gelegde diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
Verdachte heeft bekend dat hij de portemonnee van aangever [benadeelde 3] heeft weggenomen en dat hij op dat moment samen was met iemand anders die ook door de politie is aangehouden. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat die ander de persoon [medeverdachte 1] betreft. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben samen aangever benaderd op de Havermarkt in Breda , zijn daar met hem in gesprek waarbij zij allebei zeer dicht naast aangever gingen staan en een kort dansje met hem deden. Hierna lieten zij allebei aangever abrupt los en liepen zij gezamenlijk weg. Direct hierna merkte aangever dat zijn portemonnee weg was. Deze ontmoeting met aangever is vastgelegd op camerabeelden alsook het vervolg daarop. Daarop is waargenomen dat [medeverdachte 1] iets aan verdachte lijkt te geven wat hij in zijn linker jaszak stopte. Enkele seconden later haalde verdachte een portemonnee uit deze jaszak die hij in zijn broek stopte en er weer uithaalde. Verdachte keek in deze portemonnee en gooide hem weg. Op de plek van het weggooien is de portemonnee van aangever teruggevonden.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor omschreven gedragingen kan worden geconcludeerd dat het dansje met aangever was bedoeld als afleidingsmanoeuvre om de portemonnee ongemerkt weg te kunnen nemen, dat verdachten er vervolgens snel samen vandoor gingen, dat [medeverdachte 1] toen de portemonnee aan verdachte heeft gegeven die vervolgens de portemonnee heeft proberen kwijt te maken. Een en ander is voldoende om te concluderen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen deze twee verdachten en aldus van medeplegen.
02-220760-25
Aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2026;
- de aangifte van [aangever 2] namens de [winkel 2] te Breda , pagina 7 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025204645 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 109;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 21 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025204645 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 109.
02-222812-25
Feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2026;
- de aangifte van [benadeelde 4] , van 12 augustus 2025, pagina 6 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025212704 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 74.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 5] , op 12 augustus 2025 in de stationshal van het treinstation te Breda , assistentie heeft verleend bij het onder controle krijgen van verdachte na zijn aanhouding in verband met de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling. [benadeelde 5] heeft hierbij, terwijl verdachte op zijn buik op de grond lag met zijn gezicht naar de grond toe, de rechterarm van verdachte gefixeerd en is met zijn knie op het bovenbeen van verdachte gaan zitten. Verdachte heeft vervolgens zijn hoofd omgedraaid in de richting van [benadeelde 5] en heeft in de richting van [benadeelde 5] gespuugd waarbij hij [benadeelde 5] op zijn arm heeft geraakt. [benadeelde 5] voelde zich hierdoor in zijn eer en goede naam aangetast.
De verdediging heeft als verweer aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het bespugen van [benadeelde 5] . Verdachte wilde enkel zijn luchtwegen vrij krijgen van het bloed dat hij in zijn neus en mond had vanwege een bloedneus. Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen, nu uit het dossier volgt dat verdachte een actieve beweging heeft gemaakt door zijn hoofd in de richting van [benadeelde 5] te draaien, waarna verdachte in de richting van [benadeelde 5] heeft gespuugd en [benadeelde 5] op zijn arm heeft geraakt. Verdachte had allerlei andere richtingen waarin hij kon spugen, maar deed dit actief in de richting van [benadeelde 5] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee opzet had op spugen in de richting van [benadeelde 5] .
De rechtbank acht gelet op voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte BOA [benadeelde 5] heeft beledigd door hem te bespugen.
02-264231-25Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangever [benadeelde 6] op
14 augustus 2025, omstreeks 23:40 uur in een trein liep die stil stond op het station van Breda . Hier kwam een jonge man de trein in gesprongen welke de gouden halsketting van [benadeelde 6] met een harde ruk van zijn nek af trok, waarna de jonge man de trein weer uit is gesprongen. [benadeelde 6] is direct achter de dader aangerend en is ook de trein uitgesprongen. [benadeelde 6] is de dader uiteindelijk uit het oog verloren. [benadeelde 6] heeft aan de harde ruk een striem in zijn nek overgehouden.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het verdachte was die de ketting bij [benadeelde 6] van zijn nek heeft getrokken. De rechtbank overweegt in dit kader als volgt.
