ECLI:NL:RBZWB:2026:5659

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/438263 / JE RK 25-1410
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 810 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing met toewerken naar thuisplaatsing minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij een jeugdhulpaanbieder. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en hebben de afgelopen periode positieve stappen gezet richting een thuisplaatsing.

De kinderrechter erkent de inzet van de ouders en het gedeelde perspectief dat de minderjarigen het beste bij de ouders kunnen opgroeien. Tegelijkertijd is er nog onvoldoende zicht op de interactie tussen ouders en kinderen in de thuissituatie, omdat de minderjarigen nog niet thuis verblijven. Daarom acht de kinderrechter een beperkte verlenging van de machtiging noodzakelijk om het contact in de thuissituatie op te bouwen.

De GI handhaaft het verzoek tot verlenging, terwijl de ouders verweer voeren dat de thuissituatie veilig is en een stapsgewijze terugkeer niet nodig is. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt het belang van een geleidelijke opbouw van contact en een verantwoorde thuisplaatsing.

De kinderrechter besluit de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 18 juli 2026, de start van de zomervakantie van de jongste minderjarige, en wijst het resterende deel van het verzoek af. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het contact tussen ouders en kinderen moet in de weekenden worden opgebouwd, met mogelijke uitbreiding voor de oudste minderjarige.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt verlengd tot 18 juli 2026 en het resterende verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/438263 / JE RK 25-1410
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. Z. Yeral te Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. Z. Yeral te Roosendaal.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de kinderrechter over het resterende deel van het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 17 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI van 12 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan mevrouw [persoon] , begeleidster van de ouders, werkzaam bij [hulpverlening] , om aanwezig te zijn tijdens de zitting.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] voorafgaand aan de zitting uitgenodigd om zijn mening te geven over het resterende deel van het verzoek. [minderjarige 1] heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 29 augustus 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 29 augustus 2024 tot 29 augustus 2025. Deze maatregel is bij beschikking van 7 augustus 2025 verlengd tot 29 augustus 2026.
2.3.
Bij beschikking van 28 juli 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 28 juli 2025 en tot 11 augustus 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 11 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van de verzoeken, te weten voor de periode van 11 juni 2026 tot 29 augustus 2026.

4.De nadere standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. De ouders hebben de afgelopen periode goede stappen gezet. Er is door ouders hard gewerkt aan het creëren van stabiele randvoorwaarden en met een passende en zorgvuldig opgebouwde overgang kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. Daarvoor is het eerst nodig dat er zicht word verkregen op de interactie tussen de ouders en de minderjarigen binnen de thuissituatie. Dit is tot op heden onvoldoende gelukt, omdat de minderjarigen niet thuis verblijven. Op korte termijn zal er worden gestart met contact in de thuissituatie in de weekenden. De begeleiding van [organisatie] kunnen de minderjarigen naar de ouders brengen en ze daar weer ophalen. Daarnaast zal er hulpverlening moeten worden ingezet in de thuissituatie van de ouders en bekeken moeten worden of er aanvullend hulpverlening nodig is voor de minderjarigen. Wanneer de weekenden goed verlopen, zullen de contactmomenten vanaf de zomervakantie van [minderjarige 2] verder worden uitgebreid. Vanwege de schoolgang van [minderjarige 2] kan hij doordeweeks niet eerder naar huis. De GI is bereid om bij [minderjarige 1] samen met [organisatie] te kijken of er ook mogelijkheden zijn om het contact met de ouders al eerder uit te breiden. De GI heeft bij de thuisplaatsing als doel dat de minderjarigen duurzaam thuis kunnen blijven. Nu er nog geen zicht is op de interactie in de thuissituatie, vreest de GI dat wanneer de thuisplaatsing niet wordt opgebouwd en uiteindelijk niet goed gaat, de minderjarigen en de ouders daardoor meer zullen worden beschadigd.
4.2.
Door en namens de ouders is verweer gevoerd tegen het resterende deel van het verzoek. De ouders hebben de afgelopen periode hard hun best gedaan om zich aan de afspraken te houden en aan de voorwaarden voor een thuisplaatsing te voldoen. Vanuit de betrokken hulpverlening zijn er enkel positieve signalen en het gaat goed met de ouders in de thuissituatie. Er is dan ook niet langer sprake van een onveilige thuissituatie. De woning van de ouders is structureel netjes en de ouders komen de afspraken na. De ouders delen de zorgen van de GI over een onmiddellijk thuisplaatsing niet en hebben geen reden om aan te nemen dat het verblijf van de minderjarigen in de thuissituatie niet goed zal verlopen. Een stapsgewijze terugkeer van de minderjarigen naar de thuissituatie is dan ook niet nodig. Er zijn geen gevaarlijke situaties. Ook lijden de minderjarigen op de plekken waar zij nu verblijven. [minderjarige 1] is daar doodongelukkig. Hij gaat daar niet naar school en de GI lijkt op dat punt geen actie te ondernemen. De ouders hebben daarentegen geregeld dat [minderjarige 1] bij terugkeer naar de thuissituatie opnieuw in [plaats 2] naar school kan gaan. Daarbij is een recente brand op de verblijfplek van [minderjarige 1] een punt van zorg van de ouders. Zij maken zich daardoor zorgen over de veiligheid van de minderjarigen. De ouders zijn bovendien bereid om de hulpverlening in de thuissituatie toe te laten en weten hulp in te schakelen indien nodig. Vanuit [hulpverlening] wordt de ouders naast de praktische begeleiding, een vorm van relatietherapie geboden in de vorm van een module Partner in Beeld. De ouders merken hierdoor al verbetering in hun manier van communiceren. Het resterende deel van het verzoek kan dan ook worden afgewezen. De resterende termijn van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing kan worden gebruikt om zicht te verkrijgen op het contact in de thuissituatie.
4.3.
De Raad vindt het belangrijk dat er wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van de minderjarigen. De Raad ziet dat de ouders goede stappen hebben gezet. De Raad gunt het de ouders dat het goed blijft gaan en dit is uiteindelijk ook in het belang van de minderjarigen. Voor het realiseren van een thuisplaatsing moeten wel alle omstandigheden, zoals de school en overige randvoorwaarden, goed geregeld zijn. Het benodigde zicht op de interactie tussen de minderjarigen en de ouders kan worden verkregen door het contact in de weekenden en uiteindelijk de uitbreidingen van dit contact naar doordeweeks. Het niet verlengen van de huidige machtiging die geldt tot 11 juni 2026, vindt de Raad een te korte periode. Echter, wanneer het goed gaat in de thuissituatie, hoeft de machtiging niet voor het gehele resterende deel van de ondertoezichtstelling te worden benut. De Raad verwacht dan dat de minderjarigen eind juli 2026 zoveel mogelijk thuis kunnen wonen.

