Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5610

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
02-156556-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 38v SrArt. 38w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verkrachting, wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing met tbs en contactverbod

Op 7 mei 2024 heeft verdachte zijn ex-vrouw, het slachtoffer, in haar woning verkracht, haar wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd en door geweld en bedreiging gedwongen tot afgifte van €1.000. De feiten vonden plaats in aanwezigheid van twee kinderen. De verklaringen van het slachtoffer zijn consistent en worden ondersteund door diverse bewijsmiddelen, waaronder bankafschriften, getuigenverklaringen van de kinderen en een briefje waarmee het slachtoffer om hulp vroeg.

Verdachte ontkent de feiten en stelt dat de handelingen vrijwillig waren, maar zijn verklaring wordt door de rechtbank als ongeloofwaardig beoordeeld. Verdachte heeft een voorgeschiedenis met soortgelijke delicten en kampt met een ernstige psychische stoornis, waarbij deskundigen een antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis en een waanstoornis diagnosticeerden.

De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor verkrachting en vrijheidsberoving, maar volledig toerekeningsvatbaar voor afpersing. Gezien de ernst van de feiten, het recidiverisico en de psychische problematiek wordt een gevangenisstraf van vier jaar opgelegd, met aftrek van voorarrest, en een tbs-maatregel met dwangverpleging. Daarnaast wordt een contactverbod van vijf jaar opgelegd met vervangende hechtenis bij overtreding en een maatregel langdurig toezicht na de tbs-maatregel.

Het slachtoffer krijgt een schadevergoeding van €38.558,55 toegewezen voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 mei 2024. De rechtbank legt tevens een schadevergoedingsmaatregel op met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf, tbs met dwangverpleging, contactverbod en maatregel langdurig toezicht wegens verkrachting, wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-156556-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 juni 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1974 te [geboorteplaats] (Suriname),
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [plaats 1] , [locatie] ,
raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te [plaats 2] .

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is ter zitting van 14 augustus 2024 gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 7 mei 2024
[slachtoffer] heeft verkracht;
[slachtoffer] tegen haar wil van haar vrijheid heeft beroofd, en
[slachtoffer] door (dreiging met) geweld heeft gedwongen hem € 1.000,- te geven.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd. De verklaringen van aangeefster zijn consistent en betrouwbaar en worden ondersteund door ander bewijs in het dossier.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten kan komen, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat. De verklaringen van aangeefster zijn op belangrijke punten inconsistent, niet aannemelijk en/of ongeloofwaardig en daardoor onbetrouwbaar en worden niet ondersteund door ander (overtuigend) bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1, 2 en 3
Voorgeschiedenis
Verdachte en aangeefster zijn getrouwd geweest en hebben vier kinderen samen. Aangeefster heeft eerder aangifte gedaan van verkrachting door verdachte in 2006/2007. Bij (inmiddels onherroepelijk geworden) arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 2 maart 2010 is verdachte veroordeeld voor verkrachting van en mishandeling van zijn levensgezel, gepleegd in die periode.
In februari 2022 zijn verdachte en aangeefster uit elkaar gegaan. Aangeefster woonde ten tijde van de feiten samen met drie van de vier kinderen op een adres dat als geheim is aangemerkt in de Basisregistratie Personen. Op 12 maart 2024 zijn de adresgegevens door de Gemeente [plaats 2] per abuis aan verdachte verstrekt. In april 2024 heeft aangeefster hierover een bericht ontvangen, waarbij tevens kenbaar is gemaakt dat er contact is gezocht met de politie. De politie heeft een Afspraak op Locatie heeft aangemaakt, wat betekent dat als aangeefster de politie zou bellen in verband met zorgen over verdachte, er gelijk politie naar haar toe zou komen.
Gebeurtenissen 7 mei 2024
Zowel uit de verklaring van aangeefster als de verklaring van verdachte volgt dat verdachte op 7 mei 2024 naar de woning van aangeefster is toegegaan, dat zij naar boven naar de slaapkamer toe zijn gegaan en dat zij daar seks hebben gehad. Aangeefster heeft verdachte meerdere keren gepijpt en het geslachtsdeel van verdachte is in de vagina van aangeefster geweest. Beiden hebben verklaard dat penetreren niet goed lukte, omdat het geslachtsdeel van verdachte niet stijf werd. Ook hebben beiden verklaard dat aangeefster toen een bedrag van € 1.000,= over heeft gemaakt naar de rekening van verdachte.
De verklaringen van aangeefster en verdachte lopen uiteen voor wat betreft de vraag of de seks en het overmaken van geld vrijwillig was. Kort samengevat heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar heeft bedreigd met geweld en daadwerkelijk geweld heeft gebruikt en haar op die manier heeft gedwongen tot die handelingen. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster de hiervoor genoemde handelingen vrijwillig heeft verricht.
Bewijsminimum
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Indien de verdachte ontkent, moet de rechtbank beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (in dit geval aangeefster) op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan.
Verklaringen aangeefster
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op 7 mei 2026 meteen haar woning binnen kwam toen hun [dochter] de deur open deed om naar buiten te gaan. Verdachte deed vervolgens de deur dicht, terwijl [dochter] nog buiten stond. Hun [zoon] was binnen aanwezig. Verdachte pakte aangeefster vast aan de bovenkant op haar hoofd bij haar haren en duwde haar hoofd naar de grond. Ze was heel bang. Verdachte zei dat als ze stil was, hij niets zou doen. Verdachte haalde [dochter] weer binnen. Verdachte zei dat hij geld nodig had in verband met de hypotheek van de gezamenlijke woning. [dochter] en [zoon] moesten van verdachte naar de woonkamer gaan en aangeefster moest hen ziekmelden. Dat heeft zij gedaan. Verdachte heeft aangeefster bedreigd en gezegd ‘moet ik je dood maken of ga je naar boven’. Aangeefster liep naar boven met verdachte. Ze deed dit omdat ze niet tegen hem op kan. Als ze nee zou hebben gezegd, dan zou er echt iets met haar gebeurd zijn, gelet op wat ze heeft meegemaakt met verdachte in het verleden. Ze moest in de slaapkamer haar kleren uitdoen en op bed gaan liggen. Toen moest zij hem pijpen en ze hebben seks gehad. Aangeefster moest de penis van verdachte in haar vagina doen. Het lukte niet goed, omdat de penis van verdachte niet stijf werd. De penis van verdachte is wel in haar vagina geweest. Ze had veel angst door wat ze met verdachte had meegemaakt en gaf hem daarom zijn zin. Ze heeft verdachte meerdere keren moeten pijpen en zijn geslachtsdeel is meerdere keren in haar vagina geweest. Verdachte heeft haar tussendoor geslagen op haar wang met platte hand. Hij zei ook ‘'welke vinger van jou moet ik afhakken'. Hij heeft ook gezegd “'als je domme dingen gaat doen ga ik je keel doorsnijden”. Verdachte wilde haar telefoon hebben en keek onder andere in de ABN AMRO app. Hij zag hoeveel geld ze had en wilde de helft ervan hebben. Vanwege een slot op de rekening was dat niet mogelijk. Aangeefster vroeg of hij 1000 euro wilde hebben waarop verdachte ja zei. Ze heeft dat aangeboden zodat hij haar vinger er niet af zou hakken. Ze heeft toen 1000 euro naar hem overgemaakt. Ze zijn ongeveer 2 uur boven geweest. Toen ze naar beneden zijn gegaan, heeft verdachte tegen de kinderen gezegd dat papa en mama weer bij elkaar waren. Verdachte, aangeefster, [zoon] en [dochter] zijn in de auto gestapt omdat verdachte een telefoon wilde gaan kopen voor aangeefster. In de auto moest aangeefster verdachte bellen. Verdachte zei daarbij dat dat moest omdat iedereen dan zou denken dat aangeefster hem had gebeld om naar haar toe te komen. In de auto heeft aangeefster een papier gepakt en daarop geschreven ‘bel 112’. Ze zijn bij McDonalds gestopt en daar is het aangeefster gelukt het briefje aan een medewerker te geven. Vervolgens is de politie gekomen, aan wie ze meteen heeft verteld wat er was gebeurd.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Zij heeft tegen de politieagenten bij McDonalds, bij het informatieve gesprek zeden, tijdens haar verhoor bij de politie en bij de rechter-commissaris in de kern consistent hetzelfde verhaal verteld. Deze verklaringen komen authentiek over, temeer in het licht van de voorgeschiedenis tussen aangeefster en verdachte.
Steunbewijs
De verklaring van aangeefster wordt deels ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Daarnaast worden de verklaringen van aangeefster ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, zoals de brief van de gemeente [plaats 2] van 19 april 2024 waaruit blijkt dat het adres van aangeefster door een fout bij verdachte terecht is gekomen en de schermafbeelding van de bankrekening van aangeefster, waaruit volgt dat zij om 09:30 uur een bedrag van 1000 euro aan verdachte heeft overgemaakt. Verder volgt uit onderzoek naar de telefoon van aangeefster dat er op 7 mei 2024 om 10:32 uur met haar telefoon een 21 seconden durend uitgaand gesprek heeft plaatsgevonden met het telefoonnummer dat is gekoppeld aan verdachte.
Op de onderdelen waar de verklaringen van aangeefster en verdachte uiteenlopen, worden de verklaringen van aangeefster ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen.
Uit de verklaring van de medewerker van McDonalds volgt dat aangeefster inderdaad een briefje aan hem heeft overhandigd waarop stond “bel 112” en dat zij er gestrest uit zag toen ze het briefje aan hem overhandigde. Uit de bevindingen van een verbalisant volgt dat aangeefster in paniek naar buiten rende toen de politie ter plaatste kwam. Volgens een andere verbalisant, die ongeveer een uur met aangeefster en de kinderen heeft gepraat bij McDonalds, kwam zij de gehele tijd gestrest over. Deze getoonde emoties sluiten aan bij de verklaring van aangeefster.
Ook de verklaringen van [dochter] en [zoon] bevestigen de verklaring van aangeefster op onderdelen die zien op het ontbreken van vrijwilligheid. [zoon] heeft verklaard dat toen verdachte naar de deur kwam, aangeefster zei ‘nee nee, doe de deur dicht’ en dat verdachte toen hij binnenkwam aangeefster naar beneden naar de grond duwde. Aangeefster huilde toen hij dat deed. Volgens [zoon] zei hij “Waarom heb je heel veel geld?” Verdachte was boos en heeft gezegd dat als hij aangeefster nog een keer ziet, hij haar gaat doodmaken. [dochter] heeft verklaard dat toen zij de deur opendeed en alvast naar buiten mocht toen verdachte binnenkwam. De deur ging een paar seconden dicht. Verdachte duwde aangeefster op de grond. Ze heeft dat een beetje gezien, omdat de deur openstond. Verdachte zei tegen aangeefster dat hij geldproblemen had en dat aangeefster hem geld moest geven. [dochter] zag dat aangeefster best bang was. Hij zei ook dat aangeefster [dochter] en [zoon] moest ziekmelden van school. Toen gingen verdachte en aangeefster naar boven.
Verklaring verdachte
Tegenover de verklaringen van aangeefster en het hiervoor genoemde steunbewijs, staat de verklaring van verdachte dat er sprake was van vrijwilligheid. Volgens verdachte zouden aangeefster en hijzelf het goed gemaakt hebben op de crematie van zijn vader, zouden zij vervolgens meermalen met elkaar hebben gebeld waarbij ook het adres van aangeefster gedeeld zou zijn, en zouden ze op 7 mei 2024 samen een afspraak hebben gehad. Dat aangeefster verdachte heeft beschuldigd van de ten laste gelegde feiten, zou volgens verdachte komen omdat zij een spel speelt. Zij zou hem in een kwaad daglicht willen zetten, omdat (in ieder geval) een van de kinderen zou hebben verteld dat zij bij hem zou willen wonen. Het dossier biedt geen enkel steunbewijs voor het door verdachte geschetste scenario. De rechtbank acht de verklaring van verdachte daarom op zichzelf, maar ook in het licht van de overige bewijsmiddelen in het dossier en de voorgeschiedenis tussen verdachte en aangeefster, ongeloofwaardig.