Uit de camerabeelden van het station volgt dat op 14 augustus 2025 om 23:42 uur een trein stil stond waar een persoon uit kwam gerend met onder andere een pet en een grote zonnebril op. Twee seconden hierna kwam een tweede man uit de trein gerend, welke achter de eerste persoon is aangerend. Uit de aangifte volgt dat de dader een hoofddeksel droeg en een opvallende bril met getinte glazen. Uit de aanvullende verklaring van aangever volgt dat zijn signalement de betreffende avond overeenkomt met het signalement van de tweede man. De rechtbank concludeert hieruit dat de twee rennende personen die op de camerabeelden zijn te zien, aangever en de dader zijn.
Voorts stelt de rechtbank vast dat de eerste wegrennende persoon, de dader, door drie verbalisanten is herkend als zijnde verdachte. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte op de beelden dezelfde kleding draagt als verdachte tijdens zijn aanhouding op 15 augustus 2025, slechts één dag later.
De rechtbank concludeert hieruit dat het verdachte is geweest die de gouden ketting van de nek van [benadeelde 6] heeft getrokken en hierna is weggerend, waarna [benadeelde 6] achter hem aan is gerend. De rechtbank acht de ten laste gelegde diefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen.
02-244197-25
Feit 1 en feit 2
De rechtbank acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat in de nacht van 15 augustus 2025 in Breda is ingebroken in een camper en vijf personenauto’s en dat is geprobeerd in te breken in twee andere personenauto’s. Bij de camper was een dakraam ingeslagen, bij zeven auto’s was een autoruit ingeslagen en bij één auto zat een barst in de autoruit.
De voertuigen stonden bij elkaar in de buurt geparkeerd op [straat 1] en [straat 2] . In diezelfde omgeving werd een groot deel van de weggenomen spullen teruggevonden. Op deze spullen en ook op en in de voertuigen werden bloedsporen aangetroffen.
Door twee getuigen zijn die bewuste nacht in de (nabije omgeving van de) [straat 1] omstreeks 03:30 uur en 03:55 uur drie mannen gezien die met elkaar spraken in een buitenlandse taal. Er werden meerdere klappen gehoord alsof er op autoruiten werd geslagen en gezien werd dat de mannen richting [straat 3] liepen. Dit past bij de camerabeelden van [straat 1] waarop omstreeks 03:36 uur drie mannen in beeld komen die zich rondom de daar geparkeerde voertuigen ophouden. Door één van hen wordt meerdere keren geslagen op een autoruit van een Hyundai en kort hierna zijn signalen te zien en te horen passend bij een autoalarm. Omstreeks 03:37 uur rennen de drie mannen gezamenlijk weg en verdwijnen ze uit beeld.
Voor de rechtbank bestaat er geen twijfel dat voornoemde drie mannen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] waren. De politie zag omstreeks 03:40 uur op [straat 3] drie mannen staan bij een openstaand voertuig die direct te voet wegvluchtten, waarna de politie de achtervolging inzette. De drie mannen vluchtten samen de bosschages in en werden niet veel later in de directe omgeving aangehouden. [medeverdachte 2] is omstreeks 04.08 uur aangehouden en [medeverdachte 1] en [verdachte] omstreeks 04:26 uur. [medeverdachte 1] en [verdachte] zaten samen verstopt in de bosschages op welke plek een deel van de weggenomen spullen is teruggevonden. Daar komt nog bij dat [medeverdachte 2] door een verbalisant is herkend op de camerabeelden, welke verbalisant ook sterke gelijkenissen zag tussen een van de mannen op de beelden en [verdachte] . Daarnaast is het verkregen DNA-profiel van zeven verschillende bloedsporen gematcht met het DNA-profiel van [verdachte] .
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het inbreken in voertuigen met het oogmerk om spullen weg te nemen. Ze waren met zijn drieën midden in de nacht op pad, waren bij elkaar toen er werd geslagen op autoruiten, hielden zich op in dezelfde omgeving als waar (pogingen tot) inbraken hebben plaatsgevonden, zijn samen op de vlucht geslagen voor de politie en verstopten zich in de bosschages. Een en ander is voldoende om te kunnen concluderen tot het medeplegen door verdachte van de inbraken en de pogingen daartoe.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de poging tot inbraak in de Mazda van [aangever 3] (feit 2), nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van braaksporen aan dit voertuig.
