ECLI:NL:RBZWB:2026:5656

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446736 / JE RK 26-583
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij opa en oma

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn opa en oma aan vaderszijde. De minderjarige is onder toezicht gesteld vanwege zorgen over de opvoedsituaties van beide ouders en een loyaliteitsconflict. De machtiging tot uithuisplaatsing liep oorspronkelijk tot 28 mei 2026.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de ouders en een vertegenwoordiger van de GI gehoord. De minderjarige heeft via zijn jongerencoach zijn mening kenbaar gemaakt, waarin hij aangeeft zich veilig te voelen bij zijn opa en oma, maar het liefst bij zijn moeder wil wonen. De moeder en vader stemmen in met de verlenging, waarbij de moeder benadrukt dat zij voldoende tijd wil krijgen om praktische zaken te regelen bij terugplaatsing.

De kinderrechter overweegt dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, mede vanwege het lopende perspectiefonderzoek dat op 2 juni 2026 besproken zal worden. De GI wordt gemachtigd de uithuisplaatsing te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling op 28 augustus 2026, met de mogelijkheid om eerder terugplaatsing te realiseren. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is direct van kracht.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij opa en oma wordt verlengd tot 28 augustus 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446736 / JE RK 26-583
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. W.G. Nieman uit Leiden,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;
  • het op 20 mei 2026 ontvangen e-mailbericht van de jongerencoach van [minderjarige] vanuit [hulpverlening] .
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Nieman;
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger namens de GI.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien zijn leeftijd, het recht om zijn mening in deze zaak te geven. Hij is daarom uitgenodigd om schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter zijn mening te geven. De jongerencoach vanuit [hulpverlening] heeft met [minderjarige] gesproken over zijn mening in deze zaak. De jongerencoach heeft deze mening op 20 mei 2026 per e-mail aan de rechtbank gestuurd. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met de aanwezigen en hen in de gelegenheid gesteld om in de loop van de zitting daarop te reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 28 augustus 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 28 augustus 2026. Daarnaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de opa en de oma vaderszijde verleend voor de duur van negen maanden, tot 28 mei 2026.
2.3.
Op basis van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] momenteel bij zijn opa en oma (vaderszijde) in [plaats 3] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (naar de kinderrechter begrijpt: in het netwerkpleeggezin van de opa en de oma vaderszijde) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 28 augustus 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] verblijft momenteel met een machtiging tot uithuisplaatsing bij zijn opa en oma (vaderszijde) in [plaats 3] . In de weekenden en tijdens de vakanties verblijft [minderjarige] om en om bij zijn vader dan wel bij zijn moeder. [minderjarige] krijgt begeleiding en ondersteuning vanuit zorgaanbieder [hulpverlening] uit [plaats 3] . Bij de opa en oma vaderszijde is pleegzorgbegeleiding betrokken. [zorgaanbieder 1] is betrokken in de opvoedsituaties van beide ouders voor het verrichten van een onderzoek naar de opvoedcapaciteiten van beide ouders en [zorgaanbieder 2] is betrokken voor het verrichten van een onderzoek naar de meest passende opvoedsituatie voor [minderjarige] (een perspectiefonderzoek) en naar welke hulpverlening het meest passend voor hem zou zijn. Nu het perspectiefonderzoek nog niet is afgerond, is het naar de mening van de GI in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat hij zijn verblijf bij de opa en oma vaderszijde in de komende maanden kan en zal voortzetten. De GI verzoekt daarom om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de opa en oma vaderszijde te verlengen voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Op 2 juni 2026 staat er een adviesgesprek gepland over de uitkomsten van het perspectiefonderzoek. In de komende maanden zal de GI (voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling) uitvoering geven aan die uitkomsten.
4.2.
