ECLI:NL:RBZWB:2026:5623

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/02/437832 FA RK 25-3700
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening Brussel II-ter (nr. 2019/1111)Art. 10:31 BWArt. 10:32 BWArt. 10:56 BWArt. 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en partneralimentatie met toewijzing huurrecht en bruidsgavebetaling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 mei 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak betreffende echtscheiding, partneralimentatie, huurrecht van de echtelijke woning, afwikkeling huwelijksvermogen en bruidsgave tussen een man en vrouw die in Afghanistan zijn gehuwd.

De rechtbank erkent het huwelijk als rechtsgeldig en wijst het verzoek tot echtscheiding toe omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw krijgt het huurrecht van de echtelijke woning toegewezen, omdat haar belang zwaarder weegt dan dat van de man, die voldoende financiële middelen heeft om alternatieve woonruimte te vinden.

De partneralimentatie wordt vastgesteld op €2.706 per maand bruto, gebaseerd op het netto besteedbaar inkomen van de man als zelfstandig ondernemer in 2024 en 2025, rekening houdend met fiscale aspecten en een DUO-schuld. De vrouw wordt als behoeftig erkend vanwege haar beperkte verdiencapaciteit en inburgeringstraject.

De rechtbank veroordeelt de man tot betaling van €1.820,39 aan de vrouw wegens de bruidsgave, erkend als overeengekomen bedrag in de huwelijksovereenkomst. De afwikkeling van het huwelijksvermogen wordt aangehouden voor verdere behandeling.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, huurrecht toegekend aan vrouw, partneralimentatie vastgesteld op €2.706 bruto per maand en man veroordeeld tot betaling van €1.820,39 bruidsgave.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/437832 FA RK 25-3700 (echtscheiding)
C/02/441118 FA RK 25-5428 (afwikkeling huwelijksvermogen)
datum uitspraak: 26 mei 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat voorheen mr. Y.I.B. Grosfeld, nu mr. A. Rezaie,
en
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Fakiri.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 7 juli 2025 ontvangen verzoekschrift van de man met bijlagen;
- het op 11 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de vrouw met bijlagen;
- het op 14 oktober 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek van de man;
- het aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw van 30 maart 2026 met bijlagen;
- de gewijzigde en ingetrokken verzoeken van de man van 31 maart 2026 met bijlagen;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 december 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 10 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De vrouw werd bijgestaan door een tolk in de Afghaanse taal.
1.3 Op 2 april 2026 zijn aanvullende zelfstandige verzoeken van de vrouw ontvangen. Na partijen hierover te hebben gehoord, heeft de rechtbank op de zitting besloten de man in de gelegenheid te stellen om binnen twee weken een verweerschrift in te dienen.
1.4 Op 3 april 2026 is een brief met twee bijlagen ontvangen van de man. Deze brief is te laat ingediend, dat wil zeggen na het verstrijken van tien dagen voor de zittingsdatum. Tegen deze te late indiening is geen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal deze brief met bijlagen toevoegen aan het procesdossier.

2.De feiten

2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2020 in [plaats 2] , Afghanistan, met elkaar gehuwd;
- de man bezit de Nederlandse nationaliteit en de vrouw bezit de Afghaanse nationaliteit. Op het ‘Marriage Certificate’ is vermeld dat de man de Afghaanse nationaliteit bezit.
2.2
In de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 december 2025 is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting is gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning en is bepaald dat de man een partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen van € 1.468,= per maand met ingang van de datum van de beschikking.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt nu, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat hij de huurder van de echtelijke woning zal zijn.
