ECLI:NL:RBZWB:2026:5652

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445443 FA RK 26/1017
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling na verhuizingen ouders in belang van minderjarige kinderen

Partijen, voormalig geregistreerd partnerschap en gezamenlijk ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen, wensen beiden te verhuizen naar verschillende plaatsen vanwege nieuwe partners. De huidige zorgregeling met week-op-week-af verblijf is niet meer uitvoerbaar.

De man verzoekt wijziging van de zorgregeling met verschillende opties voor verblijf, afhankelijk van verkoop en verhuizing van woningen. De vrouw verzet zich tegen wijziging en wenst de huidige regeling te handhaven, mede vanwege haar werk en het ontbreken van een netwerk in de huidige woonplaats.

De rechtbank weegt het belang van de kinderen, de wensen van de kinderen zelf, en de praktische uitvoerbaarheid. De kinderen verblijven vanaf het schooljaar 2026/2027 week-op-week-af bij elk van de ouders met wissel op woensdag na school, rekening houdend met het werkrooster van de vrouw.

De rechtbank benadrukt het dynamische karakter van het ouderschapsplan en het belang van samenwerking tussen ouders bij toekomstige wijzigingen. Het verzoek van de vrouw tot wijziging van kinderalimentatie wordt aangehouden.

De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken door kinderrechter Van de Kraats op 27 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling met een week-op-week-af verblijf en wissel op woensdag na school, ingaand schooljaar 2026/2027.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/445443 FA RK 26/1017
datum uitspraak: 27 mei 2026
beschikking betreffende wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. Patist,
en
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R. Joosen.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 26 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen, waaronder:
- de beschikking betreffende ontbinding geregistreerd partnerschap van 12 februari 2024,
- het aan voormelde beschikking gehechte ouderschapsplan;
- het op 28 april 2026 ontvangen aanvullend verzoekschrift;
- het op 30 april 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Patist van 4 mei 2026;
- het email-bericht van de rechtbank van 6 mei 2026 aan advocaten van partijen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 12 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
1.3 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een zogenoemd kindgesprek
.[minderjarige 2] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat de kinderen hebben verteld. De aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- tussen partijen bestond een geregistreerd partnerschap van 12 november 2012 tot 23 februari 2024.
- Uit hun geregistreerd partnerschap zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2019.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen.
2.2
Ingevolge voormeld ouderschapsplan geldt er een zorgregeling, waarbij de kinderen week-op-week-af bij elk van hun ouders verblijven, met een wissel op vrijdag. Ook is een vakantie- en feestdagenregeling overeengekomen.
2.3
De vrouw heeft een nieuwe partner die uit [plaats 2] komt. De man heeft ook een nieuwe partner die in [plaats 3] woont.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt, samengevat, het aan de beschikking van 12 februari 2024 gehechte ouderschapsplan ten aanzien van de zorgregeling te wijzigen en te bepalen:
- dat de zorgregeling met ingang van de datum dat de man zijn woning in [plaats 1] zal hebben verkocht en geleverd, althans vanaf het moment dat hij gaat samenwonen in [plaats 3] – waarbij geldt dat hetgeen zich als eerste voordoet, maatgevend zal zijn – of zoveel eerder als de vrouw haar woning in [plaats 1] zal hebben verkocht of geleverd een zorgregeling te bepalen, waarbij:
A)
Primair de kinderen eens per twee weken vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond bij de man zullen zijn, alsook gedurende de studiedagen die de kinderen vrij zijn van school en voorts tijdens de jaarlijkse voorjaars- en herfstvakantie, tijdens één van de twee weken in de kerstvakantie (in de even jaren tijdens de tweede week bij vader en in de oneven jaren in de eerste week), tijdens één van de twee weken in de meivakantie en tijdens drie weken van de zomervakantie, waarbij die vakantie zal worden verdeeld in een 1/2/2/1-weken (waarbij vader in de even jaren de eerste keuze heeft en de vrouw in de oneven jaren), bij handhaving van hetgeen in het ouderschapsplan over de feestdagen en bijzondere dagen is afgesproken,
B)
