ECLI:NL:RBZWB:2026:5532

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/1820
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Verordening parkeerbelastingen Goes 2025Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd ondanks gehandicaptenparkeerkaart niet zichtbaar

Belanghebbende, houder van een Europese gehandicaptenparkeerkaart, kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat op 22 februari 2025 zijn auto geparkeerd stond zonder dat de parkeerbelasting was voldaan. De auto stond op een locatie waar betaald parkeren geldt. Belanghebbende voerde aan dat hij in het bezit was van een gehandicaptenparkeerkaart, maar deze was vergeten achter de voorruit te leggen en lag op de achterbank.

De heffingsambtenaar verwees naar artikel 4 van Pro de Verordening parkeerbelastingen Goes 2025, waarin is bepaald dat de gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar achter de voorruit moet liggen om vrijstelling van parkeerbelasting te krijgen. Omdat deze voorwaarde niet was vervuld, was de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

De rechtbank oordeelde dat het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart niet voldoende is voor vrijstelling als deze niet zichtbaar is aangebracht. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bleef gehandhaafd. Tevens werd het griffierecht niet vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt gehandhaafd omdat de gehandicaptenparkeerkaart niet zichtbaar achter de voorruit lag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1820

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Goes, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 maart 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]
1.4.
Bij het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank aangekondigd na zes weken uitspraak te doen. Deze termijn is niet haalbaar gebleken.

Feiten

2. Belanghebbende is houder van een Europese gehandicaptenparkeerkaart (de gehandicaptenparkeerkaart).
2.1.
De auto met kenteken [kenteken] (de auto) stond op 22 februari 2025 omstreeks 12:05 uur geparkeerd aan de [straat] te [locatie] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is (door parkeercontroleurs) geconstateerd dat daarvoor geen parkeerbelasting was voldaan.
2.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende op dezelfde dag een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 79,40 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 0,60 en € 78,80 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 22 februari 2025 omstreeks 12:05 uur geparkeerd stond aan de [straat] te [locatie] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
4.1.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij de gehandicaptenparkeerkaart vergeten was achter de voorruit te leggen en de kaart op de achterbank van de auto lag. Verder stelt belanghebbende dat de auto met kenteken [kenteken] op zijn naam staat en hij in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart, waardoor hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen parkeerbelasting is verschuldigd.
4.2.
De heffingsambtenaar verwijst naar artikel 4 van Pro de Verordening parkeerbelastingen Goes 2025 (de Verordening) waarin staat dat een houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart vrijgesteld is van de betaalplicht, onder de voorwaarde dat deze kaart duidelijk zichtbaar achter de voorruit is aangebracht, waarbij de voorzijde van de kaart duidelijk zichtbaar is voor controle. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Verder stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat een gehandicaptenparkeerkaart niet kentekengebonden is.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Niet in geschil is dat de gehandicaptenparkeerkaart niet zichtbaar achter de voorruit van de auto was aangebracht. Er wordt dus niet voldaan aan artikel 4, aanhef en sub a van de Verordening, waardoor geen sprake is van een vrijstelling. Dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart maakt dat niet anders. Dat doet namelijk niet af aan het niet vervullen van de vereiste voorwaarde voor de vrijstelling.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.