3.2
De vrouw verzoekt, samengevat,
- bepaling dat zij de huurster van de echtelijke woning zal zijn;
- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 3.398,= per maand;
- te gelasten dat de man op grond van artikel 843a Rv inzage dient te verlenen in de saldi van zijn bankrekeningen op de peildatum, met de daarbij behorende mutaties van de afgelopen zes maanden vanaf de peildatum en de waarde van zijn auto;
- bepaling dat de bankrekeningen die op naam van de man staan aan hem worden
toegewezen en de bankrekeningen die op naam van de vrouw staan aan haar, met
onderlinge verrekening van de saldi van deze rekeningen op de peildatum;
  • bepaling dat de auto die op naam van de man staat aan hem wordt toegewezen, onder de voorwaarde dat hij de helft van de waarde van de auto aan de vrouw uitkeert;
  • bepaling dat de inboedel door partijen in onderling overleg wordt verdeeld;
  • bepaling dat de man inzage verleent in de vermogensbestanddelen die tot de
huwelijksgemeenschap behoren en dat deze, voor zover van toepassing, naar billijkheid tussen partijen worden verdeeld;
  • de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.820,39 aan de vrouw wegens haar bruidsgave;
  • bepaling dat het aandeel van de vrouw in het eigen vermogen van de eenmanszaak van de man, zijnde het bedrag € 16.636,=, aan haar wordt toebedeeld;
  • de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

Echtscheiding
4.1
De rechtbank is bevoegd te beslissen op het verzoek tot echtscheiding op grond van het bepaalde in artikel 3 van Pro de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019/1111), aangezien de gewone verblijfplaats van partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was. Op dit verzoek is Nederlands recht is van toepassing op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het verzoek tot echtscheiding, moet zij beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland kan worden erkend. De beantwoording van deze vraag is van belang omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.
4.3
Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 lid 1 BW Pro). Op grond van lid 4 van artikel 10:31 BW Pro wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn indien een verklaring hierover is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
4.4
De man heeft een ‘Marriage Certificate’ ingediend, dat is afgegeven op 4 juni 2020 en 7 juni 2020 door de ‘Court, Office of Registration, Embassy of Afghanistan’ betreffende het huwelijk van partijen op [datum] 2020 te [plaats 2] , Afghanistan. In de Basisregistratie personen van de man en van de vrouw is dit huwelijk opgenomen. De rechtbank neemt op grond van het voorgaande aan dat sprake is van een tussen de man en de vrouw in Afghanistan rechtsgeldig gesloten huwelijk, dat ook in Nederland dient te worden erkend. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het huwelijk van partijen niet voor erkenning vatbaar is, omdat die erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland (artikel 10:32 BW Pro) is niet gebleken.
4.5
Omdat het huwelijk aldus in Nederland wordt erkend, zal de rechtbank overgaan tot de
inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding.
4.6
De man verzoekt in het huwelijk van partijen de echtscheiding uit te spreken. Hij stelt daartoe dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
4.7
De vrouw heeft in haar verweerschrift aangegeven dat hoewel zij geen wens tot echtscheiding koestert, begrijpt zij dat, indien de man de echtscheiding wenst, zij zich daarin zal moeten berusten. Derhalve refereert de vrouw zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding aan het oordeel van de rechtbank.
4.8
Nu de man stelt en de vrouw niet betwist dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, staat dit in rechte vast. De rechtbank zal daarom, mede gelet op de referte van de vrouw, het verzoek van de man als onweersproken en als op de wet gegrond toewijzen.
Huurrecht van de echtelijke woning
4.9
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt gelet op artikel 4 lid 3 aanhef Pro en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan een van partijen. Dit verzoek wordt volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
4.1
Beide partijen verzoeken toekenning van het huurrecht van de woning gelegen aan de [adres] .
4.11
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub e van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met artikel 7:266 lid 5 BW Pro op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt dan tevens de dag van ingang van de huur met deze echtgenoot. Op dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot. Voor toewijzing van het huurrecht van de woning aan één van de echtgenoten moet een afweging van de belangen van de man en de vrouw worden gemaakt.
4.12
De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aan. Hij beschikt niet over vervangende woonruimte. Sinds de beschikking voorlopige voorzieningen verblijft hij steeds tijdelijk bij vrienden. Hij staat niet ingeschreven als woningzoekende, omdat hij ervanuit gaat dat de vrouw de woning zal verlaten, onder meer omdat zij de huur niet zal kunnen voldoen. Doordat de man geen vaste woonruimte heeft, heeft dit invloed op zijn gezondheid en functioneren. Hij is al opdrachten van werkgevers kwijtgeraakt. Zijn werk is in de omgeving van [plaats 1] . Volgens de man weegt zijn belang zwaarder dan het belang van de vrouw.
