ECLI:NL:RBZWB:2026:5535
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens niet tijdig betalen
Belanghebbende parkeerde op 23 januari 2025 haar auto op een locatie waar parkeerbelasting verschuldigd was, maar betaalde niet direct. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op van €81,20, bestaande uit belasting en kosten. Belanghebbende voerde aan dat zij direct na het parkeren probeerde te betalen via een defecte parkeerautomaat en later via een parkeerapp, en dat zij een redelijke termijn moest krijgen om te voldoen.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak een redelijke termijn geldt om de parkeerbelasting te voldoen, maar dat deze termijn begint direct na het parkeren en dat onverwijlde handelingen vereist zijn. De heffingsambtenaar bracht bewijs aan dat belanghebbende tijdens de controle niet zichtbaar of hoorbaar bezig was met betalen, en dat het terrein overzichtelijk was.
De rechtbank achtte de stelling van belanghebbende niet aannemelijk en verwierp haar argumenten over schending van bestuursrechtelijke beginselen zoals het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting.