ECLI:NL:RBZWB:2026:5619

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446709 / KG ZA 26-172
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 3:13 BWArt. 10:3 BWArt. 6.1 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbankenVerordening Nr. 1215/2012 (Brussel I)
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opschorting executie partneralimentatie bij wijzigingsprocedure

De man en vrouw zijn gescheiden en hebben afspraken gemaakt over partneralimentatie, vastgelegd in een convenant. De man startte een procedure om de alimentatie te verlagen of te beëindigen en betaalde vanaf 2025 een afbouwschema. De vrouw schakelde het LBIO in voor incasso van het volledige convenantbedrag.

De man vorderde in kort geding opschorting van de executie van de alimentatiebetaling en storting van het betwiste bedrag op een derdengeldenrekening. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De vrouw stelde dat zij terecht gebruikmaakt van haar executiebevoegdheid omdat zij afhankelijk is van de alimentatie.

De rechtbank overwoog dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van misbruik van bevoegdheid of een spoedeisend belang. De gestelde schade en het restitutierisico zijn onvoldoende concreet onderbouwd. De vrouw heeft geen vast inkomen en is afhankelijk van de alimentatie. Daarom is de vordering tot opschorting en storting op derdengeldenrekening afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door voorzieningenrechter Benjaddi en griffier Reijerse op 26 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot opschorting van de executie van partneralimentatie af wegens onvoldoende bewijs van misbruik van bevoegdheid en spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446709 / KG ZA 26-172
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. T. van Riel,
tegen
[de vrouw],
wonende: [woonplaats 2] (Indonesië),
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met bijlagen;
- de brief van de vrouw van 13 april 2026.
1.2
De zitting is gehouden op 12 mei 2026. Daarbij zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw.
1.3
Mr. Van Riel heeft op de zitting pleitaantekeningen overgelegd. Deze pleitaantekeningen maken onderdeel uit van het procesdossier en zijn ook bij de beoordeling van de vorderingen betrokken.
1.4
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 1995 tot [datum 2] 2021.
2.2
Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren: [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] . Alleen [kind 3] is nog minderjarig.
2.3
Partijen zijn in het door hen ondertekende echtscheidingsconvenant overeengekomen dat de man met ingang van 1 oktober 2020 een bedrag van € 1.491,= per maand aan de vrouw zal betalen als bijdrage in haar levensonderhoud. Dit bedrag zal niet onderworpen zijn aan de wettelijke indexering.
2.4
Door de man is een procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank waarin hij verzoekt om verlaging dan wel nihilstelling van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder het nummer: C/02/446224 FA RK 26-1435.
2.5
De man betaalt vanaf het najaar van 2025 aangepaste bedragen aan onderhoudsbijdrage aan de vrouw volgens een door hem opgesteld afbouwschema. De vrouw heeft daarna het LBIO ingeschakeld voor de incassering van het volledige bedrag zoals volgt uit voormeld convenant.