Subsidiair de kinderen per twee weken, in de ene week bij de man zijn, doordat de man de kinderen maandagochtend bij de vrouw ophaalt en hen naar school brengt tot dinsdag in de namiddag, waarbij de man de kinderen weer bij de vrouw brengt en in de andere week van vrijdagmiddag uit school tot dinsdag einde middag, waarbij hij de kinderen voor het avondeten bij de vrouw brengt, alsook gedurende de studiedagen die de kinderen vrij zijn van school en voorts tijdens de jaarlijkse voorjaars- en herfstvakantie, tijdens één van de twee weken in de kerstvakantie (in de even jaren tijdens de tweede week bij vader en in de oneven jaren in de eerste week), tijdens één van de twee weken in de meivakantie en tijdens drie weken van de zomervakantie, waarbij die vakantie zal worden verdeeld in een 1/2/2/1-weken (waarbij vader in de even jaren de eerste keuze heeft en de vrouw in de oneven jaren), bij handhaving van hetgeen in het ouderschapsplan over de feestdagen en bijzondere dagen is afgesproken,
C)
Meer subsidiair de kinderen per twee weken, in de ene week bij de man zijn, doordat de man de kinderen woensdagochtend bij de vrouw ophaalt en hen naar school brengt tot woensdag na het avondeten, waarbij de man de kinderen weer bij de vrouw brengt en in de andere week van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend, waarbij hij de kinderen naar school brengt, alsook gedurende de studiedagen die de kinderen vrij zijn van school en voorts tijdens de jaarlijkse voorjaars- en herfstvakantie, tijdens één van de twee weken in de kerstvakantie (in de even jaren tijdens de tweede week bij vader en in de oneven jaren in de eerste week), tijdens één van de twee weken in de meivakantie en tijdens drie weken van de zomervakantie, waarbij die vakantie zal worden verdeeld in een 1/2/2/1-weken (waarbij vader in de even jaren de eerste keuze heeft en de vrouw in de oneven jaren), bij handhaving van hetgeen in het ouderschapsplan over de feestdagen en bijzondere dagen is afgesproken,
Althans een in goede justitie te bepalen zorgregeling.
3.2
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht om het verzoek van de man om de zorgregeling te wijzigen af te wijzen. Voorts heeft de vrouw bij wege van zelfstandig verzoek verzocht om de geldende door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen te wijzigen.

4.De beoordeling

Wijziging kinderalimentatie
4.1
Partijen zijn voorafgaand aan de zitting door de rechtbank bericht dat het zelfstandig verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie niet op de zitting van 12 mei 2026 behandeld zou worden. Tegelijkertijd is aan de man een verweertermijn verleend ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de vrouw. De rechtbank zal de behandeling van dit verzoek aanhouden en verwijzen naar het cluster familierecht van deze rechtbank.
Zorgregeling
4.2
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.
4.3
Volgens de man wensen beide partijen een wijziging van de zorgregeling, omdat zij over en weer voornemens zijn om te gaan samenwonen met hun nieuwe partner. Voor beide partijen geldt dat die (voorgenomen) samenwoning maakt, dat zij niet meer in hun huidige woonplaats, [plaats 1] , zullen wonen, maar op grotere afstand van elkaar. De huidige co ouderschapsregeling zal alsdan niet meer uitvoerbaar zijn. Het geschil tussen partijen bestaat er met name uit dat de vrouw geen concrete afspraken wil maken over het moment waarop een gewijzigde zorgregeling zou moeten ingaan. Zij meent dat de man zou moeten wachten met zijn samenwoning, totdat de vrouw zover is. Zij meent ook dat een gewijzigde zorgregeling wel onmiddellijk zou moeten ingaan als zij zover is en zij met haar partner een huis gekocht heeft, maar dat andersom niet in dezelfde mate voor de man geldt. De vrouw is op zoek naar een andere woning en de man dient voorbereidingen te treffen voor de verbouwing van de woning van zijn huidige partner. De man wil graag de gewijzigde zorgregeling vast laten leggen vanaf het moment dat één of beide partijen uit [plaats 1] vertrekken. Ten aanzien van de man zou dat in de zomer van 2026 zijn. De vrouw wenst niets te concretiseren en meent dat dit pas aan de orde is c.q. kan zijn als zij uit [plaats 1] vertrekt (en/of elders een huis heeft). Voor die tijd kan zij de extra zorg voor de kinderen niet op zich nemen, hetgeen de man niet kan volgen. De vrouw heeft zelf steeds aangegeven in elk geval in/rond de zomer van 2026 te willen zijn verhuisd, zodat de kinderen na de zomervakantie in het nieuwe schooljaar naar een nieuwe school kunnen. Partijen zijn het erover eens dat de kinderen het hoofdverblijf krijgen bij de vrouw en ook over de zorgregeling hebben zij overeenstemming (conform verzoek van de man). Voor de man is niet aanvaardbaar dat de