Feit 3
Onder feit 3 wordt verdachte kort gezegd verweten dat hij samen met anderen een Hyundai, een Mazda en een Audi A4 heeft vernield. In het verlengde van datgene wat de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van feit 1 en feit 2 acht de rechtbank ook dit feit bewezen voor zover het de vernieling van de Hyundai en de Audi A4 betreft. De rechtbank acht geen bewijs aanwezig voor de vernieling van de Mazda nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er schade is toegebracht aan dit voertuig.
02-348263-25De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 21 november 2025 politieagent [benadeelde 7] in zijn gezicht heeft gespuugd.
De verdediging heeft als verweer gevoerd dat verdachte geen opzet had op het beledigen van [benadeelde 7] . Dit verweer verwerpt de rechtbank nu verdachte een actieve beweging richting [benadeelde 7] heeft gemaakt om hem te kunnen bespugen. Verdachte heeft namelijk, terwijl hij geboeid was en [benadeelde 7] hem achter zijn rug bij de handboeien vast had, zijn hoofd omgedraaid richting [benadeelde 7] , [benadeelde 7] in de ogen aangekeken en hem in zijn gezicht gespuugd.
De rechtbank acht gelet op voorgaande de ten laste gelegde belediging van de politieagent [benadeelde 7] wettig en overtuigend bewezen.
02-341281-25
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 14 december 2025 in Oosterhout [benadeelde 8] met zijn vlakke hand een klap in het gezicht heeft gegeven.
De rechtbank acht hiermee de mishandeling van [benadeelde 8] wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 14 december 2025 in Oosterhout voor de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling door de politie is aangehouden waarna hij is geboeid. Verdachte heeft zich vervolgens bij het begeleiden naar het dienstvoertuig verzet tegen het handelen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Dit deed hij onder andere door veel kracht in zijn armen en benen te zetten, zichzelf af te zetten tegen het dienstvoertuig, zichzelf te bewegen in een andere richting dan waar de verbalisanten hem heen wilden begeleiden en door niet mee te willen lopen. Verdachte heeft gedurende zijn verzet eveneens een elleboog in het gezicht van verbalisant [verbalisant 1] gegeven.
De rechtbank acht gelet op voorgaande de ten laste gelegde wederspannigheid wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 15 december 2025 te Breda in een politiecel verbalisant [benadeelde 9] , die op dat moment in functie was als arrestantenbeveiliger, met zijn vuist een klap tegen zijn wenkbrauw en een klap tegen zijn gebit heeft gegeven. De rechtbank acht hiermee de ten laste gelegde mishandeling van een ambtenaar in functie wettig en overtuigend bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-213188-25
1
op 12 juli 2025 te Breda , een fles parfum (Givenchy), die aan [winkel 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 12 juli 2025 te Breda , opzettelijk een politieambtenaar, te weten [benadeelde 1] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in zijn tegenwoordigheid mondeling en in het openbaar mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Kankerpolitie" en "Kankerlijer";
3
omstreeks 13 juli 2025 te Breda , een ketting en een Zippo aansteker, die aan [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
omstreeks 13 juli 2025 te Breda , een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mesje, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te
dreigen heeft gedragen;
02-228538-25
op 3 augustus 2025 te Breda , tezamen en in vereniging met een ander, een portemonnee met inhoud, die toebehoorde aan [benadeelde 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
02-220760-25
op 4 augustus 2025 te Breda tezamen en in vereniging met anderen accu's en gereedschappen die aan de [winkel 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
02-222812-25
1
op 12 augustus 2025 te Breda , [benadeelde 4] heeft mishandeld, door die [benadeelde 4] tegen het gezicht, te slaan, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
2
op 12 augustus 2025 te Breda , opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 5] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid door feitelijkheden, heeft beledigd, door op de arm en in de richting van die [benadeelde 5] te spugen;
02-264231-25
op 14 augustus 2025 te Breda , een ketting, die aan [benadeelde 6] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door onverhoeds met kracht die ketting van de nek van die [benadeelde 6] te trekken;