3.Het geschil

De man vordert:
I. de vrouw te bevelen de executie van de beslissing van deze rechtbank van 29 april 2021 op te schorten en opgeschort te houden totdat in voormelde bodemprocedure onherroepelijk is beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag of gedeelte van een dag dat na betekening van dit vonnis daaraan niet wordt voldaan, met een maximum van € 15.000,=, althans een zodanige in goede justitie beslissing te nemen;
II. te bepalen dat de man het door hem betwiste bedrag aan partneralimentatie binnen zeven dagen na dit vonnis zal storten op rekeningnummer [iban] ten name van [stichting] , onder vermelding van betwist deel partneralimentatie [geslachtsnaam man en vrouw] , althans een zodanige in goede justitie beslissing te nemen;
III. de vrouw te veroordelen in de proceskosten van dit geding aan de zijde van de man.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1
Omdat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Indonesië heeft, heeft deze zaak internationaalprivaatrechtelijke aspecten.
4.2
Hoewel het geschil tussen partijen gaat over de betaling van partneralimentatie, bevat deze zaak geen inhoudelijke beoordeling daarvan maar gaat het om de vraag of de vrouw de executie van de uitvoering van een afspraak over die partneralimentatie moet stopzetten. Daarom moet voor de beoordeling van de internationale bevoegdheid worden gekeken naar de Verordening Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-
bis). Op grond van artikel 24 lid 5 van Pro die Verordening heeft te gelden dat voor de tenuitvoerleggingen van beslissingen van de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging exclusief bevoegd zijn. Ook acties ter afwering van de tenuitvoerlegging van die beslissingen vallen hieronder (zie: NJ 1986, 509: HvJ EG, 04-07-1985, nr. 220/84).
Omdat de tenuitvoerlegging van de beslissing plaatsvindt in Nederland, namelijk door inning door het LBIO op het inkomen van de man, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op de vorderingen van de man.
4.3
Voor de bepaling van het toepasselijk recht is van belang dat het in deze procedure gaat om een procesrechtelijk geschil. Daarom zal de voorzieningenrechter op grond van artikel 10:3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) het Nederlands recht toepassen als het recht van de aangezochte rechter.
Door de vrouw ingestelde vorderingen
4.4
De vrouw heeft in haar brief enkele zelfstandige vorderingen ingesteld. In kort geding procedures kan, op grond van artikel 6.1 van het ‘Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken’, een eis in reconventie alleen worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen. De voorzieningenrechter neemt daarom deze vorderingen van de vrouw niet in behandeling en neemt alleen het verweer van de vrouw mee wat betreft de vorderingen van de man.
Inhoudelijke beoordeling
Vorderingen onder I. en II.: opschorting executie en dwangsom storting partneralimentatie op derdengeldenrekening
4.5
De vordering onder I. van de man heeft hij gegrond op artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Uit dat artikel volgt dat de voorzieningenrechter bij geschillen die in verband met executie rijzen bepaalde maatregelen kan treffen. Het toetsingskader in zo’n geval volgt uit het door de man aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). Uit rechtsoverweging 5.7.1. van dat arrest volgt dat indien een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging betrekking heeft op een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel (meer) openstaat, de veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging ter discussie staat definitief is. In dat geval geldt de maatstaf zoals vermeld in het arrest van 22 april 1983 onverkort, en bestaat dus slechts grond voor schorsing ingeval van – kort gezegd – misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW Pro). Namens de man is primair aangevoerd dat zijn vordering moet worden beoordeeld aan de hand van een zelfstandige belangenafweging. Dat is hier gelet op het voorgaande echter niet aan de orde, omdat de echtscheidingsbeschikking, met het daaraan gehechte convenant, in kracht van gewijsde is gegaan. Een procedure voor wijziging van de partneralimentatie, zoals door de man is opgestart, is niet hetzelfde als een hoger beroepsprocedure. De grond voor opschorting van de executie kan dus enkel nog misbruik van bevoegdheid zijn. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het primaire standpunt van de man.
4.6
Ter onderbouwing van zijn subsidiaire beroep op misbruik van bevoegdheid heeft de man het volgende gesteld. Hij heeft de vrouw aangeboden de bedragen aan partneralimentatie die hij moet betalen op grond van het convenant en in de door hem gestarte wijzigingsprocedure ter discussie staan, op een derdengeldenrekening te storten gedurende de wijzigingsprocedure. Ondanks dat het vermogensrechtelijke belang van de vrouw daardoor gewaarborgd is, zet de vrouw de executie van de afspraken uit het convenant alsnog voort. Deze executie via het LBIO leidt bij de man tot directe beslagdreiging, oplopende invorderingskosten, aantasting van liquiditeit en reputatieschade. Daar komt nog bij dat, doordat de vrouw in Indonesië woont, een aanzienlijk restitutierisico bestaat mocht in de bodemprocedure worden bepaald dat de partneralimentatie met terugwerkende kracht op nihil wordt gesteld, dan wel wordt verlaagd.