4.13
De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aan. Zij heeft inmiddels een zelfstandige verblijfsvergunning. Zij is nu bezig met haar inburgeringstraject en gaat daarvoor drie ochtenden en één middag per week naar school. Verder werkt zij één dag per week bij een Afghaanse familie. Hiermee is zij doende de Nederlandse taal te leren, zelfstandig te worden en haar netwerk uit te breiden, maar dat heeft nog tijd nodig. Zij zal de huur kunnen betalen met inkomsten uit partneralimentatie en/of uit een (aanvullende) Participatiewet-uitkering. Zij heeft geen vervangende woonruimte of een sociaal netwerk waar zij terecht kan, terwijl de man gelet op de hoogte van zijn inkomen woonruimte in de particuliere sector kan vinden en bovendien wel een sociaal netwerk heeft waar hij terecht kan. Volgens de vrouw weegt haar belang zwaarder dan het belang van de man.
4.14
Hoewel partijen beiden een groot belang hebben bij toekenning van het huurrecht van de woning, is de rechtbank na afweging van de wederzijdse belangen van oordeel dat het belang van de vrouw zwaarder weegt dan het belang van de man bij verkrijging van het huurrecht. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht blijkt niet dat de situatie ten opzichte van de procedure voorlopige voorzieningen is gewijzigd, behalve dat de vrouw nu duidelijkheid heeft over haar verblijfsstatus. Gelet op de hoogte van zijn inkomen heeft de man meer financiële mogelijkheden om vervangende woonruimte te vinden, namelijk in de particuliere sector. Dat de man daartoe nog geen stappen heeft ondernomen, omdat hij de woning terug wil, is een eigen keuze van de man en maakt niet dat hij daardoor (meer) aanspraak heeft op het huurrecht. Zijn stelling dat zijn verblijf bij vrienden ten koste gaat van zijn gezondheid en daardoor ook van zijn werk, is juist een reden om voor zichzelf alternatieve woonruimte te vinden. Dat de vrouw de huur niet zou kunnen betalen, zoals de man stelt, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht de vrouw, gelet op haar verklaring hierover, in staat om de huur te kunnen betalen.
4.15
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat zij met ingang van de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal van de echtelijke woning. Verder wijst de rechtbank het verzoek van de man omtrent het huurrecht af.
Partneralimentatie
4.16
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van Pro de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie kennis te nemen, nu verweerder (de man) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
4.17
Op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage is op grond van artikel 15 van Pro
de Alimentatieverordening in samenhang met artikel 3 van Pro het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) haar gewone verblijfplaats heeft van toepassing. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is het Nederlandse recht van toepassing op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.
Huwelijksgerelateerde behoefte
4.18
De vrouw berekent haar behoefte op basis van de Hofnorm op € 4.213,= netto per maand. De man heeft op de zitting het verweer gevoerd dat hij het niet redelijk acht indien de rechtbank voor de behoefte van de vrouw uitgaat van de Hofnorm. De vrouw heeft volgens de man onvoldoende concreet gemaakt wat haar behoefte is en deze kan nooit zo hoog zijn als het bedrag op basis van de Hofnorm, omdat partijen niet van zo’n hoog bedrag hebben geleefd. Volgens de man werkte hij tijdens het huwelijk en deed de vrouw niets. Daarbij gaat het bovendien om welk bedrag zij nu nodig heeft, aldus de man.
4.19
De rechtbank ziet aanleiding, ondanks het verweer van de man, om voor de behoefte van de vrouw uit te gaan van de Hofnorm. De rechtbank overweegt hiertoe dat de man zijn verweer pas op de zitting voor het eerst heeft gevoerd en onvoldoende heeft toegelicht waarom de Hofnorm in de situatie van partijen niet de maatstaf kan zijn. De huwelijksgerelateerde behoefte op basis van de Hofnorm wordt immers gebaseerd op basis van het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI), waarbij in de situatie van partijen de man degene was die inkomen uit arbeid had en de vrouw geen eigen inkomen had. Dat de man dus de enige echtgenoot was die inkomen had en de vrouw niet, is geen relevante reden om af te wijken van de Hofnorm. Niet is gebleken dat de uitgaven ten tijde van de samenleving anders dan gelijkelijk aan partijen ten goede zijn gekomen. In een dergelijk geval biedt de Hofnorm een heldere maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde.
