ECLI:NL:RBZWB:2026:5622

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445481 FA RK 26-1042
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing uitsluitend gebruik woning en vaststelling partneralimentatie na scheiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 mei 2026 een verzoek tot voorlopige voorziening in een familierechtelijke zaak tussen een vrouw en een man. De vrouw verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en een maandelijkse onderhoudsbijdrage van de man.

Partijen stemden in met het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw, zodat dit verzoek als onweersproken werd toegewezen. De rechtbank beoordeelde vervolgens de partneralimentatie aan de hand van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, waarbij de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man centraal stonden.

De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op een huwelijksgerelateerde behoefte van €2.223 en een aanvullende behoefte van €793 netto per maand. De draagkracht van de man werd berekend op basis van een bruto jaarinkomen van €39.540, inclusief een dertiende maand van €156,62 per maand. De rechtbank verwierp het standpunt van de vrouw over een hogere dertiende maand en ging uit van het door de man opgevoerde bedrag.

De man voerde aan dat hij duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten had, maar de rechtbank oordeelde dat het verschil met het forfaitaire woonbudget beperkt was en geen aanleiding gaf tot afwijking. Uiteindelijk werd de draagkracht van de man vastgesteld op €625 per maand, rekening houdend met fiscale voordelen. De onderhoudsbijdrage werd vastgesteld met ingang van de datum van het verzoekschrift, 27 februari 2026.

De rechtbank bepaalde dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning krijgt toegewezen en dat de man de woning moet verlaten. Het verzoek tot partneralimentatie werd toegewezen voor €625 per maand, en het overige werd afgewezen.

Uitkomst: De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen en de man moet €625 per maand partneralimentatie betalen vanaf 27 februari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/445481 FA RK 26-1042
datum uitspraak: 26 mei 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.C.M. van Gool,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.A.E. van Raak-Kuiper.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 27 februari 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- het op 6 mei 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen;
- de brieven van mr. Van Gool van 7 mei 2026 en 11 mei 2026, beiden met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 12 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig piketmediator [persoon] .

2.Het verzoek

De vrouw verzoekt:
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, met inboedel en stoffering, gelegen aan [adres] , te [woonplaats] , door haar, met bevel aan de man deze woning te verlaten en daarin niet terug te keren, zo nodig met behulp van de sterke arm;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 734,= per maand, met ingang van de datum van het verzoekschrift, althans een zodanig bedrag en ingangsdatum als door de rechtbank juist wordt bevonden.