vrouw de discussie op deze manier gijzelt. Alles kan alleen als zij zover is. Ze houdt daarbij het belang van de kinderen ook niet voor ogen. De man wil ook de wijzigingen als een gezamenlijke boodschap richting de kinderen brengen, maar de vrouw heeft zoon [minderjarige 1] al op de hoogte gebracht. De man wil dus niet meer te lang wachten met een en ander. In het aanvullend verzoekschrift geeft de man aan dat de vrouw met name sinds februari 2026 een terugtrekkende beweging maakt. Zij geeft aan ‘op dit moment’ geen plannen meer te hebben. Zij meent sindsdien dat zij een wijziging van de zorgregeling kan blokkeren. Het staat de vrouw vrij haar plannen nu niet verder te verwezenlijken, zij meent kennelijk ook dat de man zijn plannen dan ook maar in de ijskast moet zetten. De man heeft, vanwege de uitnodigingen voor de kindgesprekken bij de rechtbank, de kinderen op enig moment te informeren over zijn eigen plan om te verhuizen en te gaan samenwonen. De vrouw heeft daarna getracht de man verantwoordelijk te maken voor de te wijzigen zorgregeling, terwijl zij haar plannen daarbij weglaat. Volgens de man blijft de vrouw hangen in de vraag wie nu verantwoordelijk zou moeten worden gehouden voor een aanpassing van de zorgregeling. Volgens de man is dat niet belangrijk, maar moet er een oplossing komen voor de kinderen. De vrouw wil echter geen kant op. Het is voor de man ook niet duidelijk waar precies het bezwaar van de vrouw in zit. De man wenst een oplossing.
4.4
De vrouw voelt zich door de man voor het blok gezet. De stelling van de man dat partijen beiden een wijziging van de zorgregeling wensen, omdat zij over en weer voornemens zijn om te gaan samenwonen met hun nieuwe partner wordt door de vrouw in elk geval betwist. De man heeft immers een en ander al concreet gemaakt, terwijl het voor de vrouw hier (mogelijk) toekomstmuziek betreft. Niet in geschil is dat sprake is van gewijzigde omstandigheden; volgens de vrouw dient de rechtbank te beoordelen welke zorgregeling op dit moment in het belang van de kinderen is. De vrouw stelt zich daarbij op het standpunt dat de huidige zorgregeling gehandhaafd dient te worden. De man heeft eenzijdig beslist om te gaan verhuizen en presenteert dit als voldongen feit naar de kinderen. Met de geldende regeling is een verhuizing door de man niet mogelijk, partijen hebben ook geen overeenstemming over een verhuizing en de rechtbank heeft hier ook niet over beslist. De man heeft zijn woning op 28 april 2026 te koop gezet. Idealiter zou de vrouw op hetzelfde moment als de man verhuizen. De man kan dit echter niet afdwingen en heeft rekening te houden met de uitgebreide zorgregeling die hij zelf met de vrouw is overeengekomen. Er is door de vrouw inderdaad aangegeven dat zij de wens heeft om met haar partner te gaan samenwonen en dat zij bereid is hierin stappen te ondernemen, zodra het geschikte moment zich voordoet. In de huidige oververhitte huizenmarkt en de wensen van de vrouw en haar huidige partner is het een zeer lastige opgave om een geschikte woning te vinden, zeker in het zoekgebied van de vrouw en haar huidige partner. De samenwoonplannen lijken lastig uitvoerbaar. Bovendien is het voor de kinderen een ingrijpende stap, die de vrouw weloverwogen wenst te zetten. De man wenst zijn wil op te leggen aldus de vrouw. De vrouw kan ook geen uitvoering geven aan het stopzetten van de huidige regeling en aanmerkelijk meer zorgtaken op zich nemen, nu zij vooralsnog in [plaats 1] woont en per 1 mei 2026 bij een nieuwe werkgever te [plaats 4] aanvangt. De vrouw ziet geen andere oplossing dan de huidige zorgregeling continueren. Indien de vrouw zou samenwonen met haar nieuwe partner zou zij de zorg kunnen delen en heeft zij meer mogelijkheden, waarbij een andere zorgregeling bespreekbaar is. Dat is nu echter niet het geval. [minderjarige 1] is door de vrouw inderdaad op de hoogte gesteld van de wensen van de vrouw tot samenwoning met haar huidige partner. De vraag is of de verhuizing van de man tot wijziging van de co-ouderschapsregeling moet leiden. Er dient een belangenafweging plaats te vinden middels de zogenoemde verhuiscriteria. Deze heeft de man niet onderbouwd. De noodzaak tot verhuizing van de man blijkt niet volgens de vrouw. Indien de man zijn huidige woning aanhoudt, dan kan de huidige regeling gewoon worden voortgezet. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het de man niet vrij staat om te tornen aan een uitgebreide zorgregeling door eenzijdig het besluit te nemen om te verhuizen. Indien in de toekomst een verhuizing van de vrouw concreet wordt, dan is dat het moment voor partijen om met elkaar in overleg te treden en een gelijktijdige verhuizing kan dan worden afgestemd. Ook bij toewijzing van het (meer) subsidiaire verzoek van de man zal de vrouw veel meer zorgtaken krijgen. Dat is voor haar niet mogelijk. Deze regelingen zijn bovendien te onrustig voor de kinderen, gelet ook op de reistijd. [minderjarige 1] gaat inmiddels naar de middelbare school en zitten zij allen op sport. De vrouw wordt ook nauwelijks ontlast bij het subsidiaire verzoek van de man, nu de kinderen op maandag als ze bij de vrouw zijn naar de kinderopvang gaan. De vrouw is het tot slot met de man eens dat de discussie niet dient te gaan over wie hier iets te verwijten zou zijn, maar over het belang van de kinderen.