4.2
De vrouw stelt zich op de zitting op het standpunt dat voor wat betreft het inkomen van de man ten tijde van het huwelijk dient te worden uitgegaan van zijn inkomen uit winst uit onderneming in 2024 en 2025. Hiermee wijkt zij af van de door haar op 30 maart 2026 ingediende berekening. Volgens de man dient te worden gerekend met zijn inkomen in 2023, 2024 en 2025. In 2023 was hij in loondienst en zijn inkomen was toen aanzienlijk lager dan in 2024 en 2025. De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft nagelaten stukken over te leggen over zijn inkomen in 2023. De rechtbank passeert hierbij het op de zitting gedane bewijsaanbod van de man om alsnog gegevens over 2023 in te dienen. Het lag immers op de weg van de man om deze stukken uiterlijk tien dagen voor de zitting te overleggen en hij heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan hij daartoe niet in staat was.
4.21
De rechtbank gaat voor de bepaling van het NBGI uit van het inkomen van de man in 2024 en 2025, aangezien de samenleving van partijen kort na de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 december 2025 is verbroken. Uitgegaan wordt van twee jaren, omdat de man werkzaam is als zelfstandig ondernemer (in de eenmanszaak ‘ [bedrijf] ’). Uit de rapportage inkomstenbelasting 2024 (productie 3 van de man) blijkt dat (fiscale) winst uit onderneming in 2024 € 113.773,= bedroeg. Uit het rapport inzake de tussentijdse cijfers over 2025 (productie 4 van de man) blijkt dat de bruto winst tot en met 30 juni 2025 € 62.493,= bedroeg. Aangezien er geen gegevens over de tweede helft van 2025 zijn ingediend, zal de rechtbank dit bedrag extrapoleren naar een volledig jaar, zodat de winst uit onderneming 2025 uitkomt op € 120.828,=. Dit leidt tot een gemiddelde winst uit onderneming van € 117.300,50 per jaar. In fiscaal opzicht wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 6.023,= per maand. Aangezien de vrouw geen inkomen had komt het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving uit op € 6.023,= per maand.
4.22
Het aandeel van de vrouw in dit NBGI is de helft. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20% opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 3.614,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 3.780,= netto per maand.
Behoeftigheid van de vrouw
4.23
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw. Van behoeftigheid is sprake als de vrouw onvoldoende eigen inkomsten heeft om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien en zich deze inkomsten in redelijkheid niet kan verwerven.
4.24
De man betwist de behoeftigheid van de vrouw. Volgens hem heeft de vrouw een verdiencapaciteit van minimaal € 2.500,= tot € 3.000,= per maand. Zij kan bijvoorbeeld een fulltime dienstverband aangaan als vakkenvuller bij een supermarkt. Zij beschikt nu over een verblijfstatus, is jong en kerngezond. De man betwist dat de vrouw vier dagdelen deelneemt aan een inburgeringstraject, aangezien zij al vier jaar in Nederland verblijft. De brief van [taaltraining] en coaching van 1 april 2026 vermeldt een onbegrijpelijke einddatum: 29-029-2026. De vrouw heeft nagelaten zich in te spannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3490).
4.25
De vrouw heeft toegelicht waarom zij niet in volledig in haar levensonderhoud kan voorzien. Zij volgt een inburgeringstraject gedurende drie ochtenden en één middag per week. Verder gaat zij naar de voedselbank en maakt zij de woning schoon. De einddatum in de brief van [taaltraining] is een kennelijke verschrijving. Zij heeft nu zij een verblijfsstatus heeft, de Nederlandse nationaliteit aangevraagd. Daarom is zij verplicht deze inburgeringscursus te volgen. Haar kansen op de arbeidsmarkt zijn gering, omdat zij nog niet weet hoe de Nederlandse maatschappij werkt en de taal niet spreekt.
4.26
De rechtbank overweegt als volgt. Het is op basis van de overgelegde stukken voldoende duidelijk dat de vrouw momenteel nog bezig is met haar inburgeringstraject. Ook is duidelijk dat zij gelet op haar achtergrond een achterstand heeft tot de arbeidsmarkt.