02-224197-25
1
op meerdere tijdstippen op 15 augustus 2025 te Breda tezamen en in vereniging met anderen,
- uit een camper (merk Dethleffs, [kenteken 1] ) papieren van die camper en een pet toebehorende aan [benadeelde 10] en
- uit een personenauto (merk Opel, [kenteken 2] ) een leesbril toebehorende aan [benadeelde 11] en
- uit een personenauto (merk BMW, [kenteken 3] ) een zonnebrilhouder met zonnebril en kleingeld toebehorende aan [benadeelde 12] en
- uit een personenauto (merk Lexus, [kenteken 4] ) een sleutelbos en een dokterstas en een otoscoop toebehorende aan [benadeelde 13] en
- uit een personenauto (merk Opel Corsa, [kenteken 5] ) yogaballen en acht portofoons toebehorende aan [benadeelde 14] en
- uit een personenauto (merk Audi, [kenteken 6] ) een padelracket en padelschoenen en hardloopschoenen en een rugzak (inhoudende sportspullen) toebehorende aan [benadeelde 15] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
2
op meerdere tijdstippen op 15 augustus 2025 te Breda tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit auto’s goederen die geheel of ten dele aan
- [benadeelde 16] en
- [benadeelde 17] ,
toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak
- een ruit van een personenauto Hyundai, [kenteken 7] van die [benadeelde 16] heeft verbroken en
- een ruit van een personenauto Audi A4, [kenteken 8] van die [benadeelde 17] heeft verbroken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in eendaadse samenloop met;
3
op 15 augustus 2025 te Breda opzettelijk en wederrechtelijk
- een ruit van een personenauto, Hyundai, [kenteken 7] , die aan een ander, te weten aan [benadeelde 16] toebehoorde en
- een ruit van een personenauto Audi A4, [kenteken 8] , die aan een ander, te weten [benadeelde 17] toebehoorde,
heeft vernield of beschadigd;
02-348263-25
op 21 november 2025 te Breda , opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 7] (werkzaam als agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in het gezicht van die [benadeelde 7] te spugen;
02-341281-25
1
op 14 december 2025 te Oosterhout [benadeelde 8] heeft mishandeld, door die [benadeelde 8] te slaan tegen het gezicht;
2
op 14 december 2025 te Oosterhout zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [verbalisant 2] (werkzaam als agent bij de eenheid Zeeland-West-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door
- kracht te zetten op zijn, verdachtes, armen en benen, althans diens lichaam, en
- zich in een andere richting te bewegen dan de richting waarin hij, verdachte, wordt getracht te brengen, en
- niet mee te lopen, en
- actief tegen te stribbelen, en
- zichzelf af te zetten tegen het dienstvoertuig, en
- het geven van een elleboog in het gezicht van die [verbalisant 1] ;
3
op 15 december 2025 te Breda , [benadeelde 9] (werkzaam als Buitengewoon opsporingsambtenaar in het domein generieke opsporing bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) heeft mishandeld, door die [benadeelde 9] meermaals te stompen tegen het gezicht,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Inzake 02-341281-25
De verdediging heeft ten aanzien van de onder dit parketnummer ten laste gelegde feiten aangevoerd dat verdachte ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard. Verdachte kan zich van deze feiten niets meer herinneren en de raadsman heeft ten tijde van zijn bezoek aan verdachte in die periode gezien dat verdachte een klinische blik had: er was geen contact met hem te krijgen. Het heeft er alle schijn van dat verdachte zich in een psychose bevond die getriggerd is door middelengebruik, zijnde de cocaïne die verdachte naar eigen zeggen voorafgaand aan deze delicten had gebruikt. Hierdoor zijn de feiten niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank overweegt in dit kader dat voor een geslaagd beroep op ontoerekeningsvatbaarheid een wettelijk causaal verband is vereist tussen een psychische stoornis en het gepleegde feit. De raadsman heeft in dit kader weliswaar enkele omstandigheden aangevoerd die erop zouden moeten duiden dat bij verdachte sprake was van een psychische stoornis, maar enige concrete en verifieerbare onderbouwing hiervan ontbreekt. Ook een onderbouwing dat sprake is van een causaal verband tussen de eventuele stoornis en de gepleegde feiten ontbreekt. Bij gebrek aan onderbouwing verwerpt de rechtbank het verweer om verdachte ontoerekeningsvatbaar te verklaren voor deze feiten.