[minderjarige] heeft per e-mail via zijn coach van Kom uit je boks, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] heeft het goed bij zijn opa en oma. Hij voelt zich veilig bij hen. Maar het liefste wil hij weer bij zijn moeder gaan wonen. Zijn moeder is lief, bij haar thuis is het rustig en daar heeft hij zijn vrienden. Zijn moeder is en blijft zijn moeder. Ook heeft [minderjarige] behoefte aan een vaste plek.
4.3.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder vindt het moeilijk om te horen dat [minderjarige] graag weer bij haar wil wonen. De moeder wil het beste voor [minderjarige] . Het liefste wil de moeder dat [minderjarige] eerder bij haar zal worden teruggeplaatst, maar zij wil ook dat [minderjarige] dit schooljaar op zijn huidige school kan en zal afmaken. De huidige ondertoezichtstelling van [minderjarige] loopt tot 28 augustus 2026, terwijl het nieuwe schooljaar in de regio waar moeder woont op 29 augustus 2026 zal starten. Als [minderjarige] pas op 28 augustus 2026 bij haar zal worden teruggeplaatst, dan heeft de moeder te weinig tijd om allerlei (praktische) zaken voor [minderjarige] op een goede manier te (kunnen) regelen. De moeder kan daarom instemmen met de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling, mits zij voldoende tijd zal krijgen om een en ander voor [minderjarige] goed te (kunnen) regelen.
4.4.
De vader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De vader stemt ook in met de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling, in afwachting van de uitkomsten van het perspectiefonderzoek.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
5.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI en uit huis geplaatst bij zijn opa en oma (vaderszijde), onder meer vanwege zorgen over de opvoedsituaties en -vaardigheden van zijn beide ouders en omdat hij klem zit tussen zijn ouders, waardoor hij in een fors loyaliteitsconflict verkeert. Daarnaast zijn er zorgen over [minderjarige] die mogelijk verband houden met trauma- en hechtingsproblematiek. In de afgelopen periode zijn er verschillende vormen van hulpverlening ingezet voor zowel [minderjarige] als de ouders, en er is een perspectiefonderzoek verricht. Uit dit onderzoek zal duidelijk worden welke opvoedsituatie en welke vorm(en) van hulpverlening het meest tegemoet komt aan wat [minderjarige] nodig heeft. Op 2 juni 2026 zal er een adviesgesprek plaatsvinden over de uitkomsten van het perspectiefonderzoek. Naar aanleiding daarvan zal er duidelijkheid ontstaan op welke plek [minderjarige] het beste verder kan opgroeien: bij de moeder, bij de vader of op een andere plek. De GI zal bepalen welke stappen er gezet zullen moeten worden ter verduidelijking van het perspectief van [minderjarige] en vervolgens daar uitvoering aan geven. Om ervoor te zorgen dat de GI dit traject in de komende maanden zo goed als mogelijk kan vormgeven, is het van belang dat [minderjarige] in die periode bij zijn opa en oma kan blijven wonen. Gelet hierop is de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij zijn opa en oma nog steeds in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , zoals hierboven is weergegeven.
5.4.
De kinderrechter zal daarom het verzoek, dat niet is weersproken, toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij zijn opa en oma (vaderszijde) verlengen voor de verzochte duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 28 augustus 2026. Dat de GI hierdoor wordt gemachtigd om [minderjarige] gedurende die periode uit huis te plaatsen, betekent niet dat de uithuisplaatsing daadwerkelijk tot die datum zal moeten voortduren. Als de GI, naar aanleiding van de uitkomsten van het perspectiefonderzoek en het gesprek daarover, zal inzetten op een terug-/overplaatsing van [minderjarige] , dan kan de GI voormelde periode gebruiken om dat traject op een zo goed als mogelijke manier vorm te geven. De kinderrechter is het eens met de moeder dat, als er in de komende periode zal worden ingezet op een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar, de moeder voldoende tijd zal moeten krijgen om allerlei (praktische) zaken voor [minderjarige] op een goede manier te (kunnen) regelen. De kinderrechter gaat er dan ook van uit dat de GI hier aandacht voor zal hebben.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (in het netwerkpleeggezin van de opa en oma vaderszijde) tot 28 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk vastgesteld en ondertekend op 3 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.