Conclusie
Gelet op de verklaring van aangeefster en het hiervoor genoemde, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting, wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing van aangeefster. Ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving geldt dat verdachte aangeefster ongeveer twee uur in de slaapkamer heeft gehouden en haar, door het door hem gepleegde geweld en de dreiging ermee, het gevoel heeft gegeven dat zij niet weg kon zonder ernstige gevolgen. Dit maakt dat sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 7 mei 2024 te [plaats 3] , door geweld
eneen andere feitelijkheid en bedreiging met geweld, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte,
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of laten brengen en (daarbij) op en neer gaande bewegingen gemaakt, en
- zich laten pijpen door die [slachtoffer] ,
en bestaande dat geweld
eneen andere feitelijkheid en die bedreiging met geweld, uit dat verdachte
- zich heeft opgehouden bij de woning van die [slachtoffer] en heeft gewacht totdat de voordeur open ging en vervolgens zich de toegang tot de woning van die [slachtoffer] heeft verschaft, en
- die [slachtoffer] op de grond heeft geduwd en
- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd 'Als je stil bent ga ik niets doen', en 'Moet ik je doodmaken of ga je mee naar boven', en 'Als je domme dingen doet ga ik je keel doorsnijden', en 'Ik hakje vinger er af', en 'Je moet pijpen', althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en
- die [slachtoffer] bij zich op de slaapkamer heeft ontboden, en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze haar kleding uit moest trekken, en
- die [slachtoffer] meermalen in het gezicht, heeft geslagen, en
- misbruik heeft gemaakt van het fysieke en geestelijke overwicht dat hij, verdachte had over die [slachtoffer] ;
2
op 7 mei 2024 te [plaats 3] , opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte met dat opzet
- zich opgehouden bij de woning van die [slachtoffer] en gewacht totdat de voordeur open ging en vervolgens zich de toegang tot de woning van die [slachtoffer] verschaft, en
- die [slachtoffer] op de grond geduwd, en
- die [slachtoffer] de woorden toegevoegd 'Als je stil bent ga ik niets doen', en 'Moet ik je doodmaken of ga je mee naar boven', en 'Als je domme dingen doet ga ik je keel doorsnijden', en 'Ik hak je vinger er af, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en
- verbleven in de directe nabijheid van die [slachtoffer] in haar woning in [plaats 3] en die [slachtoffer] aldus belet om de woning te verlaten, en
- die [slachtoffer] meermalen in het gezicht, geslagen, en
- die [slachtoffer] gedwongen tot orale en vaginale seks, en
- de gsm van die [slachtoffer] afgepakt, en
- misbruik gemaakt van het fysieke en geestelijke overwicht dat hij, verdachte had over die [slachtoffer] ,
als gevolg waarvan die [slachtoffer] (dusdanig bang is geworden dat zij):
- geen weerstand kon/durfde te bieden aan de verdachte en
- belet is te gaan waar zij wilde en gedwongen werd om op door verdachte aangewezen plekken in huis aanwezig te zijn;
3
op 7 mei 2024 te [plaats 3] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 1000 Euro, die aan die [slachtoffer] toebehoorde, door
- zich op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en te wachten totdat de voordeur open ging en vervolgens zich de toegang tot de woning van die [slachtoffer] te verschaffen, en
- die [slachtoffer] op de grond te duwen, en
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen 'Als je stil bent ga ik niets doen', en 'Moet ik je doodmaken of ga je mee naar boven', en 'Als je domme dingen doet ga ik je keel doorsnijden', en 'Ik hak je vinger er af',en 'Ik wil geld', althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en
- die [slachtoffer] meermalen in het gezicht, te slaan, en
- misbruik te maken van het fysieke en geestelijke overwicht dat hij, verdachte had over die [slachtoffer] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest en een ongemaximeerde tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Verder vordert zij een contactverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), met een maand vervangende hechtenis voor elke overtreding van dat verbod met een maximum van zes maanden. Tot slot wordt een gedragsbeïnvloedende maatregel op grond van 38z Sr gevorderd, zodat in dat kader ook na de tbs-maatregel een contactverbod nog mogelijk is. De officier van justitie gaat uit van samenloop tussen de feiten 1 en 2.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring te volstaan met gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en geen tbs met verpleging van overheidswege op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting, afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster, zijn ex-vrouw. Dit is gebeurd in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen, temeer omdat zij een geheim adres had vanwege de voorgeschiedenis tussen haar en verdachte. Door een fout van de gemeente [plaats 2] is haar adres bij verdachte terecht gekomen. Het moet zeer beangstigend voor aangeefster zijn geweest dat verdachte plotseling aan haar deur stond. Dat de feiten zijn gepleegd terwijl twee kinderen van aangeefster en verdachte ook in de woning aanwezig waren, acht de rechtbank strafverzwarend. Verdachte heeft door zijn handelwijze een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later ernstige nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dat de feiten impact op aangeefster hebben gehad, blijkt uit de namens haar afgelegde slachtofferverklaring. Zij was na de feiten genoodzaakt om te verhuizen en heeft verklaard dat de kinderen en zijzelf getraumatiseerd zijn door wat er is gebeurd en daar hulp voor nodig hadden.
Samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen hangen niet zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt en de strekking van de desbetreffende strafbepalingen loopt meer dan enigszins uiteen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor verkrachting en mishandeling van zijn levensgezel bij arrest van 2 maart 2010. Ten tijde van de feiten liep verdachte in een proeftijd vanwege een veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2025 voor het meermaals handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Verder golden ten tijde van de feiten bijzondere voorwaarden in het kader van een schorsingstoezicht in een nog lopende strafzaak voor overtreding van de Opiumwet. Verdachte heeft de feiten dus gepleegd terwijl hij een gewaarschuwd mens was. De situatie van artikel 63 Sr Pro is van toepassing.
De rechtbank heeft acht geslagen op de rapporten die over verdachte zijn opgemaakt door een psycholoog, een psychiater en een milieuonderzoeker.
Uit het rapport van [psychiater] van 11 februari 2026 volgt dat bij verdachte sprake is van een waanstoornis, grootheidstype, met een bizarre inhoud. De wanen van verdachte zijn continu aanwezig en waarschijnlijk ook ten tijde van het tenlastegelegde. Het is waarschijnlijk dat de stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedde. In hoeverre dat aan de orde was, is niet te zeggen omdat verdachte de feiten ontkent en een gedegen delictanalyse ontbreekt. De psychiater kan daarom geen uitspraken doen over het toerekenen van de feiten aan verdachte. De kans op herhaling van zowel seksueel grensoverschrijdend gedrag als agressief gedrag in het algemeen wordt als matig tot hoog geschat en jegens aangeefster als hoog. De problematiek van verdachte is zeer hardnekkig en bestaat al jaren. Het ontbreekt hem aan ziekte-inzicht. Om de kans op herhaling te reduceren is behandeling en begeleiding van betrokkene noodzakelijk. Een langdurige, klinische opname op een afdeling met voldoende beveiligingsniveau (minimaal FPK) en zorgintensiteit is noodzakelijk om tot (enige) gedragsverandering te komen. Geadviseerd wordt om aan verdachte terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen, vanwege de ernst, complexiteit en het hardnekkige karakter van de problematiek van verdachte die invloed heeft op zijn gedrag, het matig tot hoog ingeschatte recidiverisico en omdat langdurige behandeling en begeleiding noodzakelijk worden geacht.
Uit het rapport van [psycholoog 1] van 27 december 2024, opgesteld onder supervisie van [psycholoog 2] , volgt dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook het geval ten tijde van de feiten. De stoornissen beïnvloedden verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de feiten. Voortvloeiend uit de narcistische persoonlijkheids-stoornis kampt verdachte met een beperking in het waarnemingsvermogen. Door de narcistische dynamiek van verdachte redeneert hij enkel vanuit zijn eigen perspectief. Wanneer hij geconfronteerd wordt met de (begrenzende) realiteit van een ander is er sprake van een sterke krenking, die gepaard gaat met (seksuele) agressie. De verkrachting en de vrijheidsberoving moeten in dit licht worden gezien. Geadviseerd wordt deze feiten in verminderde mate toe te rekenen. Of ook bij de afpersing sprake was van de narcistische dynamiek of van meer antisociale, opportunistische motieven en keuzes, is vanwege de ontkenning van verdachte niet onderzoekbaar gebleken. In dat laatste geval zou een inperking van waarnemings- of sturingsvermogen hierin geen rol hebben gespeeld en zou geadviseerd worden dit feit toe te rekenen aan verdachte. Zonder behandeling wordt de kans dat verdachte terugvalt in vergelijkbaar seksueel geweld en vergelijkbaar gewelddadig gedrag, als matig tot hoog geschat. Het risico op seksueel geweld geldt vooral in relaties van verdachte. In het contact met zijn ex-vrouw en kinderen achten onderzoekers het risico op geweld als hoog, ook op de korte termijn. In andere relaties kan het risico oplopen op het moment dat dezelfde narcistische dynamiek een rol gaat spelen. Een intensieve, langdurige klinische behandeling wordt noodzakelijk geacht om het recidivegevaar te kunnen inperken. Verdachte heeft geen besef en inzicht in zijn problematiek en staat niet open voor behandeling. Behandeling in een forensische kliniek noodzakelijk, bij voorkeur met expertise op het gebied van persoonlijkheidsstoornissen. Gezien de ernst van de pathologie en het recidiverisico, is van belang dat verdachtes behandeling geborgd wordt. Gezien de ontbrekende interne motivatie, het opgeblazen gevoel van eigenwaarde, de krenkingsgevoeligheid en de weerstand tegen introspectie (ziektebesef en ziekteinzicht ontbreken), is de prognose voor een succesvolle behandeling in het kader van voorwaarden ongunstig. Een dwingend kader is noodzakelijk. Het advies is daarom om de behandeling binnen het kader van een TBS met bevel tot verpleging van overheidswege te laten plaatsvinden.
