ECLI:NL:RBZWB:2026:5591

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/7445
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen toekenning loongerelateerde WGA-uitkering door UWV

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV om een loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser was het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 52,91% en voerde meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank heeft het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige beoordeling van het UWV zorgvuldig getoetst. De verzekeringsartsen hebben beperkingen vastgesteld op zowel fysiek als mentaal gebied, waaronder pijnklachten en een depressieve stoornis, en een urenbeperking van halve dagen geadviseerd. De arbeidsdeskundige heeft passende functies geselecteerd voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid.

Eiser heeft onvoldoende nieuwe medische informatie aangeleverd om de vastgestelde beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid te betwisten. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld en de loongerelateerde WGA-uitkering heeft toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV-besluit tot toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7445

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het UWV tot toekenning van een loongerelateerde WGA [1] -uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan eiser. Eiser is het niet eens met het besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser werkte voor het laatst als Junior elektricien voor 40 uur per week. Voor dat werk is hij op 11 februari 2022 uitgevallen vanwege belemmerende gezondheidsklachten. De arbeidsovereenkomst is op 25 juli 2022 geëindigd. Eiser ontving vanaf 26 juli 2022 een Ziektewetuitkering. Hij bereikte op 8 februari 2024 het einde van de wachttijd.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 19 november 2023 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 2 mei 2024 (primair besluit) afgewezen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3.1.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 1 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond verklaard en alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend per 9 februari 2024. Per 9 november 2024 heeft eiser recht op een WGA-vervolguitkering.
3.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Het UWV werd vertegenwoordigd door [persoon]. Eiser was, zonder bericht van verhindering, niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
4.1.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Toetsingskader
5. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Medische beoordeling
6. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
-
Medisch onderzoek verzekeringsartsen
6.1.
De primaire verzekeringsarts heeft het dossier van eiser bestudeerd, en hem lichamelijk en psychisch geobserveerd tijdens het spreekuur van 22 maart 2024. In de rapportage van diezelfde datum heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat eiser zich in een pees van zijn linker pink heeft gesneden, waarvoor hij is geopereerd. De pink is redelijk goed hersteld, maar doet nog pijn met zwaar belasten. Eiser heeft nog nek-, schouder- en rugklachten. Hij is aangewezen op een lichte fysieke arbeid. Daarnaast heeft eiser mentale klachten, bestaande uit slaapproblemen, vermoeidheid, overspannenheid, depressie en angsten. Eiser heeft traumatische ervaringen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiser neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 maart 2024. Er zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren, Dynamische handelingen, Statische houdingen en Werktijden. Er is volgens de verzekeringsarts geen indicatie voor een medische urenbeperking.
6.2.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b het dossier bestudeerd en kennisgenomen van het bezwaarschrift. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. In de rapportage van 12 augustus 2024 heeft de verzekeringsarts b&b geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts terecht benutbare mogelijkheden heeft aangenomen, maar dat ten onrechte geen urenbeperking is toegepast. Er zijn op grond van de medische feiten, het dagverhaal met inachtneming van de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de FML, voldoende zware argumenten om een urenrestrictie toe te passen. De verzekeringsarts b&b kan om energetische reden een urenbeperking van halve dagen aannemen. De verzekeringsarts b&b heeft de FML op 12 augustus 2024 herzien.
-
Standpunt van eiser over het medisch onderzoek
6.3.
Eiser stelt zich op het standpunt dat zowel zijn psychische als fysieke toestand het niet toestaan om ongeveer 20 uur per week te werken. Daarnaast zijn de gegevens die gebruikt zijn om het bestreden besluit te nemen onvoldoende om zijn werkvermogen correct te beoordelen. Het bestreden besluit is volgens eiser gebaseerd op informatie van instanties die zelfs geen therapie hebben aangeboden. Het UWV baseert zich bovendien op slechts één telefoongesprek. De verzekeringsartsen hebben de ernst van eisers gezondheidstoestand niet correct meegenomen. Eiser wacht nu bijna drie jaar op therapie, zonder dat hij professionele psychiatrische ondersteuning ontvangt. Zijn fysieke gezondheid is ook verslechterd, omdat de postoperatieve klachten zijn verergerd.
-
Oordeel van de rechtbank
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de mentale klachten, stressgevoeligheid en de pijnklachten aan de pink, nek, linkerschouder en lage rug. Deze klachten hebben de verzekeringsartsen ook kenbaar betrokken in hun beoordeling. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden en daarvoor zijn meerdere beperkingen aangenomen.
6.5.
De rechtbank vindt dat de verzekeringsarts b&b in bezwaar voldoende heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking van halve dagen moet worden aangenomen. De verzekeringsarts b&b geeft aan dat eiser op datum in geding een depressieve stoornis had, die gepaard kan gaan met substantiële moeheid of energieverlies. Eiser slaapt slecht en piekert veel. Het dagverhaal vermeldt niets over slapen overdag. De verzekeringsarts b&b kan zich daarom de grond van eiser goed voorstellen en kan om energetische reden een urenbeperking van halve dagen aannemen. De rechtbank kan dit volgen. Eiser heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. De enkele stelling dat hij niet in staat is om 20 uur per week dan wel halve dagen te werken is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de motivering van de verzekeringsarts b&b voor wat betreft de gehanteerde urenbeperking.
6.6.
Voor zover eiser stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht op medische gronden, kan de rechtbank dit niet volgen. De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 12 augustus 2024 aan de hand van de criteria ‘Geen Benutbare Mogelijkheden’ namelijk voldoende toegelicht waarom eiser niet onder één van de uitzonderingscategorieën valt. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de conclusie van de verzekeringsartsen onjuist is.
6.7.
Daarnaast is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Eiser heeft zijn standpunt dat hij meer beperkt is niet aan de hand van objectieve medische gegevens onderbouwd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen informatie misten om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Hoewel het begrijpelijk is dat eiser ernstigere klachten ervaart dan dat er aan beperkingen zijn aangenomen, betekent dit niet dat de medische beoordeling onjuist is.
6.8.
Eiser voert weliswaar aan dat zijn fysieke gezondheid is verslechterd, maar de rechtbank kan deze beroepsgrond niet bij de beoordeling van het bestreden besluit betrekken. Het gaat immers om de beperkingen die op de datum in geding, 9 februari 2024, aanwezig waren.
6.9.
Niet gebleken is dat de beperkingen van eiser in de FML van 12 augustus 2024 zijn onderschat. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Arbeidskundige beoordeling
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de arbeidsdeskundige beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
7.1.
De arbeidsdeskundige b&b van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Wikkelaar (SBC-code 267053), Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en Assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071).
7.2.
De beroepsgronden van eiser zijn niet gericht tegen de geduide functies. Er is hiermee naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. De geduide functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
7.3.
Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser 52,91% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft tegen de berekening van het UWV geen gronden naar voren gebracht. Om die reden gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
7.4.
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 februari 2024 heeft vastgesteld op 52,91% en een loongerelateerde WGA-uitkering aan eiser heeft toegekend.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aan eiser toegekende loongerelateerde WGA-uitkering in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. V.J. Wuijten, griffier, op 3 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.WGA: Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.