4.5
Gelet op de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde heeft de rechtbank geconstateerd dat beide partijen de wens hebben om op korte of op langere termijn volgende stappen te zetten in de relatie (waaronder samenwonen) met hun huidige partner. De timing van de volgende stap(pen) lopen echter uiteen bij partijen, waardoor zij er ten aanzien van een eventuele wijziging van de zorgregeling er samen niet uitkomen. Zoals ook ter zitting aan partijen is voorgehouden heeft [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek met de kinderrechter aangegeven het kinderachtig te vinden dat papa en mama hier niet samen uit kunnen komen. [minderjarige 1] is van veel dingen op de hoogte, van de zoektocht naar een woning voor mama en haar huidige partner rondom [plaats 2] en regelingen die opgenomen zijn in het ouderschapsplan, en probeert al te denken in oplossingen. [minderjarige 1] heeft ook een voorstel gedaan voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij het co ouderschap zoveel als mogelijk het uitgangspunt is. Ook [minderjarige 2] heeft aangegeven zijn vader niet enkel in het weekend te willen zien, maar ook doordeweeks. [minderjarige 1] wil graag duidelijkheid.
4.6
Idealiter vinden partijen een oplossing waar zij beiden achter staan zodat zij dit gezamenlijk uit kunnen dragen naar de kinderen. Gebleken is dat dit partijen niet lukt, ondanks dat er diverse opties ter zitting zijn besproken en de zitting voor langere tijd is geschorst voor beraad. Het werk van de vrouw, waarbij zij altijd vrijdagmiddag vrij is en eenmaal per twee weken op woensdagmiddag als de kinderen bij haar zijn, lijkt enerzijds de bottleneck te zijn alsmede de omstandigheid dat zij geen netwerk heeft in [plaats 1] . Anderzijds staan partijen een zorgregeling voor waarin er niet teveel reisbewegingen worden gemaakt en er niet teveel wissels zijn, omdat dit veel van de kinderen vergt. Aangezien het partijen niet lukt overeenstemming te bereiken en de rechtbank duidelijkheid in het belang van de kinderen acht, zal zij een beslissing nemen over de zorgregeling. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen in een week-op-week-af regeling bij elk van de ouders verblijven, met de wissel op woensdag uit school. De rechtbank heeft daarbij het werkrooster van de vrouw en haar financiële verplichtingen in aanmerking genomen, nu zij het in het belang van de kinderen acht dat de vrouw (en de kinderen) in de voormalige gezamenlijke woning kunnen blijven wonen (totdat ook de vrouw zal verhuizen). Daarnaast hebben de kinderen aangegeven dat zij papa vaak wensen te zien. Dat er bij deze regeling meer op en neer gereisd moet worden ziet de rechtbank niet als onoverkomelijk, nu deze afstand ongeveer 30-35 minuten bedraagt. De wissel op woensdagmiddag uit school naar de andere ouder zorgt er bovendien voor dat de kinderen niet vijf dagen achter elkaar hoeven te reizen. De rechtbank geeft verder partijen in overweging voornoemde regeling zo te organiseren dat de vrouw een week fulltime kan werken, en in die week idealiter de wissel op woensdagmiddag naar de man plaatsvindt, en een week parttime kan werken, waarbij de kinderen vanaf woensdagmiddag weer bij haar verblijven. Met deze zorgregeling kan de vrouw hetzelfde aantal uren blijven werken, waarvan zij heeft gesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij verwacht de rechtbank dan ook van haar dat zij haar werkweek/dagen wisselt zodat zij een week fulltime en een week parttime kan werken, of in ieder geval hetzelfde aantal uren. De rechtbank zal deze regeling in laten gaan na afloop van de zomervakantie, met ingang van het nieuwe schooljaar 2026/2027. Partijen en de kinderen kunnen gaan ervaren hoe deze regeling is en daaraan wennen. Met name nu het in de lijn der verwachting ligt dat de vrouw op langere termijn ook zal gaan verhuizen naar de omgeving van [plaats 2] en er dan nog veel meer zal gaan veranderen voor de kinderen, hetgeen ook gepaard zal gaan met het nodige heen- en weer reizen tussen de ouders.
