ECLI:NL:RBZWB:2026:5633

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446285 / KG ZA 26-146
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en opbouw van omgangsregeling met minderjarige na beëindiging relatie

De man vordert in kort geding een omgangsregeling met zijn minderjarige kind, geboren uit zijn relatie met de vrouw, die het eenhoofdig gezag heeft en waar het kind verblijft. De man heeft het kind sinds januari 2026 niet gezien en wil de omgang geleidelijk opbouwen. De vrouw voert verweer en uit zorgen over de veiligheid en stabiliteit van de situatie van de man, en wil een begeleide omgang met een beperkter opbouwschema.

Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming adviseerde, zijn partijen het eens geworden over een voorlopige omgangsregeling met een gefaseerde opbouw, beginnend met begeleide omgang in aanwezigheid van de vader van de vrouw, gevolgd door onbegeleide omgang op een neutrale locatie. Tevens is afgesproken dat ouders en kind worden verwezen naar een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod om communicatie en vertrouwen te verbeteren.

De voorzieningenrechter legt de afspraken vast, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt. Het vonnis bevestigt tevens de instemming van partijen met de privacyvoorwaarden rondom het hulpverleningstraject.

Uitkomst: De rechtbank stelt een gefaseerde omgangsregeling vast en verwijst ouders naar een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/446285 / KG ZA 26-146
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
[de man],
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres,
eiser,
advocaat: mr. A. Sangar in Rotterdam,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. R. Wouters in Middelburg .
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de zitting op 11 mei 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen de heer [persoon] namens de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg , hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015.
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4.
De minderjarige verblijft bij de vrouw.

3.De vordering

3.1.
De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te bevelen haar medewerking te verlenen aan een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarige, inhoudende dat de omgang als volgt zal worden opgebouwd:
Week 1 en 2
eenmaal per week omgang op zaterdag van 10:00 uur tot 12:00 uur;
Week 3 en 4
eenmaal per week omgang op zaterdag van 10:00 uur tot 13:00 uur;
Week 5 en 6
eenmaal per week omgang op zaterdag van 10:00 uur tot 14:00 uur;
Week 7 en 8
eenmaal per week omgang op zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur;
Week 9 en 10
eenmaal per week omgang op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur;
Week 11 tot en met week 18
eenmaal per week omgang van vrijdag 18:00 uur tot zaterdag 18:00 uur;
Vanaf week 18
eenmaal per twee weken omgang van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur.
3.2.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Uit de relatie van partijen is [minderjarige 1] geboren. Bij partijen woonde ook [minderjarige 2] , de dochter van de vrouw uit een eerdere relatie. Partijen hebben anderhalf jaar samengewoond. De relatie van partijen is in 2025 geëindigd. De man is in december 2025 uit de woning van de vrouw vertrokken. Sindsdien heeft hij [minderjarige 2] niet meer gezien. [minderjarige 1] heeft de man sinds januari 2026 niet meer gezien. De man wil hem heel graag zien maar de vrouw werkt niet aan omgang mee. De man is door de vrouw geblokkeerd op allerlei kanalen dus hij kan ook geen contact met haar opnemen. De man heeft ervoor gekozen om de vrouw even met rust te laten en niet verder aan te dringen op contact met haar. Hij wil heel graag de verstandhouding met de vrouw herstellen en ook [minderjarige 1] weer zien. Hij begrijpt dat die omgang opgebouwd moet worden nu er al een tijdje geen omgang meer is geweest. De man hoopt dat als de omgang met [minderjarige 1] hersteld wordt en ook partijen weer beter op goede voet met elkaar komen, hij ook de gelegenheid krijgt om [minderjarige 2] weer eens te zien. De man is bereid om een hulpverleningstraject binnen het kader van het Uniform Hulpaanbod te volgen. Hij heeft overigens werk en een vaste woonplek.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man.
3.4.
Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. [minderjarige 1] is nog geen jaar oud. De man heeft tot nu toe een beperkte rol gespeeld in zijn leven. De man is in december 2025 bij de vrouw weggegaan en het klopt dat er sinds begin januari 2026 geen contact meer is geweest tussen hen. Het lukt de vrouw niet om contact te krijgen met de man. Er is een hoop onduidelijkheid over de verblijfplaats van de man. De vrouw weet niet of de man een vast woonadres heeft. Daarnaast heeft de vrouw twijfels over zijn verblijfsvergunning en heeft hij geen werk. De vrouw is bang dat de man met [minderjarige 1] naar het buitenland zal vertrekken als hij hem weer ziet. De vrouw staat omgang tussen de man en [minderjarige 1] niet in de weg maar dan moet de situatie daarvoor wel veilig zijn. De vrouw heeft er op dit moment onvoldoende vertrouwen in dat de situatie waar de man zich in begeeft veilig en voorspelbaar genoeg voor [minderjarige 1] is. Er is geen communicatie tussen partijen en er is sprake van wantrouwen bij de vrouw jegens de man. De vrouw staat open voor het treffen van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] maar dan moet die wel begeleid worden. De vrouw kan niet instemmen met de regeling die door de man is gevorderd. De omgang moet begeleid en nog beperkter opgebouwd worden. De vrouw staat open voor het volgen van een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod.
3.5.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast.
4.2.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het belangrijk is dat de omgang tussen de man en [minderjarige 1] weer wordt hersteld. Daarbij is het wel van belang dat de ouders weer gaan leren met elkaar te communiceren en dat ook oog is voor het wantrouwen over en weer. De Raad adviseert de ouders door te verwijzen naar een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod. De Raad kan zich voorstellen dat de eerste keren omgang tussen de man en [minderjarige 1] worden begeleid en dat vanuit daar wordt gekeken hoe de omgang verder kan worden op- of uitgebouwd. Daarnaast is het van belang dat de ouders gaan kijken naar hoe zij hun ouderschap vorm kunnen geven zodat zij samen in het belang van [minderjarige 1] beslissingen over hem kunnen gaan nemen.
Voorlopige omgangsregeling
4.3.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling zijn partijen tot afspraken gekomen. Partijen staan open voor een doorverwijzing naar een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod. Wat betreft de omgang zijn ze het volgende overeengekomen:
- er vindt 4 keer op zaterdag van 14:00 uur tot 15:00 uur omgang tussen de [minderjarige 1] en de man plaats in het bijzijn van de vader van de vrouw in de woning van de vrouw;
- daarna vindt er 4 keer op zaterdag van 14:00 uur tot 15:00 uur onbegeleide omgang tussen de man en [minderjarige 1] plaats op een locatie in de buurt van [woonplaats] ;
- na die 8 keer vindt er, zo lang het hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod nog niet is gestart en de ouders nog geen andere afspraken over de omgang hebben gemaakt, iedere week op zaterdag van 14:00 uur tot 16:00 uur onbegeleide omgang plaats tussen de man en [minderjarige 1] op een locatie in de buurt van [woonplaats] .
De voorzieningenrechter zal de tussen partijen overeengekomen regeling op de hierna te noemen wijze vastleggen.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
4.4.
Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig(e) kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en hun minderjarig(e) kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 13 mei 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.5.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.6.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.7.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd.
4.8.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.9.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.10.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.11.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar zoals hiervoor in r.o. 4.3. is omschreven;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.4.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.