Inzake alle parketnummers
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 219 dagen met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij het bepalen van de straf rekening te houden met de leeftijd van verdachte, zijn traumatische achtergrond, zijn status als alleenstaande minderjarige vreemdeling en de uitzonderlijke omstandigheden waarin de feiten zich hebben afgespeeld. De verdediging is van mening dat inzake 02-348263-25 kan worden volstaan met het toepassen van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en verzoekt daarmee in de strafbepaling rekening te houden. Voor het overige kan volgens de verdediging worden volstaan met het opleggen van een straf gelijk aan de duur van het voorarrest.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen in één nacht tijd schuldig gemaakt aan inbraak in een camper, vijf auto-inbraken en twee pogingen tot auto-inbraak. Niet alleen werden er goederen weggenomen, maar ook werden de betreffende voertuigen grof beschadigd. Dit leidt voor slachtoffers vanzelfsprekend tot ongemak en ergernis, waarbij de schade soms groter is dan de waarde van de gestolen goederen.
Daarnaast heeft verdachte ook nog vijf diefstallen gepleegd, waarvan twee in vereniging en een met geweld. Hij heeft samen met een ander op straat [benadeelde 3] van zijn portemonnee beroofd en samen met anderen bij de [winkel 2] een winkeldiefstal gepleegd. Ook heeft verdachte een winkeldiefstal bij [winkel 1] gepleegd, [benadeelde 6] op straat met geweld van zijn ketting beroofd en op straat de aansteker en ketting van [benadeelde 2] weggenomen.
Door het plegen van deze vermogensdelicten heeft verdachte zich ernstig misdragen en geen respect getoond voor de eigendommen en belangen van anderen.
Voorts heeft verdachte BOA [benadeelde 5] met speeksel en bloed bespuugd, agent [benadeelde 7] in zijn mond gespuugd, agent [benadeelde 1] uitgescholden voor onder andere kankerlijer, agent [benadeelde 9] en BOA [benadeelde 4] geslagen en verzet bij zijn aanhouding gepleegd. Dit gedrag van verdachte getuigt van gebrek aan respect voor de politie en ondermijning van het gezag van de politie.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een mes, waarvan het vermoeden bestond dat verdachte dit mes bij zich had om mee te dreigen of letsel aan een ander toe te brengen.
De persoon van verdachte
Over de leeftijd van verdachte bestaat onduidelijkheid nu er diverse geboortejaren van verdachte naar voren komen (2004, 2005 en 2008). Bij onduidelijkheid over de leeftijd van jeugdige verdachten is het uitgangspunt ‘minderjarig, tenzij het tegendeel is bewezen’. Nu op basis van forensisch radiologisch onderzoek naar de leeftijd van verdachte niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van meerderjarigheid, wordt daarom uitgegaan van de minderjarigheid van verdachte.
Verdachte heeft in totaal 165 dagen in voorarrest verbleven.
Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 11 mei 2026 volgt dat sprake is van grote zorgen omtrent verdachte. Verdachte is een kwetsbare jonge alleenstaande vreemdeling die makkelijk te verleiden is tot het plegen van strafbare feiten. Sinds zijn verblijf in Nederland vanaf mei 2025 heeft hij al veel strafbare feiten gepleegd. Hij heeft een beperkt vermogen om risicovolle situaties goed in te schatten. Verdachte beseft niet dat hij intensieve ondersteuning nodig heeft om problemen in de toekomst te voorkomen en legt problemen buiten zichzelf. Hij lijkt geweld een passend middel te vinden om in te zetten als er een conflict ontstaat. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.
Hier komen de zorgen over middelengebruik, suïcidaliteit, scholing, daginvulling, contacten met anti sociale jongeren en zijn huisvesting nog bij. Terug naar een COA behoort niet tot de mogelijkheden gelet op de forse problemen die hij hier veroorzaakte. Gesloten jeugdhulp lijkt ook geen optie zijn, gelet op de afwezigheid van instemming door een gedragswetenschapper.