De man stelt dat sprake is van een spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat de inning door het LBIO rechtstreeks op zijn inkomen, kan leiden tot substantiële en onmiddellijke financiële schade en sprake is van een restitutierisico.
4.7
De vrouw betwist dat zij misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. Volgens haar hebben partijen duidelijke afspraken gemaakt over de partneralimentatie en deze vastgelegd in het convenant. De inning via het LBIO heeft de vrouw alleen ingezet omdat de man eenzijdig heeft besloten de door hem te betalen partneralimentatie af te gaan bouwen. Zij werd hiertoe dus door het handelen van de man gedwongen. Als de man van mening is dat er een andere bijdrage moet gelden, dan had het op zijn weg gelegen om eerder een wijzigingsprocedure te starten. Dat heeft hij niet gedaan. Totdat door de rechter eventueel een andere bijdrage is bepaald, maakt de vrouw terecht gebruik van haar executiebevoegd- heid. De door de man geboden optie om de bedragen op een derdengeldenrekening te storten is voor de vrouw geen optie. Zij is voor haar levensonderhoud namelijk afhankelijk van de partneralimentatie. Indien dit niet direct aan haar toekomt, is zij niet in staat om aan haar verplichtingen te voldoen en komt de woonsituatie van haar en [kind 3] in gevaar.
4.8
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de vrouw misbruik maakt van haar bevoegdheid door de afspraken over de partneralimentatie uit het aan de echtscheidingsbeschikking gehechte convenant te executeren middels inschakeling van het LBIO. Door de man is namelijk onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de vrouw executeert met geen ander doel dan de man te schaden, dan wel dat sprake is van een onevenredigheid tussen de belangen van partijen en de vrouw gelet daarop in redelijkheid niet tot uitoefening van haar executiebevoegdheid had kunnen komen. De man heeft gesteld dat door de executie door de vrouw aan zijn zijde sprake is van directe beslagdreiging, oplopende invorderingskosten, aantasting van liquiditeit en reputatieschade. Hij heeft echter nagelaten om deze schadeposten nader te concretiseren. Nergens blijkt uit dat van deze schade sprake is en hoe groot deze schade is. De man heeft daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldaan aan zijn stelplicht wat betreft de door hem geleden en/of te lijden schade bij voortzetting van de executie door de vrouw. Ook het door de man gestelde restitutierisico, wat door de vrouw is betwist, is in dit verband niet voldoende. In de executie van een beslissing van de rechtbank of uitvoering van afspraken over partneralimentatie, ligt gelet op het karakter van partneralimentatie, onvermijdelijk een restitutierisico besloten. De onderhoudsgerechtigde heeft namelijk behoefte aan een bijdrage om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien en gebruikt die bijdrage daar ook voor. De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat zij de partneralimentatie nodig heeft om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij heeft, onweersproken, toegelicht dat zij geen vast inkomen heeft op dit moment. Zij probeert inkomen te genereren door de verkoop van een kinderboek en kleurboeken via [website] , maar heeft daar tot op heden nog niks mee verdiend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de door de man geboden zekerheidsstelling, gelet op deze toelichting van de vrouw, niet afdoende tegenover de noodzaak van de vrouw om te blijven beschikken over de partneralimentatie.
4.9
Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man het spoedeisend belang bij zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Dat de inning door het LBIO en de verhoging met invorderingskosten kunnen leiden tot substantiële en onmiddellijke financiële schade is daarin niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat de man onmiddellijke schade loopt.
Ook het restitutierisico leidt, mede gelet op hetgeen hiervoor daarover is overwogen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot een spoedeisend belang waardoor een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
4.1
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de man onder I. afwijzen. Dat leidt er verder toe dat ook de vordering onder II. zal worden afgewezen. Voor een storting op een derdengeldenrekening is namelijk geen plaats in het geval de executie door de vrouw mag worden voortgezet.
Vordering onder III.: de proceskosten
4.11
De voorzieningenrechter overweegt dat het gebruikelijk is om bij juridische geschillen tussen ex-partners de proceskosten te compenseren, omdat een zaak als deze met vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden gepaard gaat. De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande deze vordering van de man afwijzen en de kosten van het geding compenseren waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
wijst de vorderingen van de man onder I. en II. af;
5.2.
compenseert de kosten van het geding waarbij iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Benjaddi, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van mr. Reijerse, de griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.