3.De beoordeling

Het gebruik van de echtelijke woning
3.1
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat de man ermee instemt dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegewezen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Partneralimentatie
3.2
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
3.3
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
De behoefte van de vrouw
3.5
Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte en de aanvullende behoefte van de vrouw de namens haar overgelegde berekening (productie 11) kan worden gevolgd. Uit deze berekening volgt een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.223,= per maand en een aanvullende behoefte van de vrouw van € 793,= netto per maand, oftewel € 1.234,= bruto per maand.
De draagkracht van de man
3.6
De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
3.7
Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor de becijfering van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een inkomen ter hoogte van afgerond € 3.295,= bruto per maand, oftewel € 39.540,= per jaar. Dit bestaat uit twee componenten: een salaris bij de [werkgever] van € 1.414,61 per maand en een salaris bij [bedrijf] van € 1.880,60 per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde pensioenpremies en belaste bijdrage in de zorgkosten. Het salaris bij [bedrijf] moet verder worden vermeerderd met de gebruikelijke vakantietoeslag. Ook wordt dat salaris vermeerderd met een dertiende maand. Niet is gebleken dat de man bij de [werkgever] vakantietoeslag of een dertiende maand ontvangt.
3.8
Tussen partijen is in geschil met welk bedrag aan dertiende maand-uitkering rekening moet worden gehouden. Volgens de man moet rekening worden gehouden met het bedrag van € 156,62 per maand zoals volgt uit de door hem overgelegde salarisspecificatie (productie 3). Volgens de vrouw moet rekening worden gehouden met 8,33% van het jaarsalaris van de man, zoals volgt uit de CAO VVT. In haar berekening gaat zij uit van een uitkering ter hoogte van € 3.557,= per jaar.
3.9
De rechtbank stelt vast dat partijen beiden van mening zijn dat voor de berekening van de dertiende maand moet worden uitgegaan van een bedrag ter hoogte van 8,33% van het salaris van de man bij [bedrijf] . Zij hebben dit echter niet allebei op de juiste manier berekend. Uit de door de vrouw overgelegde berekening en de door haar advocaat gegeven toelichting daarbij, leidt de rechtbank namelijk af dat door haar de dertiende maand is berekend door 8,33% te nemen van het salaris van de man bij zowel de [werkgever] als [bedrijf] , inclusief de vakantietoeslag. Dat is naar het oordeel van rechtbank niet juist. Het door de man opgevoerde bedrag, zoals ook op de salarisspecificatie vermeld staat, is wel het juiste bedrag aan dertiende maand-uitkering en komt ook overeen met het percentage uit de CAO. De rechtbank zal met het door hem aangevoerde bedrag van
€ 156,62 per maand, oftewel € 1.884,= per jaar rekening houden bij de becijfering van de draagkracht van de man.
3.1
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 2.895,= per maand.
3.11
Door de man is daarnaast aangevoerd dat hij duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget en dat van een werkelijke woonlast van € 1.125,= moet worden uitgegaan. De vrouw betwist dat de man woonlasten heeft die hoger zijn dan het woonbudget en verzoekt de rechtbank uit te gaan van het woonbudget.
3.12
Uit voormelde aanbevelingen volgt dat onder het woonbudget alle redelijke lasten vallen die voor een woning passend zijn. Voor een huurwoning bestaat dat uit de huur, verplichte servicekosten en lokale belastingen. De (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat vanuit de bijstandsnorm kan worden voldaan moeten ook vanuit het woonbudget worden betaald. Uit de door de man overgelegde huurovereenkomst (productie 1) volgt dat hij per 3 juni 2026 een vakantiehuis zal huren voor de duur van een jaar tegen een huurbedrag van € 975,= per maand. Daarbovenop komt € 150,= aan kosten voor gas, water en licht. Door de man is niet gesteld dat hij die kosten voor gas, water en licht niet kan voldoen vanuit de bijstandsnorm, zodat de rechtbank bij de beoordeling of sprake is van aanmerkelijk duurzame hogere woonlasten enkel uit zal gaan van zijn kale huur van € 975,= per maand. Uit de aan deze gehechte draagkrachtberekening volgt dat het woonbudget van de man € 868,= bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank is het verschil tussen de werkelijke woonlasten van de man en het woonbudget beperkt en betreffen de werkelijke woonlasten van de man geen aanmerkelijk duurzaam hogere lasten, zodat niet van de forfaitaire woonlast zal worden afgeweken.
3.13
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om € 625,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Bij deze berekening is rekening gehouden met het fiscale voordeel van betaling van partneralimentatie. De man kan de door hem betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekken, terwijl de vrouw over de door haar ontvangen partneralimentatie inkomstenbelasting moet voldoen. Om die reden wordt het door de man genoten fiscale voordeel “opgeteld” bij de draagkracht van de man voor partneralimentatie (de “methode Buijs”) en komt dat voordeel dus geheel ten goede aan de vrouw.
De ingangsdatum
3.14
Namens de vrouw is onweersproken verzocht de verplichting tot betaling van de onderhoudsbijdrage door de man te laten ingaan op de datum van indiening van het verzoekschrift, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Conclusie
3.15
Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen, met dien verstande dat met ingang van 27 februari 2026 een bijdrage wordt vastgelegd die de man aan haar moet voldoen ter hoogte van € 625,= per maand. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Aanhechten berekening
3.16
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de man. Een exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] , te [woonplaats] , en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
4.2
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 27 februari 2026 wordt vastgesteld op € 625,= (zeshonderdvijfentwintig euro) per maand, aan de vrouw vanaf heden voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.