ECLI:NL:RBZWB:2026:5626

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/02/428486 FA RK 24-5187
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling en kinderbijdrage na overeenstemming tussen ouders

Partijen, die een affectieve relatie hadden, hebben gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, dat bij de vrouw verblijft. De man heeft de minderjarige erkend. Na een verzoekschrift en diverse schriftelijke stukken hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling en de kinderbijdrage.

De man verzoekt de zorgregeling vast te stellen waarbij het kind in even weken van maandagmiddag tot dinsdagochtend en in oneven weken van donderdagavond tot maandagochtend bij hem verblijft. De vakanties worden gelijk verdeeld met een maximale aaneengesloten verblijfsduur van twee weken bij één ouder. Ook is een regeling getroffen voor erkende feestdagen. De kinderbijdrage wordt vastgesteld in drie perioden met verschillende maandbedragen.

De rechtbank bevestigt de overeenstemming, wijst de verzoeken toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Iedere partij draagt zijn eigen proceskosten. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank legt de door partijen overeengekomen zorgregeling en kinderbijdrage vast en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/428486 FA RK 24-5187
beschikking d.d. 26 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. de Houck te Terneuzen,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E. Sijnesael te Middelburg.

1.Het procesverloop

1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 7 november 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 9 april 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het op 6 mei 2025 ontvangen verweerschrift tegen zelfstandig verzoek;
- de brief d.d. 24 november 2025 van mr. Sijnesael;
- het F9-formulier d.d. 25 november 2025 van mr. De Houck;
- de brief d.d. 18 december 2025 van mr. I. de Dobbelaere-Woets, kantoorgenote van mr. De Houck;
- het F9-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. De Houck;
- de brief d.d. 3 april 2026 van mr. Sijnesael;
- het F9-formulier d.d. 3 april 2026 van mr. De Houck;
- het F9-formulier d.d. 15 april 2026 van mr. Sijnesael.
1.2.
De op 9 april 2026 bepaalde mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen – omdat zij algehele overeenstemming hadden bereikt – geen doorgang gevonden.

2.De feiten

2.1.
Partijen, Nederlanders, hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Partijen hebben het navolgend minderjarig kind:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023.
2.3.
De man heeft de minderjarige erkend. Partijen hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4.
De minderjarige verblijft bij de vrouw.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt nu, samengevat, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, overeenkomstig de afspraken van partijen, te bepalen als volgt:
I. dat [minderjarige] in de even weken van maandag 15.30 uur tot dinsdagochtend voor de opvang/school, alsmede in de oneven weken van donderdag 17.00 uur tot maandagochtend bij de man verblijft;
II. dat partijen ieder gedurende de helft van de vakanties voor [minderjarige] zorgt en te bepalen dat partijen de verdeling in onderling overleg vaststellen, waarbij [minderjarige] niet langer dan twee weken aaneengesloten bij één der ouders verblijft;
III. dat [minderjarige] altijd op eerste kerstdag, eerste paasdag en Moederdag bij de vrouw en altijd op tweede kerstdag, tweede paasdag en Vaderdag bij de man verblijft en te bepalen dat zij de zorg voor [minderjarige] tijdens de overige erkende feestdagen in onderling overleg bij helfte verdelen;
IV. dat de man aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, telkens bij vooruitbetaling, een bedrag voldoet van:
- € 201,= per maand met ingang van 6 november 2024 tot en met 31 december 2025;
- € 210,25 per maand met ingang van 1 januari 2026 tot en met 30 april 2026;
- € 190,= per maand met ingang van 1 mei 2026;
V. dat de vrouw de kosten van de kinderopvang van [minderjarige] zal voldoen behoudens de kosten van de kinderopvang op de vakantiedagen dat [minderjarige] bij de man verblijft;
VI. dat iedere partij zijn/haar eigen kosten draagt.
3.2.
De vrouw verzoekt de afspraken zoals partijen die zijn overeengekomen vast te leggen in een beschikking.

4.De beoordeling

4.1.
Bij brief van 3 april 2026 is namens de man bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt. Gelet op de overeenstemming wijzigt de man zijn verzoek op de wijze zoals hiervoor onder 3.1. is weergegeven. Verder verzoekt de man de zaak schriftelijk af te doen.
4.2.
Bij F9-formulier van 3 april 2026 is namens de vrouw bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt op de wijze zoals mr. Sijnesael heeft aangegeven. De vrouw verzoekt de afspraken zoals partijen die hebben gemaakt vast te leggen in een beschikking. Ook de vrouw heeft aangegeven dat er geen mondelinge behandeling hoeft plaats te vinden.
4.3.
Uit voormelde correspondentie volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling en de kinderbijdrage. Deze overeenstemming komt de rechtbank niet ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
bepaalt, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:
- dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag] 2023, in de even weken van maandag 15.30 uur tot dinsdagochtend voor de opvang/school, alsmede in de oneven weken van donderdag 17.00 uur tot maandagochtend bij de man verblijft;
- dat partijen ieder gedurende de helft van de vakanties voor [minderjarige] zorgt en dat partijen de verdeling in onderling overleg vaststellen waarbij [minderjarige] niet langer dan twee weken aaneengesloten bij één van de ouders verblijft;
- dat [minderjarige] altijd op eerste kerstdag, eerste paasdag en Moederdag bij de vrouw verblijft en dat zij altijd op tweede kerstdag, tweede paasdag en Vaderdag bij de man verblijft en bepaalt voorts dat partijen de zorg voor [minderjarige] tijdens de overige erkende feestdagen in onderling overleg bij helfte verdelen;
bepaalt dat de man aan de vrouw ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen:
- met ingang van 6 november 2024 tot en met 31 december 2025 een bedrag van € 201,= per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 tot en met 30 april 2026 een bedrag van € 210,25 per maand;
- met ingang van 1 mei 2026 een bedrag van € 190,= per maand;
stelt vast dat de vrouw de kosten van de kinderopvang van [minderjarige] zal voldoen, behoudens de kosten van de kinderopvang op de vakantiedagen dat [minderjarige] bij de man verblijft;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.