ECLI:NL:RBZWB:2026:5651

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446841 KG ZA 26-183
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot afgifte minderjarige aan vader met dwangsom en proceskostenveroordeling

Partijen, de man en de vrouw, hebben een minderjarige samen met gezamenlijk gezag. De vrouw weigert de minderjarige terug te brengen naar de man ondanks een machtiging tot uithuisplaatsing bij de man en eerdere rechterlijke uitspraken die contact en verblijf bij de man regelen.

De man vordert in kort geding dat de vrouw wordt veroordeeld de minderjarige binnen een dag aan hem af te geven, met een dwangsom bij niet-naleving, en in de proceskosten. De vrouw voert verweer en stelt dat het beter gaat met de minderjarige bij haar en vreest voor het contact met de nieuwe partner van de man.

De Raad voor de Kinderbescherming en de gezinsvoogd geven aan dat het belang van de minderjarige niet voorop staat bij de ouders en adviseren toewijzing van de vordering. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw handelt in strijd met de machtiging tot uithuisplaatsing en het belang van de minderjarige dat zij zo snel mogelijk naar de man terugkeert.

De voorzieningenrechter wijst de vordering toe, legt een dwangsom van €250 per dag op en veroordeelt de vrouw in de proceskosten van €961,02. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en mondeling gewezen op 11 mei 2026.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld om de minderjarige binnen een dag aan de man af te geven met een dwangsom van €250 per dag en in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/446841 / KG ZA 26-183
uitwerking verkort vonnis in kort geding van 11 mei 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. L.E. van Hevele te Oostburg,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. E. Sijnesael te Middelburg.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de mondelinge behandeling op 11 mei 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. Daarnaast zijn verschenen twee vertegenwoordigers van de GI en mevrouw [persoon 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
1.5.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 11 mei 2026 een verkort vonnis gegeven. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is geboren de thans nog minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.4.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw de Italiaanse.
2.5.
Partijen zijn in 2021 een ouderschapsplan overeengekomen waarin zij – onder meer – hebben opgenomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 december 2024 (met zaaknummer C/02/427404 / FA RK 24-4664) heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing met [minderjarige] naar [plaats] en de inschrijving van [minderjarige] op de [basisschool] afgewezen. De rechtbank heeft daarnaast, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopigrecht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur. De rechtbank heeft tot slot de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de zorgregeling.
2.7.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 april 2025 (met zaaknummer C/02/431993 / KG ZA 25-70) is de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld haar medewerking te verlenen aan een zorgregeling waarbij de man en [minderjarige] contact hebben met elkaar één maal in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur.
2.8.
Bij verstekvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 juli 2025 (met zaaknummer C/02/435833 / KG ZA 25-255) is de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals opgenomen in het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 april 2025 (met zaaknummer: C/02/431993 / KG ZA 25-70), inhoudende dat de man en [minderjarige] contact hebben met elkaar één maal in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur. Daarnaast is de vrouw veroordeeld, na betekening van dit vonnis aan haar, aan de man een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de eerst genoemde veroordeling voldoet, totdat een maximum van € 5.000,00 is bereikt.
2.9.
Bij vonnis in verzet van de voorzieningenrechter in kort geding van deze rechtbank van 19 september 2025 is het verstekvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 juli 2025 met zaaknummer C/02/435833 / KG ZA 25-255 bekrachtigd.
2.10.
Bij beschikking van 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant
van 24 december 2024 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen ten aanzien van de beslissing omtrent de verhuizing naar [plaats] , althans naar één van de omliggende dorpen, de inschrijving op de [basisschool] en de bijbehorende kinderopvanginstelling en ten aanzien van de vaststelling van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op grond waarvan [minderjarige] en de vader voorlopig recht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur.
2.11.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 [minderjarige]
onder toezicht gesteld met ingang van 14 oktober 2025 tot 14 januari 2026.
2.12.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 november 2025 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader, met ingang van 28 november 2025 tot 12 december 2025.
2.13.
Bij beschikking van de kinderrechter van 5 december 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 januari 2026 en tot 14 oktober 2026. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd, met ingang van 12 december 2025 en tot 23 januari 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
2.14.
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd met ingang van 23 januari 2026 en tot 23 mei 2026, onder aanhouding van het restant.