Ter zitting heeft [psycholoog 1] nog het volgende toegevoegd over de discrepantie in de diagnostiek van de psychiater enerzijds en haarzelf en haar supervisor anderzijds. De door ieder van hen gestelde stoornissen kunnen de problematiek van verdachte verklaren. De psycholoog en haar supervisor vonden in december 2024 de antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis meer op de voorgrond staan. Dit heeft te maken met de grip op de realiteit bij verdachte. Die is in hun visie wel enigszins verminderd, maar niet zozeer dat die volledig verloren was. Daarnaast waren de grootheidsideeën in de dynamiek met anderen af en toe veranderbaar, wat de indruk wekte dat er meer controle was bij verdachte over de verhalen die hij vertelde. De psycholoog en haar supervisor hebben de waanstoornis met waanideeën wel als differentiële diagnose opgenomen. Het rapport van de psychiater heeft bij de psycholoog niet geleid tot een wijziging van haar bevindingen. Dat de diagnostiek door verloop van tijd is veranderd, acht de psycholoog onwaarschijnlijk. Een persoonlijkheidsstoornis wordt ontwikkeld in de jongvolwassenheid, is redelijk stabiel en er is actieve behandeling gericht op bepaalde kenmerken nodig om die te verminderen. De psycholoog en haar supervisor hadden voldoende informatie om een beperking te zien op bepaalde functies die de keuzevrijheid beperken. Daarom is geadviseerd de feiten (1 en 2) verminderd aan verdachte toe te rekenen. De risicotaxatie en het advies tot tbs met dwangverpleging komen overeen in de rapporten van de psychiater en de psycholoog. Zowel in het geval van een antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis als in het geval van een waanstoornis wordt een intensieve en langdurige behandeling nodig geacht, waardoor tbs met dwangverpleging het meest passende kader is.
De rechtbank volgt de conclusie van de psycholoog over de verminderde toerekeningsvatbaar van verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 en de volledige toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van feit 3.
Tbs-maatregel
Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is.
Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:
- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;
- op de gepleegde misdrijven is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
Uit de rapporten van de deskundigen en de toelichting van de psycholoog ter zitting volgt dat bij verdachte sprake is van ofwel een persoonlijkheidsstoornis (te weten een antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis) zoals door de psycholoog is gesteld, ofwel een waanstoornis zoals door de psychiater (en als differentiële diagnose door de psycholoog) is gesteld. De problematiek van verdachte kan door beide stoornissen worden verklaard en de rechtbank kan, gelet op de discrepantie tussen de rapporten van de psychiater en de psycholoog, niet met voldoende zekerheid vast stellen met welke van de stoornissen verdachte kampt. Vast staat wel dat bij verdachte sprake is van een stoornis. Ten aanzien van beide stoornissen geldt dat langdurige en intensieve behandeling in een klinische setting noodzakelijk is, onder meer vanwege de hardnekkige problematiek, het gebrek aan ziekte-inzicht bij verdachte en het als matig tot hoog ingeschatte recidiverisico. De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk. Voor een tbs met voorwaarden ziet de rechtbank geen ruimte, omdat blijkens de inlichtingen van de psychiater en de psycholoog daarmee onvoldoende de veiligheid van de maatschappij kan worden gegarandeerd.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Gevangenisstraf
Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van voorarrest, noodzakelijk. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, de omstandigheid dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend enerzijds en de impact die de feiten op het slachtoffer hebben gehad anderzijds. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Maatregel 38z Sr
Daarnaast is een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr (hierna: maatregel langdurig toezicht) noodzakelijk. Gebleken is dat er sprake is een gevaar voor herhaling van (seksueel) geweld, dat specifiek jegens aangeefster als hoog wordt gezien. Om de veiligheid van anderen, en in het bijzonder het slachtoffer, en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen, acht de rechtbank van belang dat langdurig toezicht, ook na de tbs-maatregel, mogelijk is.
Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van de maatregel langdurig toezicht is voldaan. De verdachte zal namelijk ter beschikking worden gesteld en worden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Gelet op het voorgaande zal de maatregel langdurig toezicht worden opgelegd.
Maatregel 38v Sr
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte daarnaast de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . De duur van de vervangende hechtenis van dit verbod zal de rechtbank bepalen op twee weken per overtreding met een maximum van zes maanden.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7.De vordering van de benadeelde partij

Benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 38.558,55 voor feit 1, 2 en 3, bestaande uit € 28.058,55 aan materiële schade en € 10.500,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De verhuis- en inrichtingskosten die zien op de opslag van goederen, de huur van een busje en aangeschafte spullen bij Gamma en Kwantum zijn niet betwist. Dit geldt ook voor de geldsom die de benadeelde op de rekening van verdachte heeft overgemaakt. De rechtbank zal deze schadebedragen dus toewijzen.
Ten aanzien van de overige verhuis- en inrichtingskosten heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit geen noodzakelijke kosten waren. Het betreffen volgens de verdediging goederen die aangeefster reeds in haar bezit had en die ze mee had kunnen verhuizen. De rechtbank is van oordeel dat ook deze schadeposten toegewezen kunnen worden. Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij een geheim adres had, dat door een fout bij verdachte terecht is gekomen. Verdachte is naar haar woning toegegaan en heeft daar de feiten gepleegd. Als gevolg van de feiten moest de benadeelde partij noodgedwongen onderduiken. Zij heeft op meerdere plekken in de vrouwenopvang gezeten voordat zij in december 2024 een nieuwe eigen woning kreeg toegewezen. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat de benadeelde partij niet in staat was de betreffende goederen mee te nemen of daarvoor voorzieningen te treffen binnen de termijn waarin zij moest verhuizen. De gevorderde schadebedragen komen de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal ook deze schadebedragen dus toewijzen.
Ten aanzien van de studiekosten heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen sprake was van noemenswaardig psychisch letsel en er daarom geen noodzaak was tot het stoppen van de studie. De rechtbank is van oordeel dat deze schadeposten toegewezen kunnen worden. Dat de benadeelde partij studievertraging heeft opgelopen door de feiten vindt de rechtbank voldoende onderbouwd. De feiten hebben niet alleen geestelijk impact gehad op de benadeelde partij, maar maakten ook dat zij in de periode na de feiten meermalen heeft moeten verhuizen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het aannemelijk dat zij niet in staat was tijdig het afsluitende examen van haar opleiding te doen en zich om die reden opnieuw heeft moeten inschrijven voor een vergelijkbare opleiding. Voor de studievertraging sluit de rechtbank aan bij het gevorderde bedrag. In Letselschade Richtlijn Studievertraging wordt een hoger bedrag genoemd voor een jaar studievertraging bij een mbo-studie, maar de rechtbank kan niet meer toewijzen dan is gevorderd. De overige studiekosten zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank zal ook deze schadepost toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het toe te kennen bedrag acht geslagen op de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, de gevolgen voor de benadeelde partij zoals is gebleken uit de onderbouwing van de vordering en de bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegekend. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de verkrachting valt onder de categorie ‘tamelijk ernstig’, waarvoor een bandbreedte van
€ 2.500,= tot € 7.500,= wordt genoemd, en de afpersing en vrijheidsberoving onder de categorie ‘ernstig’, waarvoor een bandbreedte van € 3.000,= tot € 8.000,= wordt genoemd. Ook houdt de rechtbank rekening met de aanbevelingen voor verhoging van het bedrag in specifieke gevallen en de omstandigheid dat het gaat om één feitencomplex . Alles afwegend acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 10.500,= voor alle feiten tezamen billijk.