5.De nadere beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Voorop staat dat de kinderrechter ziet dat de ouders de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet en zich ten volste hebben ingezet om te kunnen komen tot een thuisplaatsing van de minderjarigen bij de ouders. De ouders hebben hard aan hun persoonlijke problematiek gewerkt en daarmee laten zien dat zij de belangen van de minderjarigen vooropstellen. Hiervoor verdienen de ouders een groot compliment. Het stemt de kinderrechter dan ook positief dat alle partijen het erover eens zijn dat het perspectief van de minderjarigen bij de ouders is gelegen en dat er de komende periode kan worden gekomen tot een thuisplaatsing van de minderjarigen.
5.3.
Tegelijkertijd maakt de kinderrechter zich ook nog zorgen over de minderjarigen en is er tijd nodig om een thuisplaatsing van de minderjarigen op een verantwoorde en duurzame wijze te kunnen realiseren. De kinderrechter vindt het daarbij belangrijk dat het contact in de thuissituatie eerst wordt opgebouwd. Tot op heden is er nog onvoldoende zicht verkregen op de onderlinge interactie tussen de ouders en de minderjarigen in de thuissituatie. Hiervoor is het van belang dat de minderjarigen tijd doorbrengen met de ouders in de thuissituatie. Dit is nog niet van de grond gekomen en hieruit moet volgen welke eventuele aanvullende hulpverlening er nog moet worden ingezet in de thuissituatie voor de minderjarigen. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de ouders verdere stappen kunnen zetten met hun persoonlijke hulpverlening en in hun onderlinge relatie.
5.4.
Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor nu nog noodzakelijk. De kinderrechter ziet daarbij wel aanleiding om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengen tot aan de start van de zomervakantie van [minderjarige 2] (schoolvakantie regio midden) te weten op 18 juli 2026. Het resterende deel van het verzoek wijst de kinderrechter af. Hoewel de kinderrechter de zorgen van de GI begrijpt, vreest de kinderrechter ervoor dat de spanning bij de ouders door het aanhouden van het verzoek verder zal toenemen, hetgeen niet in het belang van de minderjarigen moet worden geacht.
5.5.
Ten einde de thuisplaatsing van de minderjarige duurzaam te doen slagen, zal het contact tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de ouders in de thuissituatie de komende periode moeten worden opgebouwd, zodat er op korte termijn zicht komt op de interactie tussen de ouders en de minderjarigen in de thuissituatie. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat hiermee zo spoedig mogelijk wordt gestart in de weekenden. Een complicerende factor bij een eventuele versnelde thuisplaatsing is er bovendien in gelegen dat [minderjarige 2] op het moment naar school gaat in de regio waarin hij verblijft. Het is niet in het belang van [minderjarige 2] om hierin, zo kort voor het einde van het schooljaar, veranderingen aan te brengen. [minderjarige 2] (en [minderjarige 1] ) hebben het afgelopen jaar immers al veel ingrijpende gebeurtenissen en veranderingen meegemaakt. Nu [minderjarige 1] thans niet naar school gaat, dient het contact tussen de ouders en [minderjarige 1] naar het oordeel van de kinderrechter niet te worden beperkt tot enkel de weekenden. Wanneer de weekenden goed verlopen, kan er voor [minderjarige 1] reeds worden gestart met een verdere opbouw van het contact tussen hem en de ouders in de thuissituatie. De kinderrechter gaat ervanuit dat de mogelijkheden die hiertoe bestaan worden onderzocht en worden benut. Ook gaat de kinderrechter ervanuit dat de ouders de persoonlijke hulpverlening en begeleiding, die onder meer ziet op de relatie tussen de ouders, ook de komende periode zullen blijven voortzetten.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld
5.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 juni 2026 en tot 18 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.