ECLI:NL:RBZWB:2026:56

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11867836 \ CV EXPL 25-2927 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bosters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 25 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering CZ tot terugbetaling onverschuldigde betaling aan huisartsenpraktijk

CZ Zorgverzekeringen vordert van gedaagde een bedrag van €161,31 wegens betaling aan een huisartsenpraktijk op grond van een verdragspolis. Gedaagde was ingeschreven bij een huisarts in Nederland maar werkte in België. CZ betaalde honorarium aan de huisarts, maar stelde later vast dat gedaagde niet meer verzekerd was in België, waardoor de verdragspolis met terugwerkende kracht werd beëindigd.

CZ vordert terugbetaling van het honorarium omdat de polis met terugwerkende kracht is stopgezet. Gedaagde voert verweer dat hij slechts een aanvullende verzekering bij CZ heeft en dat CZ ten onrechte eigen risico in rekening bracht. De rechtbank oordeelt dat CZ de vordering baseert op onverschuldigde betaling, maar dat de betaling aan de huisartsenpraktijk is gedaan en niet aan gedaagde.

Daarom kan gedaagde niet worden veroordeeld tot betaling. De rechtbank vult de rechtsgronden ambtshalve aan, maar vindt geen andere grondslag voor toewijzing. CZ wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van proceskosten aan gedaagde.

Uitkomst: De vordering van CZ tot betaling van onverschuldigde honorariumkosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11867836 \ CV EXPL 25-2927
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij brief van 26 januari 2024 heeft CZ [gedaagde] geïnformeerd dat CZ het bericht heeft ontvangen van de Sociale Verzekeringsbank dat [gedaagde] per 1 november 2023 een
WW-uitkering in Nederland ontvangt. Dit kan volgens CZ gevolgen hebben voor de registratie in de Verdragspolis. [gedaagde] is in de Verdragspolis geregistreerd omdat [gedaagde] in België werkte en in Nederland woonde.
2.2.
Bij brief van 26 april 2024 heeft CZ [gedaagde] geïnformeerd dat van de Belgische verzekeraar de Christelijke Mutualiteit het bericht is ontvangen dat [gedaagde] vanaf 1 september 2023 niet meer is verzekerd in België. De Verdragspolis van [gedaagde] wordt om die reden per 1 september 2023 stopgezet.

3.Het geschil

3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 161,31, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
CZ legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Het bedrag van € 118,88 waar betaling van wordt gevorderd betreft een honorarium voor de huisarts. [gedaagde] is verzekerd (ingeschreven) bij een huisarts in Nederland. Een keer per kwartaal ontvangt de huisarts een honorarium van CZ voor elke verzekerde die bij de huisarts staat ingeschreven. De huisarts ontvangt dit bedrag ongeacht of een verzekerde wel of niet bij de huisarts komt. Het betaalde honorarium wordt door CZ van [gedaagde] terug gevorderd, omdat [gedaagde] met terugwerkende kracht is uitgeschreven bij CZ. CZ had deze kosten reeds betaald aan de huisarts van [gedaagde].
CZ heeft gelet hierop een bedrag van € 118,88 onverschuldigd uitbetaald. [gedaagde] dient dit bedrag aan CZ te vergoeden. Ondanks aanmaning hiertoe heeft [gedaagde] niet betaald. CZ maakt om die reden ook aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.
3.3.
[gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat hij slechts een aanvullende verzekering heeft bij CZ. De vordering van CZ heeft betrekking op de basispolis. Deze basisverzekering van [gedaagde] verloopt via een zorgverzekeraar in België. [gedaagde] valt onder de uitzondering onder de zorgverzekeringswet. Daardoor kan slechts de Belgische verzekeraar eigen risico in rekening brengen bij [gedaagde]. CZ heeft ten onrechte de afgelopen jaren eigen risico in rekening gebracht. Daarnaast heeft CZ de verzekering stopgezet. CZ kan om die reden niet achteraf betaling verzoeken.

4.De beoordeling

4.1.
In de conclusie van repliek voert CZ aan dat [gedaagde] is verzekerd (ingeschreven) bij een huisarts. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Uit de producties blijkt dat dit de huisartsenpraktijk [maatschap] te [plaats 2] betreft. CZ heeft aangevoerd dat zij ieder kwartaal een honorarium betaalt aan de huisarts, waar de verzekerde staat ingeschreven. Ook dit heeft [gedaagde] niet betwist. [gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat het gevorderde bedrag eigen risico betreft. [gedaagde] wordt daarin niet gevolgd. Dit blijkt namelijk niet uit de stukken. [gedaagde] heeft verder ook geen facturen overgelegd, waaruit blijkt dat CZ de afgelopen jaren dit eigen risico bij [gedaagde] in rekening zou hebben gebracht.
4.2.
CZ heeft haar vordering echter gegrond op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro) en op die grond is de vordering niet toewijsbaar.
4.3.
Op grond van dit wetsartikel heeft degene die zonder rechtsgrond een goed aan een ander heeft gegeven, het recht om dit van de ontvanger terug te vorderen. Indien het gaat om een betaling dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.
4.4.
In deze zaak heeft CZ de betaling verricht aan de huisartsenpraktijk. Dat betekent dat er door CZ een bedrag onverschuldigd is betaald aan de huisartsenpraktijk en niet aan [gedaagde]. [gedaagde] kan gelet hierop niet worden veroordeeld tot betaling. Op grond van artikel 25 Rv Pro is de rechter verplicht rechtsgronden aan te vullen. Naar het oordeel van de rechter bieden de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en gegeven onderbouwing echter onvoldoende aanknopingspunten om de vordering op een andere rechtsgrond toe te wijzen.
4.5.
CZ is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Aan de zijde van [gedaagde] wordt deze vastgesteld op € 50,00 wegens reis-, verblijf- en verletkosten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt CZ om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 50,00 wegens reis-, verblijf- en verletkosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.