ECLI:NL:RBZWB:2026:5657

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447718 / JE RK 26-763
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarigen wegens bedreiging ontwikkeling en verstoorde oudercommunicatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling, veroorzaakt door onder meer contactverlies met ouders, mogelijke huiselijk geweld en verward gedrag van de vader. De minderjarigen verblijven momenteel bij de moeder. Tijdens de zitting met gesloten deuren werden ook de meningen van de minderjarigen gehoord, die het contact met hun vader misten en de wens uitten voor betrokkenheid van een jeugdbeschermer.

De vader ontkende de zorgen en verzocht afwijzing of beperking van de duur van de ondertoezichtstelling tot zes maanden. De moeder erkende de noodzaak van jeugdbescherming vanwege de moeizame communicatie en zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. De gecertificeerde instelling was bereid de ondertoezichtstelling uit te voeren.

De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling is voldaan, gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarigen en het onvoldoende functioneren van de ouders om deze bedreiging vrijwillig weg te nemen. De ondertoezichtstelling wordt vastgesteld voor zes maanden, met aanhouding van het resterende verzoek tot een nader te bepalen zitting. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en gericht op het herstellen van contact, verbeteren van oudercommunicatie en het bieden van emotionele ondersteuning aan de minderjarigen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht voor zes maanden en houdt het resterende verzoek aan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447718 / JE RK 26-763
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. F.M. Bult te Schinnen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Op voornoemde zitting is eveneens de vordering van de man in de zaak met kenmerk C/02/447198 / KG ZA 26-195 behandeld. In die zaak is bij separate beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op dit moment bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij hebben veel meegemaakt, waaronder de scheiding tussen ouders, contactverlies met de moeder en contactverlies met de vader. Daarnaast is mogelijk sprake van huiselijk geweld in de thuissituatie bij de vader en van verward gedrag bij de vader. De Raad heeft weinig zicht verkregen op de opvoedsituatie bij de vader, maar er zijn wel zorgelijke signalen door hetgeen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld, de politiemeldingen en doordat de partner van de vader plotseling is vertrokken. De vader ontkent deze zorgen, waardoor een gesprek hierover niet mogelijk is en de zorgen niet ontkracht of bevestigd konden worden. Ook is het zorgelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment geen contact hebben met de vader, waarbij de Raad de indruk heeft dat de moeder te weinig onderneemt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het gevoel te geven dat de vader belangrijk is en er mag zijn in hun leven. De Raad acht het niet mogelijk om deze zorgen in het vrijwillige kader weg te nemen. Dit is de ouders in de afgelopen jaren namelijk niet gelukt en gebleken is dat de ouders niet met elkaar communiceren en geen overeenstemming bereiken over de zorgregeling. De zorgen zijn dermate groot dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De Raad acht een ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van een jaar nodig om aan de doelen te werken. Er is namelijk tijd nodig om zicht te verkrijgen op het functioneren en de thuissituatie van de vader en om te bezien hoe de ouders er samen voor kunnen gaan zorgen dat het op langere tijd goed zal gaan met de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.2.
[minderjarige 1] zou het goed vinden als er een jeugdbeschermer betrokken raakt. Hij vindt het namelijk belangrijk dat zijn ouders er samen uit gaan komen zodat zij samen beslissingen kunnen nemen. Ook is het voor [minderjarige 1] belangrijk dat het contact met zijn vader wordt hersteld. Hij heeft zijn vader namelijk al langere tijd niet gezien en mist hem heel erg. Het liefst zou [minderjarige 1] willen dat de co-ouderschapsregeling wordt hervat. Desgevraagd vertelt [minderjarige 1] dat het in de thuissituatie van de vader goed ging, maar dat er ook veel ruzie was tussen zijn vader en zijn inmiddels ex-partner. Als het stiefbroertje van [minderjarige 1] zich daarmee bemoeide, kreeg hij van de vader een klap in zijn gezicht. Vroeger is [minderjarige 1] ook wel eens geslagen door zijn vader, maar dat is niet vaak gebeurd en is al lang geleden. Verder vertelt [minderjarige 1] dat het goed gaat in de thuissituatie van de moeder en dat de relatie met zijn stiefvader is verbeterd. Ook vertelt [minderjarige 1] dat hij soms ruzie heeft met andere kinderen in de buurt en op school. Doordat [minderjarige 1] hier op school vaak de schuld van krijgt en de ander niet, voelt hij zich soms oneerlijk behandeld. Tot slot geeft [minderjarige 1] aan dat hij het fijn zou vinden als wordt uitgezocht of bij hem sprake is van ADHD en/of autisme, zodat zijn ouders daar rekening mee kunnen houden.