Verder is de situatie van de vrouw niet vergelijkbaar met de situatie in de door de man genoemde uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, omdat het in die uitspraak een ging om een wijziging van de partneralimentatie waarbij partijen zeven jaar uit elkaar waren. Het voorgaande betekent dat van de vrouw in deze fase nog niet kan worden verlangd dat zij volledig in haar levensonderhoud kan voorzien, noch dat zij een verdiencapaciteit heeft ter hoogte van € 2.500,= tot € 3.000,= per maand. De rechtbank volgt de vrouw dan ook dat zij behoeftig is. Om de hoogte van haar behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man te berekenen zal rekening worden gehouden met haar huidige inkomen. Dit bedraagt volgens de berekening van de vrouw (behoeftebepaling, productie 2 van de vrouw) € 1.555,= bruto per jaar. De rechtbank zal hiervan uitgaan gelet op de gegevens die zijn vermeld in de overgelegde loonstroken over december 2025 en januari en februari 2026 met als loon
€ 150,40, € 118,64 en € 96,40 alsmede de (pensioen)premies. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 130,= per maand.
4.27
De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI van € 130,= per maand, aldus € 3.650,= netto per maand. Dit komt neer op € 6.291,= bruto per maand.
Draagkracht van de man
4.28
De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt in 2026 bij een NBI vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)], zoals vermeld in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.29
Voor de vaststelling van het huidige NBI van de man is het volgende van belang.
4.3
De man stelt zich op het standpunt dat de situatie van zzp-ers niet goed is. De opdrachten voor zzp-ers zijn teruggelopen door veranderde wetgeving. Verder heeft hij last van een verbrijzelde arm. Daarom is het onredelijk om uit te gaan van het inkomen dat hij de afgelopen jaren had. Er dient te worden gekeken naar zijn huidige inkomen. Hij verwijst naar productie 7 en 8, zijnde de facturen en de omzet in het eerste kwartaal van 2026. Op basis daarvan stelt hij dat hij ongeveer een bedrag van € 4.000,= per maand als netto winst uit onderneming heeft. Hij heeft geen berekening ingediend tot welk NBI dit zal leiden.
4.31
De vrouw betwist de stelling van de man wegens een gebrek aan onderbouwing van die gewijzigde situatie. De gegevens van 2026 zijn onvoldoende om de conclusie van de man te dragen. Volgens haar dient te worden uitgegaan als van de inkomensgegevens die zij ook bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte naar voren heeft gebracht.
4.32
De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar is het uitgangspunt dat de draagkracht van een zelfstandig ondernemer wordt gerelateerd aan de te verwachten beschikbare winst uit onderneming, maar de stukken die de man heeft ingediend als productie 7 en 8 zijn daarvoor ontoereikend. Daaruit blijkt immers niet wat de te verwachten winst is of wat de prognose van zijn onderneming is en van welk bedrag dan uitgegaan zou moeten worden. Dat de man heeft nagelaten de benodigde stukken over te leggen komt voor zijn rekening en risico. Ook heeft hij niet onderbouwd dat hij door gewijzigde wetgeving opdrachten is misgelopen. Zo heeft hij niet toegelicht wat het concrete gevolg van de gewijzigde wetgeving voor hem is, waarom zich dat pas in 2026 openbaart en wat dit betekent voor zijn verdere bedrijfsvoering. De enkele stelling dat hij door gewijzigde wetgeving minder opdrachten heeft is onvoldoende om uit te gaan van een winstschatting van € 4.000,= per maand.
4.33
De rechtbank zal voor de vaststelling van de draagkracht van de man uitgaan van de winst uit onderneming in 2024 en 2025. Zoals ook al blijkt uit overweging 4.21. is de gemiddelde winst uit onderneming € 117.300,50 per jaar. In fiscaal opzicht wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 6.038,= per maand.
4.34
De man heeft in zijn brief van 31 maart 2026 gesteld dat er rekening gehouden dient te worden met een tweetal schulden, namelijk een belastingschuld van circa € 60.000,= en een DUO-schuld van € 3.525,84. Op de zitting stelt hij dat de belastingschuld circa € 45.000,= bedraagt en dat dit blijkt uit productie 3. Het gaat om de inkomstenbelasting 2024 en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Verder blijkt uit productie 5 dat hij met een bedrag van € 45,41 per maand aflost op de DUO-schuld.
4.35
De vrouw betwist het bestaan van de belastingschuld. Volgens haar wordt bij de berekening van het NBI al rekening gehouden met de verschuldigde inkomstenbelasting en met de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Wat betreft de DUO-schuld vindt zij dat de man zich daar gelet op de hoogte van zijn inkomen van kan bevrijden.