De Raad is van mening dat gelet op de ernst van de delicten en de persoonlijke omstandigheden enkel een detentie passend is. Om begeleiding van de jeugdreclassering mogelijk te maken wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke detentie op te leggen.
De Raad adviseert hierbij om als bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen dat hij inzicht geeft in zijn vrijetijdsbesteding, middelengebruik en vriendenkring, dat hij actief meewerkt aan het vinden van scholing, werk of alternatieve dagbesteding en dat hij meewerkt aan alle vormen van hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk voor hem acht. De vertegenwoordiger van de Raad heeft hierop ter zitting aanvullend opgemerkt dat het niet wenselijk is dat verdachte op vrije voeten komt.
Door de vertegenwoordigster van de jeugdreclassering is op zitting naar voren gebracht dat ook zij grote zorgen hebben over verdachte, zowel in detentie als wanneer hij op vrij voeten is. Verdachte blijft in vrijheid recidiveren, ook gedurende schorsingen van de voorlopige hechtenis van verdachte onder bijzondere voorwaarden, en pleegt heftige delicten. In de JJI is sprake van suïcidepogingen en hongerstakingen. De jeugdreclassering is echter van mening dat het gevaar voor de samenleving bij het in vrijheid stellen van verdachte groter is, dan het gevaar voor de mentale gezondheid van verdachte wanneer hij in detentie verblijft. Om ervoor te zorgen dat verdachte niet zal recidiveren als hij in vrijheid wordt gesteld, zal er controle op gehouden moeten worden, maar gebleken is dat dit niet haalbaar is. De jeugdreclassering acht hierom een onvoorwaardelijke jeugddetentie zonder bijzondere voorwaarden passender.
De strafoplegging
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat in de zaak met parketnummer 02-224197-25 sprake is van eendaadse samenloop. De onder feit 3 bewezenverklaarde gedragingen maken namelijk onderdeel uit van de onder feit 2 bewezenverklaarde gedragingen.
Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat de enorme hoeveelheid aan feiten in een periode van slechts vijf maanden tijd zijn gepleegd en dat verdachte ook gedurende schorsingen keer op keer opnieuw de fout in is gegaan door strafbare feiten te plegen.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Nu het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie enkel als doel zou hebben om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, en nu is gebleken dat het opleggen van bijzondere voorwaarden niet doelmatig is en verdachte desondanks bleef recidiveren, zal de rechtbank hiertoe niet overgaan.

7.De benadeelde partijen

[benadeelde 1] (02-213188-25 feit 2)
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 192,- bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij is aangetast in zijn eer en goede naam. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze grondslag is gebaseerd.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit is aangetast in zijn eer en goede naam. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en nu het gevorderde niet gemotiveerd is betwist, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 12 juli 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
Benadeelde partij [benadeelde 2] (02-213188-25 feit 3)
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding voor feit 3. Dit zou de schade moeten omvatten van de gestolen Zippo aansteker en ketting.
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat er geen bedrag in de vordering is genoemd.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering.
De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde 4] (02-222812-25 feit 1)
De benadeelde partij [benadeelde 4] vordert een schadevergoeding van € 400,- bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit. . Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend en nu het gevorderde niet gemotiveerd is betwist, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 12 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
[benadeelde 5] (02-222812-25 feit 2)
De benadeelde partij [benadeelde 5] vordert een schadevergoeding van € 400,- bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij is aangetast in zijn eer en goede naam. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze grondslag is gebaseerd.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit is aangetast in zijn eer en goede naam. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van
€ 200,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 12 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
[benadeelde 6] (02-264231-25)
De benadeelde partij [benadeelde 6] vordert een schadevergoeding van € 12.275,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 6000,-, bestaande uit materiële schade. De rechtbank heeft hierbij de huidige goudprijs in acht genomen, waarbij de waardestijging van het afgelopen jaar is meegenomen. Dat uit de stukken onvoldoende zou blijken dat de betreffende ketting op de bijgevoegde nota de gestolen ketting zou betreffen, zoals door de verdediging betoogd, verwerpt de rechtbank nu zowel in de aangifte als op de nota wordt gesproken over een
18-karaats gouden ketting van 49 gram. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 14 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
Axus Nederland B.V. (02-224197-25 feit 1)
De benadeelde partij Axus Nederland B.V. vordert een schadevergoeding van € 338,57 voor materiële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit, ten aanzien van de aangever [benadeelde 12] , wiens auto geleased was bij Axus Nederland B.V., heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank volledig toewijsbaar. De gevorderde schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 15 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen.
Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
[benadeelde 14] (02-224197-25 feit 1)
De benadeelde partij [benadeelde 14] vordert een schadevergoeding van € 2.149,82 voor materiële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte feit 1 heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.743,24 (zijnde het totaal gevorderde exclusief btw nu benadeelde een btw-plichtige ondernemer betreft). Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 15 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen.
Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
[benadeelde 17] (02-224197-25 feit 2 en feit 3)
De benadeelde partij [benadeelde 17] vordert een schadevergoeding van € 58,40 voor materiële schade bestaande uit gemaakte reiskosten.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat feit 2 bewezen kan worden verklaard.
Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 48,18, waarbij de rechtbank een reiskostenvergoeding hanteert van € 0,33 per kilometer. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 15 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen.
Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
[benadeelde 7] (02-348263-25)
De benadeelde partij [benadeelde 7] vordert een schadevergoeding van € 406,- bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij is aangetast in zijn eer en goede naam. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze grondslag is gebaseerd.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit is aangetast in zijn eer en goede naam. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 21 november 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
[benadeelde 9] (02-341281-25)
De benadeelde partij [benadeelde 9] vordert een schadevergoeding van € 700,- bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf 15 december 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 63, 77a, 77g, 77i, 77gg, 266, 267, 180, 300, 304, 310, 311, 312, 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-213188-25 feit 1:diefstal;
feit 2:eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar
gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van
zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam;
feit 3:diefstal;
feit 4:handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet
wapens en munitie;
02-228538-25:diefstal door twee of meer verenigde personen;
02-220760-25:diefstal door twee of meer verenigde personen;
02-222812-25 feit 1:mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of
ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 2:eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam;
02-264231-25:diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd
met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
02-244197-25 feit 1:diefstal door twee om meer verenigde personen, waarbij de
schuldige zich de toegang tot het plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;
de eendaadse samenloop van:
feit 2:poging tot diefstal door twee om meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot het plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;
en
feit 3: vernieling, meermalen gepleegd;
02-348263-25:eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar
gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam;
02-341281-25 feit 1:mishandeling;
feit 2:wederspannigheid;
feit 3:mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of
ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentie van 8 (acht) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie conform artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1] (02-213188-25 feit 2)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 1]van € 192,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 1] € 192,- aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2] (02-213188-25 feit 3)
- verklaart de vordering niet-ontvankelijk;
[benadeelde 4] (02-222812-25 feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 4]van € 400,-
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 4] € 400,- aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 5] (02-222812-25 feit 2)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 5]van € 200,-
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 5] € 200,- aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 6] (02-264231-25)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 6]van € 6.000,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 6] € 6.000,- aan materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
AXUS Nederland (02-244197-25 feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
Axus Nederland B.V.van € 338,57 voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het toegewezen bedrag;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Axus Nederland B.V. te betalen een bedrag van € 338,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het toegewezen bedrag;
[benadeelde 14] (02-244197-25 feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 14]van € 1.743,24 voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het toegewezen bedrag;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 14] te betalen een bedrag van € 1.743,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het toegewezen bedrag;
[benadeelde 17] (02-244197-25 feit 2 en feit 3)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 17]van
€ 48,18 voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het toegewezen bedrag;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 17] te betalen een bedrag van € 48,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het toegewezen bedrag;
[benadeelde 7] (02-348263-25)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 7]van € 406,-
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 november 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 7] € 406,- aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 november 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 9] (02-341281-25 feit 3)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 9]van € 700,-
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 9] € 700,- aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en
mr. H. Faouzi, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juni 2026.
Mr. Faouzi is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.