4.3.
[minderjarige 2] denkt dat het goed zou zijn als er een jeugdbeschermer betrokken zou raken. De situatie tussen haar ouders is namelijk nog steeds erg lastig. [minderjarige 2] vindt het vooral moeilijk als haar ouders slecht over elkaar praten waar zij bij is, waarbij zij benoemt dat vooral haar vader negatief praat over haar moeder. Ook vindt [minderjarige 2] het lastig dat zij haar vader al langere tijd niet heeft gezien. Zij wil hem graag weer zien, maar zou liever niet terug willen naar de co-ouderschapsregeling. Het liefst wil [minderjarige 2] om de week vier dagen bij haar vader zijn. Desgevraagd vertelt [minderjarige 2] dat het goed gaat in de thuissituatie van haar moeder. In de thuissituatie van de vader ging het meestal ook goed, maar [minderjarige 2] had wel het gevoel dat [minderjarige 1] werd voorgetrokken door de vader. Ook vertelt [minderjarige 2] dat de vader en zijn inmiddels ex-partner heftige ruzies hadden, waar zij last van had.
4.4.
De vader verzoekt primair het verzoek af te wijzen. Hij kan zich namelijk niet vinden in de zorgen die worden genoemd in het raadsrapport en hij is van mening dat er nog voldoende mogelijkheden zijn voor hulpverlening in het vrijwillige kader. Het gaat goed in de thuissituatie van de vader en hoewel er wel discussies zijn geweest tussen de vader en zijn ex-partner, waren dit geen heftige ruzies. De vader heeft steeds het gevoel dat hij zich moet verdedigen tegen bepaalde aantijgingen, terwijl daar geen reden voor is. Daarom heeft de vader geen toestemming gegeven voor contact met de huisarts, maar als dit van belang wordt geacht om de zorgen te ontkrachten zal hij hier alsnog toestemming voor verlenen. Subsidiair verzoekt de vader de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden. Binnen deze zes maanden kan immers zicht worden verkregen op de opvoedsituatie bij de vader en kan worden gestart met het verbeteren van de verstoorde communicatie tussen de ouders. Daarbij benoemt de vader dat hij graag zo snel mogelijk wil gaan samenwerken met de moeder.
4.5.
De moeder wil liever geen ondertoezichtstelling, maar ziet geen andere mogelijkheden dan de betrokkenheid van een jeugdbeschermer. De moeder probeert al geruime tijd hulp te krijgen bij het verbeteren van de communicatie met de vader, maar dat is niet gelukt. Dit komt onder andere doordat de vader afspraken steeds op het laatste moment afzegt. Ook benoemt de moeder dat zij zorgen heeft over de opvoedsituatie bij de vader, onder meer door hetgeen de minderjarigen hebben verteld en doordat de ex-partner van de vader plotseling is vertrokken met haar kinderen.
4.6.