4.36
De rechtbank overweegt als volgt. Dat sprake is van een belastingschuld ter hoogte van het door de man gestelde bedrag, kennelijk circa € 45.000,=, is onvoldoende onderbouwd. De man verwijst naar het door hem als productie 3 ingediende rapport inkomstenbelasting 2024, waarop de te verwachten aanslag inkomstenbelasting (€ 39.855,=) en de te verwachten premie Zvw (€ 3.810,=) is vermeld. Op basis van deze stukken en zijn verklaring op de zitting is echter niet gebleken dat deze vordering van de belastingdienst op de man is komen vast te staan. Het betreft een inschatting of een verwachting, waarmee de rechtbank geen rekening kan houden. De rechtbank zal wel rekening houden met de DUO-schuld. Deze schuld en de hoogte daarvan staan niet ter discussie. Verder blijkt dat de man hierop maandelijks aflost met een bedrag van € 45,41. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat de man deze schuld in één keer dient af te lossen, want op voorhand is niet duidelijk dat de man daartoe in staat is gelet op de hoogte van zijn inkomen en zijn lasten.
4.37
Dit betekent dat het draagkrachtloos inkomen wordt verhoogd met een bedrag van € 45,41 per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,= + € 45,41,=)]= € 1.690,= per maand, zijnde € 2.706,= bruto per maand.
4.38
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om € 2.706,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw geheel aan hem toegekend. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw in zoverre zal worden toegewezen.
4.39
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Afwikkeling van het huwelijksvermogen en de bruidsgave
4.4
De vrouw heeft op 2 april 2026, als gevolg van intrekking van de verzoeken door de man, zelfstandige verzoeken ingediend over de afwikkeling van het huwelijksvermogen en de bruidsgave.
4.41
Ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen is het volgende van belang.
4.42
Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 van Pro d Verordening huwelijksvermogensstelsels).
4.43
Op de zitting is met partijen besproken dat de man in de gelegenheid wordt gesteld tegen de verzoeken van de vrouw verweer te voeren. Daarbij dient hij aandacht te besteden aan het internationaal privaatrecht, in die zin welk recht van toepassing is op de verzoeken. De verweertermijn van twee weken is vermeld in het roljournaal. Tevens is partijen in overweging gegeven om met elkaar het gesprek aan te gaan over de afwikkeling van het huwelijksvermogen.
4.44
Het verzoek over de bruidsgave is op de zitting inhoudelijk besproken. De vrouw verzoekt om de man te veroordelen tot betaling van de bruidsgave ter hoogte van 150.000 Afghani, althans het equivalent daarvan in euro’s, te weten € 1.820,39. De man erkent dat dat hij een bruidsgave van 150.000 Afghani is verschuldigd aan de vrouw uit hoofde van de huwelijksovereenkomst die partijen hebben gesloten, maar hij betwist dat 150.000 Afghani een bedrag betekent van € 1.820,39.
4.45
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil dat sprake was van een bruidsgave ter hoogte van 150.000 Afghani uit hoofde van de huwelijksovereenkomst van partijen. In de brief van 2 april 2026 van de vrouw is vermeld: “Partijen zijn bij het aangaan van het huwelijk een bruidsgave overeengekomen van 150.000 Afghani. Omgerekend bedraagt dit circa € 1.820,39. De vrouw maakt aanspraak op betaling van dit bedrag door de man.” De rechtbank stelt vast dat de man dit bedrag eerder op dezelfde hoogte had berekend, namelijk bij zijn verzoek van 7 juli 2025 om te bepalen dat de man in het kader van de bruidsgave een bedrag van € 1.820,39 aan de vrouw diende te voldoen. Weliswaar heeft de man dit verzoek op 31 maart 2026 ingetrokken, maar de grondslag voor de intrekking was gelegen in, naar eigen zeggen, dat de man meende dat het niet op zijn weg lag dit te verzoeken, maar dat een dergelijk verzoek door de vrouw dient te worden gedaan. De intrekking was dan ook niet gelegen in een onjuist bedrag van de bruidsgave. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2020 in [plaats 2] , Afghanistan, met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] ;
5.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 2.706,= (tweeduizend zevenhonderdzes euro) per maand;
5.4
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de man om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.820,39 wegens haar bruidsgave;
5.5
houdt de beslissing op de verzoeken betrekking hebbende op het huwelijksvermogen aan tot 26 mei 2026 pro forma;
5.6
wijst het verzoek van de man om huurder te zijn van de echtelijke woning af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.