ECLI:NL:RBZWB:2026:5654

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447607 / JE RK 26-727
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige tot meerderjarigheid

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds juni 2025 onder toezicht staat. De minderjarige woont bij zijn moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De GI heeft het verzoek gewijzigd en vraagt om verlenging tot de meerderjarigheid van de minderjarige in mei 2027.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de moeder en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig; de vader en de minderjarige zelf waren niet verschenen. De minderjarige is uitgenodigd om zijn mening te geven, maar is niet verschenen. De GI lichtte toe dat de hulpverlening moeizaam van start ging, mede door afzeggingen van de moeder en ziekte van de minderjarige. Inmiddels is vastgesteld dat de minderjarige autisme heeft en volgt hij dagbehandeling en dagbesteding, waarbij positieve maar nog kwetsbare ontwikkelingen zichtbaar zijn.

De moeder stemt in met verlenging, maar vindt een jaar te lang en stelt zes maanden voor. De kinderrechter oordeelt dat de hulpverlening nog kwetsbaar is en dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd tot de meerderjarigheid om continuïteit te waarborgen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct van kracht is, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot zijn meerderjarigheid op 22 mei 2027 en de beschikking is direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447607 / JE RK 26-727
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbend aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt daarnaast in deze zaak als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zit het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Bij die zitting zijn verschenen en heeft de kinderrechter gehoord:
  • de moeder;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen.
1.4.
[minderjarige] heeft, gezien zijn leeftijd, het recht om zijn mening in deze zaak te geven. Hij is daarom uitgenodigd om zijn mening te geven tijdens een gesprek met de kinderrechter op 26 mei 2026. [minderjarige] is echter niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 2 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 2 juni 2025 tot 2 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Tijdens de zitting heeft de GI haar verzoek mondeling gewijzigd, in die zin dat de GI nu verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen totdat [minderjarige] meerderjarig wordt, dus tot 22 mei 2027.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar gewijzigde verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De GI stelt dat het in de afgelopen periode aanvankelijk wat moeite heeft gekost om de hulpverlening op te starten, omdat de moeder bepaalde afspraken afzegde en zij [minderjarige] vaak ziekmeldde. Vanuit [accommodatie] is er inmiddels een onderzoek verricht. Daaruit is naar voren gekomen dat [minderjarige] autisme heeft. Enkele maanden geleden is [zorginstelling] gestart met dagbehandeling voor [minderjarige] en de moeder krijgt persoonlijke ondersteuning. [minderjarige] gaat momenteel structureel twee dagen per week naar de dagbehandeling toe. Daar oefent hij met het hebben en houden van sociale contacten. Gezien wordt dat [minderjarige] het leuk vindt om naar de dagbehandeling toe te gaan. [zorginstelling] heeft aanvankelijk gezorgd voor het halen en brengen van [minderjarige] naar de dagbehandeling. Sinds kort reist [minderjarige] samen met zijn moeder daarnaartoe. Daarnaast zal [minderjarige] met een opbouw naar [dagbesteding] toe gaan (onderdeel van [accommodatie] ) voor dagbesteding/onderwijs. Daar zal er eerst worden gewerkt aan het opbouwen van vertrouwen en contacturen. Vervolgens zal er worden ingezet op het doorstromen van [minderjarige] naar een passende vorm van dagbesteding. Tot slot is [minderjarige] inmiddels verwezen en aangemeld bij [praktijk] voor onderzoek, diagnostiek en behandeling gericht op zijn genderproblematiek.
4.2.
De moeder heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De moeder ziet [minderjarige] opleven nu hij dagbehandeling krijgt en hij naar [dagbesteding] toe gaat. De moeder vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de oorspronkelijk verzochte duur van een jaar te lang, maar zij kan instemmen met een verlenging van de maatregel voor de duur van zes maanden.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Hoewel de hulpverlening en de betrokkenheid vanuit onder meer [accommodatie] , [zorginstelling] en [dagbesteding] op dit moment goed loopt en de moeder en [minderjarige] hier positief tegenover lijken te staan, is deze hulpverlening in de afgelopen periode moeizaam van de grond gekomen. Dat de hulpverlening nu loopt, is te danken aan de betrokkenheid en de inzet van de GI binnen het gedwongen kader. De positieve ontwikkelingen zijn bovendien nog pril en daarmee kwetsbaar. Het is belangrijk dat de hulpverlening zal blijven doorlopen en dat [minderjarige] in de komende maanden zo goed als mogelijk wordt begeleid richting zijn volwassenheid en dat ervoor wordt gezorgd dat de hulpverlening zal doorlopen nadat hij meerderjarig wordt, of indien nodig op een goede manier zal worden overgedragen aan een andere zorgaanbieder. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de zorgen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn, althans dat deze zorgen nog niet volledig zijn weggenomen, en dat het op dit moment nog te vroeg is om de hulpverlening op vrijwillige basis voort te zetten. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , zoals hierboven weergegeven.
5.4.
De moeder heeft aangegeven dat zij een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar te lang vindt. Zij heeft voorgesteld om de maatregel te verlengen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter wil voorkomen dat de maatregel wordt verlengd voor een te korte duur, met als gevolg dat de GI opnieuw een verlengingsverzoek moet indienen en dat de moeder en [minderjarige] opnieuw worden uitgenodigd voor een zitting dan wel voor een gesprek bij de kinderrechter, met alle spanningen en onrust van dien. De kinderrechter vindt bovendien dat de focus in de komende periode volledig moet komen te liggen op [minderjarige] en niet op het indienen van een eventueel verlengingsverzoek. Overigens kan de ondertoezichtstelling slechts worden verlengd totdat [minderjarige] meerderjarig wordt, waardoor een verlenging voor de duur van een jaar niet mogelijk is. De kinderrechter zal het mondeling gewijzigde verzoek van de GI daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen totdat hij meerderjarig wordt, dus tot 22 mei 2027.
5.5.
De kinderrechter zal deze beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd door de GI, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 3 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.