3.De vordering

3.1.
De man vordert bij vonnis in kort geding, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw te veroordelen [minderjarige] binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis aan de man af te geven op verbeurte van een dwangsom van € 1.000, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, nadat 2 dagen na betekening zijn verstreken nadat de vrouw nalatig is aan het vonnis te voldoen met veroordeling van de vrouw in de proceskosten en nakosten.
3.2.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Bij nadere beschikking van de kinderrechter d.d. 22 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de man, verlengd tot 23 mei 2026. Na het derde onbegeleide contact op 14 maart 2026 heeft de vrouw besloten [minderjarige] niet bij de man terug te brengen. Ondanks verzoeken van de man en de GI en een schriftelijke aanwijzing
ten spijt weigert de vrouw [minderjarige] naar de man terug te brengen en uitvoering te geven aan
de beslissing van de kinderrechter. Sinds 14 maart jl. is er tussen de man en [minderjarige] geen
contact geweest. Onderwijl is de vrouw weer zoals voorheen doende de man als vader te diskwalificeren door [minderjarige] wederom voor niets, ditmaal een derde maal, medisch te laten onderzoeken teneinde resultaten in haar voordeel tegen de man te gebruiken. Ook heeft de vrouw [minderjarige] ten onrechte ziekgemeld bij school. Er vinden wel belmomenten tussen de man en [minderjarige] plaats maar de man merkt dat [minderjarige] zich dan niet vrij genoeg voelt om dingen tegen de man te zeggen omdat de vrouw bij die momenten aanwezig is. De man acht het in strijd met het belang van [minderjarige] dat de vrouw weigert de beschikking van de kinderrechter na te leven, dat tussen hem en [minderjarige] geen contact is en dat [minderjarige] niet naar school gaat. Hij heeft dan ook een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.
3.3.
Namens de vrouw wordt verweer gevoerd tegen de vordering van de man. De vrouw zal niet meewerken aan afgifte van [minderjarige] omdat ze vindt dat het beter gaat met [minderjarige] nu ze bij de vrouw verblijft. Uit het verslag van Goed Genoeg Ouderschap staat dat er geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de vrouw en de veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw. Ze krijgt alles wat ze nodig heeft. Uit het verslag van Goed Genoeg Ouderschap blijkt dat geadviseerd wordt tot inzet van Parallel Solo ouderschap tussen de ouders. Het is onduidelijk of de GI hier actie op gaat ondernemen. De vrouw vindt het moeilijk om [minderjarige] mee te geven aan [persoon 2] , dat zou de nieuwe partner van de man zijn. Zij heeft veel voor [minderjarige] gezorgd in de periode dat de man weigerde [minderjarige] terug bij de vrouw te brengen. De vrouw wil eerst nader kennismaken met deze [persoon 2] voordat er contact tot stand komt. De vrouw is bang dat de man [minderjarige] weer niet terug zal brengen als [minderjarige] bij hem is. [minderjarige] werd gepest op school en de vrouw heeft om die reden besloten [minderjarige] thuis te laten. Zij krijgt nu thuisonderwijs van de vrouw en dat loopt goed. Wel vindt de vrouw dat kan worden gekeken naar een andere school voor [minderjarige] . De vrouw wil [minderjarige] bij haar houden en [minderjarige] wil zelf ook graag bij de vrouw blijven. In de schriftelijke aanwijzing die de GI heeft gegeven is geen plan voor contact tussen de vrouw en [minderjarige] opgenomen. De vrouw vreest dan ook dat als [minderjarige] terug naar de man moet, er weer geen contact tussen haar en [minderjarige] zal zijn. Dit is erg verwarrend voor [minderjarige] . De vrouw stelt zich dan ook op het standpunt dat de vordering van de man moet worden afgewezen.
3.4.