De GI is van mening dat een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passend kan zijn en is bereid de ondertoezichtstelling uit te voeren. Desgevraagd licht de GI toe dat er niet direct een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, waardoor het instroomteam in de eerste periode betrokken zal zijn.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter zal deze beslissing hieronder toelichten.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben namelijk al veel meegemaakt in hun leven, waaronder het uit elkaar gaan van de ouders, een periode van contactverlies met moeder en op dit moment contactverlies met vader. Daarnaast zijn er recent forse zorgen over de opvoedsituatie bij de vader naar voren gekomen, onder meer door verschillende meldingen bij Veilig Thuis, de omstandigheid dat de ex-partner van de vader plotseling is vertrokken naar een geheim adres en de uitspraken die [minderjarige 2] heeft gedaan over huiselijk geweld in de thuissituatie van de vader. Daarbij zijn er ook zorgen over verwardheid bij de vader en over de omstandigheid dat de vader wapens in zijn woning zou hebben. Doordat de vader alle zorgen ontkent, was hierover geen gesprek mogelijk tijdens het onderzoek van de Raad. Hierdoor konden deze zorgen niet ontkracht of bevestigd worden en is er onvoldoende zicht verkregen op de opvoedsituatie van de vader, hetgeen de kinderrechter veel zorgen baart. Ook baart het de kinderrechter zorgen dat er al langere tijd geen contact is tussen de vader en de minderjarigen. Hierdoor worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] namelijk opnieuw geconfronteerd met contactverlies met een van hun ouders en daardoor weten zij niet goed waar zij aan toe zijn.
5.4.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de ouders op dit moment weliswaar bereid maar onvoldoende in staat zijn om deze ontwikkelingsbedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en de noodzakelijke hulpverlening te accepteren. De kinderrechter constateert dat de inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader niet heeft geleid tot structurele verbetering in de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , onder andere doordat afspraken bij de hulpverlening worden afgezegd door de vader. Gebleken is dat de onderlinge oudercommunicatie zeer moeizaam verloopt en dat de ouders geen overeenstemming bereiken, onder andere over de zorgregeling en de inschrijving voor een middelbare school voor de minderjarigen.
5.5.
Op basis van het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat het noodzakelijk is dat hulp en regie in een gedwongen kader wordt ingezet. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom onder toezicht voor de duur van zes maanden. Gelet op de betrokkenheid van het instroomteam, het herstellen van het contact met de vader en de vele zorgen, acht de kinderrechter het van belang een vinger aan de pols te houden. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek aanhouden tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 27 november 2026. De kinderrechter verwacht dat de GI
uiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zittingschriftelijk zal informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling.
5.6.
Tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de onderstaande doelen:
- Er is sprake van Goed Genoeg Ouderschap.
- De vader is veilig en betrouwbaar in contact met de moeder en de minderjarigen.
- De minderjarigen kunnen hun emoties ventileren bij een onafhankelijk persoon.
- De ouders werken samen in het belang van de minderjarigen.
5.7.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie voert en passende hulpverlening inzet om bovenstaande doelen te behalen. De kinderrechter overweegt dat betrokkenheid van het instroomteam, gelet op het contactherstel met de vader en de genoemde zorgen over de opvoedsituatie bij de vader, in deze situatie niet passend is. De kinderrechter verwacht dan ook dat op kortst mogelijke termijn een vaste jeugdbeschermer zal worden betrokken. Verder vindt de kinderrechter het belangrijk dat er in de komende periode meer zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie bij de vader. Daarvoor is het onder meer van belang dat de GI contact zal opnemen met de huisarts van de vader, waarbij de kinderrechter overweegt dat de vader ter zitting heeft toegezegd dat hij daarvoor toestemming verleent. Ook verwacht de kinderrechter dat goed wordt opgevolgd hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat. Het is daarbij belangrijk dat zij bij iemand hun verhaal kunnen doen over wat zij hebben meegemaakt en wat zij daarbij voelen, zodra zij daar aan toe zijn. Tot slot moet samen met de ouders worden bezien hoe de onderlinge oudercommunicatie in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden vormgegeven, waarbij een vorm van ouderschapsbemiddeling passend kan zijn.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 27 mei 2026 en tot 27 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 27 november 2026, tegen welke zitting de Raad, de moeder, (de advocaat van) de vader en de GI dienen te worden opgeroepen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.