ECLI:NL:RBZWB:2026:5653

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448408 / JE RK 26-881
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen bij vader wegens zorgen in thuissituatie moeder

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij de vader, de andere ouder met gezag. De kinderen wonen normaal bij de moeder, maar er zijn ernstige zorgen over hun verzorging en opvoeding in haar thuissituatie.

De GI heeft eerder een spoedmachtiging gekregen om de kinderen uit huis te plaatsen bij de vader. De moeder is niet verschenen op de zitting en weigert medewerking aan hulpverlening. Er is sprake van veelvuldig schoolverzuim, gebrek aan structuur, psychische problemen bij de moeder en zorgen over hygiëne. De kinderen zijn sinds eind vorig jaar door de moeder van de vader weggehouden.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de kinderen. De machtiging wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 18 juli 2026. Een machtiging voor daarna kan niet worden verleend omdat de ondertoezichtstelling dan afloopt. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard zodat de uithuisplaatsing direct kan worden uitgevoerd, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen bij de vader wordt verlengd tot 18 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448408 / JE RK 26-881
Datum uitspraak: 27 mei 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 21 mei 2026 en alle daarin vermelde stukken.
1.2.
Op 27 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader (via een online verbinding);
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder op een juiste wijze is opgeroepen, maar niet ter zitting is verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 18 juli 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juli 2025 en tot 18 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 21 mei 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 21 mei 2026 en tot 4 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de
andere ouder met gezag te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing
uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de
belanghebbenden te horen. De GI verzoekt aansluitend, uitvoerbaar bij voorraad, een
machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van een jaar bij de andere ouder
met gezag.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag te verlenen met ingang van 4 juni 2026 en voor de duur van een jaar.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. De GI begrijpt dat het verzoek slechts toegewezen kan worden voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI is voornemens een verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken. De GI had onderzocht of het mogelijk was dat de moeder thuisonderwijs zou geven. Toen dit niet mogelijk bleek, is de moeder uit contact gegaan. Vanuit de vader heeft de GI begrepen dat ook hij geen contact meer had met de kinderen. Een dag voor de uithuisplaatsing is de GI door familie gebeld omdat er grote zorgen over de kinderen waren. De zorgen gaan over de hygiëne/verzorging van de kinderen en de in de woning zijnde huisdieren.
4.2.
De vader staat achter het verzoek van de GI.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Nieuwe feiten en/of omstandigheden
5.3.
Ter beoordeling ligt voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
Op basis van de stukken en wat er op de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.6.
Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en de opvoedomgeving bij de moeder. Er is sprake van veelvuldig schoolverzuim of zelfs helemaal geen schoolgang, er is een gebrek aan structuur in de opvoedomgeving bij de moeder en er zijn zorgen over de psychische belastbaarheid van de moeder en haar beperkte beschikbaarheid voor de kinderen. Daarnaast zijn er in de thuissituatie van de moeder grote zorgen over de hygiëne van de kinderen. Sinds eind vorig jaar houdt de moeder de kinderen bovendien weg bij de vader. De moeder weigert mee te werken met de GI en weigert iedere vorm van hulpverlening. De moeder is niet alleen uit contact met de GI, zij is ook niet op zitting verschenen en heeft aan de pilotadvocaat doorgegeven geen rechtsbijstand te willen. Hierdoor is er niet of nauwelijks zicht op de kinderen en op wat er precies speelt in de thuissituatie bij de moeder terwijl de zorgen groot zijn. De kinderrechter heeft de zorg dat de kinderen in de thuissituatie bij de moeder in de overlevingsstand hebben geleefd. De vader merkt aan de kinderen dat zij bij de moeder thuis geen kind hebben kunnen zijn. De oudste is bijvoorbeeld bezig met de planning voor de winterjassen en dergelijke. Daardoor lijkt het alsof de kinderen dat moesten regelen en de moeder het niet deed of niet kon doen. Ook hebben de kinderen vreemde verhalen van de moeder te horen gekregen, over mensenvlees bij [plaats] . Ook vertelde de moeder dat de kinderen niemand moesten vertrouwen en dat de vader de uithuisplaatsing heeft gedaan en niet van de kinderen houdt.
5.7.
De kinderrechter is daarom van oordeel dat het resterende deel van het verzoek van de GI tot aan 18 juli 2026 dient te worden toegewezen. Nu de ondertoezichtstelling slechts tot 18 juli 2026 loopt, kan de kinderrechter geen beslissing nemen over een eventuele machtiging tot uithuisplaatsing van na die datum. Het meer of anders verzochte zal om die reden afgewezen worden.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 4 juni 2026 en tot 18 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Pooter, griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.