Conclusie
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank dus toewijsbaar tot een bedrag van € 38.558,55, waarvan € 28.058,55 materiële schade en € 10.500,= immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 7 mei 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38v, 38w, 38z, 57, 63, 242, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:verkrachting;
feit 2:opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
feit 3:afpersing;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 4 jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregelen
- gelast de
terbeschikkingstellingvan verdachte,
met verplegingvan overheidswege;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van
5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1978;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
- legt aan verdachte op de
maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1, 2 en 3
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 38.558,55, waarvan € 28.058,55 aan materiële schade en € 10.500,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 38.558,55 te betalen, waarvan € 28.058,55 aan materiële schade en € 10.500,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 186 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter,
en mr. R. Combee en mr. L.E. Verschoor-Bergsma, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 juni 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 7 mei 2024 te [plaats 3] ,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of
een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan
van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij,
verdachte,
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of laten brengen en
(daarbij) op en neer gaande bewegingen gemaakt en/of laten maken,
en/of
- zich laten pijpen door die [slachtoffer] ,
en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die bedreiging
met geweld of een andere feitelijkheid, uit dat verdachte
- zich heeft opgehouden bij de woning van die [slachtoffer] en heeft gewacht
totdat de voordeur open ging en vervolgens zich de toegang tot de
woning van die [slachtoffer] heeft verschaft, en/of
- die [slachtoffer] op de grond heeft gegooid/geduwd, althans ten val heeft
gebracht, en/of
- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd 'Als je stil bent ga ik niets
doen', en/of 'Moet ik je doodmaken of ga je mee naar boven', en/of 'Als
je domme dingen doet ga ik je keel doorsnijden', en/of 'Ik hakje vinger
er af', en/of 'Je moet pijpen', althans woorden van gelijke aard en/of
strekking, en/of
- die [slachtoffer] bij zich op de slaapkamer heeft ontboden, en/of tegen die
[slachtoffer] heeft gezegd dat ze haar kleding uit moest trekken, en/of
- die [slachtoffer] meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft
geslagen, en/of
- misbruik/gebruik heeft gemaakt van het fysieke en geestelijke
overwicht dat hij, verdachte had over die [slachtoffer] ;
( art 242 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 7 mei 2024 te [plaats 3] en/of elders
in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid
heeft beroofd en/of beroofd gehouden,
immers heeft hij, verdachte met dat opzet
- zich opgehouden bij de woning van die [slachtoffer] en gewacht totdat de
voordeur open ging en vervolgens zich de toegang tot de woning van die
[slachtoffer] verschaft, en/of
- die [slachtoffer] op de grond gegooid/geduwd, althans ten val gebracht,
en/of
- die [slachtoffer] de woorden toegevoegd 'Als je stil bent ga ik niets doen',
en/of 'Moet ik je doodmaken of ga je mee naar boven', en/of 'Als je
domme dingen doet ga ik je keel doorsnijden', en/of 'Ik hak je vinger er
af, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- verbleven in de directe nabijheid van die [slachtoffer] in haar woning in
[plaats 3] en die [slachtoffer] aldus belet om de woning te verlaten, en/of
- die [slachtoffer] meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd,
geslagen, en/of
- die [slachtoffer] gedwongen tot orale en vaginale seks, en/of
- de gsm van die [slachtoffer] afgepakt, en/of
- misbruik/gebruik gemaakt van het fysieke en geestelijke overwicht dat
hij, verdachte had over die [slachtoffer] ,
als gevolg waarvan die [slachtoffer] (dusdanig bang is geworden dat zij):
- geen weerstand kon/durfde te bieden aan de verdachte en/of
- ( telkens) belet is te gaan waar zij wilde en/of gedwongen werd om op
(een) door verdachte aangewezen plek(ken) in huis en/of elders in
Nederland aanwezig te zijn/plaats te nemen;
( art 282 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 7 mei 2024 te [plaats 3]
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 1000 Euro, in elk geval
enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een
derde toebehoorde(n), door
- zich op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en te wachten totdat
de voordeur open ging en vervolgens zich de toegang tot de woning van
die [slachtoffer] te verschaffen, en/of
- die [slachtoffer] op de grond te gooien/duwen, althans ten val te brengen,
en/of
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen 'Als je stil bent ga ik niets doen',
en/of 'Moet ik je doodmaken of ga je mee naar boven', en/of 'Als je
domme dingen doet ga ik je keel doorsnijden', en/of 'Ik hak je vinger er
af',en/of 'Ik wil geld', althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
en/of
- die [slachtoffer] meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd, te
slaan, en/of
- misbruik/gebruik te maken van het fysieke en geestelijke overwicht dat
hij, verdachte had over die [slachtoffer] ;
( art 317 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)