4.7
De rechtbank merkt over het voorgaande nog op dat, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, het ouderschapsplan een dynamisch document is. Het is de rechtbank gebleken dat het niet aan de communicatie van partijen ligt, maar wel aan de veranderde omstandigheden en op welke wijze daarmee moet worden omgegaan. Veranderingen zullen zich nog veel voordoen, bij de kinderen naarmate ze opgroeien, bij ouders en hun nieuwe relaties en de te nemen volgende stappen in hun relaties, waaronder de verhuizingen. Ouders moeten elkaar de volgende stap in het leven gunnen en het belang van de kinderen en wat zij nodig hebben daarbij voor ogen houden. Dit betekent ook dat het geven en nemen is en kijken naar wat er wel mogelijk is. De kinderen verdienen het dat ouders gezamenlijk oplossingen bedenken en dat de kinderen daarmee niet belast worden. Op het moment dat de vrouw zal gaan verhuizen naar waarschijnlijk de omgeving van [plaats 2] zullen partijen wederom het overleg met elkaar aan moeten gaan over de zorgregeling. De rechtbank spreekt de hoop uit dat partijen het dan wel zelfstandig lukt om hierover overeenstemming te bereiken, waarbij de rechtbank nogmaals over en weer de ‘gunfactor’ benadrukt.
4.8
[minderjarige 1] heeft de kinderrechter gevraagd om geïnformeerd te worden over de beslissing via een brief. In de brief aan [minderjarige 1] zal het volgende worden opgenomen:
Beste [minderjarige 1] ,
Op 11 mei 2026 hebben wij samen gepraat over de verhuizing van papa en dat mama misschien ook gaat verhuizen en wanneer je dan bij papa en mama wil zijn.
Ik heb op 12 mei 2026 met papa en mama en met hun advocaten gepraat. Ik heb gezegd dat jij zowel papa als mama graag veel ziet en dat je het reizen/de verhuizingen/nieuwe partners van papa en mama allemaal goed en leuk vindt. Ik heb verder gezegd dat ik het ook een beetje kinderachtig vind dat het papa en mama niet lukt om een oplossing te bedenken. Ik heb besloten dat de zorgregeling die nu geldt een beetje gaat veranderen, omdat ik dat het beste vind voor jullie. Na de zomervakantie, dus met ingang van het nieuwe schooljaar, zullen jullie een week bij papa verblijven en dan weer een week bij mama, waarbij de wissel plaatsvindt op woensdag uit school. Op deze manier hoef je niet vijf dagen achter elkaar te reizen van papa naar school en kun je even bijkomen in het weekend.
Ik wens je veel succes met school en met je hobby’s.
Hartelijke groet,
De kinderrechter,
Mr. Van de Kraats.
4.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
wijzigt het aan de beschikking van 12 februari 2024 gehechte ouderschapsplan ten aanzien van de reguliere zorgregeling als volgt:
5.1
bepaalt dat partijen en de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2019.
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van het nieuwe schooljaar 2026/2027 gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar week-op-week-af bij elke ouder met het wisselmoment op woensdag uit school een en ander met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.7. is vermeld;
5.2
verwijst het verzoek van de vrouw tot wijziging van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding naar cluster familierecht van deze rechtbank en houdt de behandeling van dit verzoek aan (op de rol van cluster familierecht) tot in ieder geval 21 juli 2026, gelijk aan de gegeven verweertermijn voor de man;
5.3
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, (kinder)rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.