De GI verklaart dat er heel veel is gebeurd de afgelopen tijd waarbij het belang van [minderjarige] niet op de voorgrond heeft gestaan. De omgang tussen [minderjarige] en haar moeder werd opgebouwd met een overnachting erbij, er werd bekeken welke uitbreidingen verder nog zouden kunnen plaatsvinden en nu heeft de vrouw besloten [minderjarige] niet meer terug naar haar vader te brengen. De GI is het daar niet mee eens. De vrouw houdt contact tussen [minderjarige] en de man feitelijk tegen omdat dat alleen kan op haar voorwaarden. Het lukt de vrouw niet emotionele toestemming aan [minderjarige] te geven voor contact met haar vader. Dat lukt de man wel. De GI maakt zich zorgen om het feit dat [minderjarige] nu niet naar school gaat. Er waren geen aanwijzingen dat het niet goed ging met [minderjarige] op school. De vrouw betrekt [minderjarige] bij besluitvorming rondom school en dat is te belastend voor haar. De GI ziet dat de vrouw keuzes maakt waardoor [minderjarige] nog meer klem komt te zitten tussen haar ouders. De GI vindt het in het belang van [minderjarige] dat ze terug gaat naar haar vader omdat de man wel in staat is om contact tussen [minderjarige] en de vrouw te faciliteren en omdat er dan gewerkt kan worden aan de adviezen die vanuit het Goed Genoeg Ouderschap zijn gegeven. In dat geval wil de GI toewerken naar een zorgregeling op basis van co-ouderschap, maar daarvoor is de medewerking van de vrouw ook nodig.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast.
4.2.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het betreurenswaardig is dat ouders opnieuw in een procedure bij de rechtbank zijn beland. Het belang van [minderjarige] lijkt niet voorop te staan bij beide ouders. Er zijn nu al zoveel uitspraken door de rechtbank gedaan waaraan ouders zich niet hebben gehouden. [minderjarige] kan er niet op vertrouwen dat deze ouders, en in dit geval de vrouw, zich aan afspraken houden. Ze raakt enorm klem en verloren tussen haar ouders die lijnrecht tegenover elkaar staan. Het ontbreekt [minderjarige] aan een veilige basis waarbinnen ze kan opgroeien. Ook school als veilige basis is nu weggevallen. De Raad vindt het voorstel van de GI om toe te werken naar een zorgregeling op basis van co-ouderschap passend. Het is onvoorstelbaar als de vrouw daar niet aan mee wil werken. De Raad vraagt zich af of het inmiddels niet minder schadelijk is om [minderjarige] op een neutrale plaats te plaatsen om te kijken wat dit met haar doet. Ze zit namelijk ontzettend klem tussen haar ouders en als hier geen verbetering in komt gaat dit grote gevolgen hebben voor haar ontwikkeling. De Raad adviseert de vordering van de man toe te wijzen.
4.3.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter zal de vordering van de man toewijzen. Bij beschikking van 22 januari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de man verleend. Door [minderjarige] niet af te geven aan de man handelt de vrouw in strijd met deze uitspraak. Het is in het belang van [minderjarige] dat ze zo snel mogelijk naar de man terugkeert. De voorzieningenrechter zal de vrouw veroordelen om [minderjarige] binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis aan de man af te geven. De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom matigen en aan de veroordeling tot afgifte een dwangsom verbinden van € 250,- per dag dat de vrouw niet aan het vonnis voldoet.
Proceskosten
4.4.
De man heeft gevorderd de vrouw te veroordelen in de proceskosten. In afwijking van de gebruikelijke proceskostenveroordeling in familierechtelijke zaken ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in de onderhavige zaak de vrouw in de proceskosten te veroordelen. De vrouw handelt in strijd met de beschikking van deze rechtbank door [minderjarige] niet naar de man terug te brengen maar bij zich te houden terwijl er bovendien gewerkt werd naar verdere normalisering van contacten en omgang. De man is daardoor genoodzaakt om onderhavige procedure te starten hetgeen kosten met zich meebrengt. Om deze reden acht de voorzieningenrechter een proceskostenveroordeling op zijn plaats.
4.5.
De vrouw zal gelet op het voorgaande in de proceskosten worden veroordeeld, bestaande uit:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht 93,00
- salaris advocaat
715,00
Totaal € 961,02
4.6.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de vrouw [minderjarige] binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis aan de man af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de vrouw nalatig is aan het vonnis te voldoen;
5.2.
veroordeelt de vrouw in de proceskosten van de man, begroot op € 961,02;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is mondeling gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier en verkort op schrift gesteld op 12 mei 2026.