ECLI:NL:RBZWB:2026:5663

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/434344 FA RK 25-1971
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie na verbreking samenleving

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek over het hoofdverblijf, de zorgregeling en kinderalimentatie na het verbreken van de relatie tussen partijen met twee minderjarige kinderen.

Beide ouders verzochten het hoofdverblijf van de kinderen bij zich te bepalen. De vrouw woonde met de kinderen in de voormalige gezinswoning, terwijl de man bij zijn moeder woonde. De rechtbank nam het advies van de Raad voor de Kinderbescherming over dat het belang van de kinderen het meest gediend is met het hoofdverblijf bij de vrouw, mede vanwege de school, vrienden en sociale omgeving van de kinderen.

De zorgregeling werd vastgesteld op omgang om de week van vrijdag tot zondag bij de vader, met aanvullende afspraken over vakantie- en feestdagen. De man werd verplicht een minimale kinderalimentatie van 25 euro per kind per maand te betalen, ondanks zijn financiële situatie en bewindvoering.

De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en compenseerde de proceskosten zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder, stelt een omgangsregeling vast en legt een minimale kinderalimentatie van 25 euro per kind per maand vast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/434344 FA RK 25-1971
datum uitspraak: 27 mei 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S. Kievit,
en
[de man],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. H. Devkinandan,
gemachtigd door de bewindvoerder van de man, [persoon] ( [organisatie] B.V.).
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
­ het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 16 april 2025;
­ het aanvullend verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 7 november 2025;
­ het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man met bijlage, ontvangen op 10 november 2025;
­ het verkort proces-verbaal van de zitting van 14 november 2025;
­ het verweerschrift van de man met bijlagen, ontvangen op 20 januari 2026;
­ de F-formulieren van mr. Kievit met bijlage(n), ontvangen op 8, 13 en 15 april 2026;
- de F-formulieren van mr. Devkinandan met bijlage(n), ontvangen op 13, 14 en 15 april 2026.
1.2 De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 16 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3 De minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft een brief (keuzeformulier) gestuurd naar de rechtbank, die werd ontvangen op 20 maart 2026. In de brief heeft [minderjarige 1] vermeld dat de inhoud ervan niet aan zijn ouders mag worden verteld. De kinderrechter heeft aan deze wens van [minderjarige 1] gehoor gegeven.
1.4 Na de zitting is, op verzoek van en met instemming van de rechtbank, op 13 mei 2026 een bericht van de bewindvoerder van de man ontvangen waarin de bewindvoerder bevestigt dat mr. Devkinandan is gemachtigd om verweer te voeren in deze procedure waar het gaat om het verzoek ter zake van de onderhoudsbijdrage.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats] , hierna ook: [minderjarige 1] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] , hierna ook: [minderjarige 2] .
2.2
De man heeft de kinderen erkend.
2.3
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4
De kinderen verblijven bij de vrouw.
2.5
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 21 juli 2025 (kenmerk C/02/437496 /KG ZA 25-358) is onder meer een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald. De man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn voorlopig gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar:
  • éénmaal per twee weken van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de man de kinderen op vrijdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw hen op zondag bij de man ophaalt;
  • éénmaal per twee weken, in de weken waarbij de kinderen in het weekend bij de vrouw zijn, op woensdag van 12:30 uur tot 17:00 uur, waarbij het contact plaatsvindt bij de vrouw thuis of elders in [plaats 2] .
Voorwaarde bij deze voorlopige zorgregeling is dat de man ervoor zorgdraagt dat [minderjarige 2] naar haar zwemlessen blijft gaan en dat de vrouw zal proberen de zwemlessen van [minderjarige 2] te verplaatsen naar de zaterdagochtend of woensdagmiddag.
2.6
Bij beschikking van de kantonrechter in de Rechtbank Den Haag van 4 augustus 2025 zijn de goederen van de man tot 16 augustus 2030 onder bewind gesteld en is [organisatie] B.V. tot bewindvoerder benoemd.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt, samengevat:
­ te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben;
­ een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de kinderen in die zin dat de kinderen ieder eerste weekend van de maand bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen op vrijdag om 15:00 uur bij de vrouw thuis ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag om 15:00 uur bij (de moeder van) de man thuis ophaalt,
­ dan wel een andere beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van de kinderen geraden acht;
­ te bepalen dat de man gehouden is met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift een maandelijkse bijdrage aan de vrouw te betalen ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 63,= per kind, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
­ een beslissing te nemen over de proceskosten.
3.2
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt deze af te wijzen.
De man verzoekt zelfstandig, samengevat:
­ primair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn;
en subsidiair, voor het geval dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw wordt bepaald:
­ te bepalen dat de kinderen om de week van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man zullen zijn, waarbij de man de kinderen op vrijdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag bij de man ophaalt;
­ te bepalen dat de kinderen de helft van de vakantie- en feestdagen bij de man zullen zijn.
3.3
De vrouw is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de man. Zij verzoekt deze af te wijzen.
3.4
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Hoofdverblijf en zorgregeling
4.1
De rechtbank zal eerst de verzoeken van partijen met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling beoordelen, omdat de beslissing daarover gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek van de vrouw over kinderalimentatie.
Wettelijk kader
4.2
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van lid 2 van dit wetsartikel kan de rechtbank een regeling treffen voor de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken en beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijf heeft.
Standpunten
4.3
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Partijen hebben gedurende veertien jaar een relatie met elkaar gehad. Van mei 2022 tot januari 2025 hebben zij samengewoond. Na het verbreken van de relatie is de vrouw met de kinderen van partijen in de voormalige gezinswoning in [plaats 2] blijven wonen. De man is ingetrokken bij zijn moeder in [plaats 1] . Er is weinig ruimte bij de moeder van de man. Als de kinderen bij de man zijn, slapen zij daar samen met hem in één bed. Vooral voor [minderjarige 1] van veertien jaar is het lastig om samen met zijn vader en zus van vijf jaar in één kamer te slapen. Het is niet wenselijk dat de kinderen daar hun hoofdverblijf hebben.
Het is in het belang van de kinderen dat zij hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. De kinderen gaan naar school in [plaats 2] en hebben daar hun vrienden. De vrouw is ook de hoofdverzorger van de kinderen. De man toont weinig betrokkenheid. Door de slechte communicatie tussen partijen lukt het hen niet om samen afspraken te maken over de zorgregeling voor de kinderen. Op het moment van het indienen van het verzoekschrift op
16 april 2025 hadden de man en de kinderen elkaar voor het laatst gezien in februari 2025.
Het klopt dat de kinderen eind 2025 vaak ziek zijn gemeld bij school, maar dat gaat nu een stuk beter. In november 2025 was [minderjarige 2] ernstig ziek en is zij in het ziekenhuis opgenomen. Ook de vrouw had eind 2025 ernstige gezondheidsproblemen, waardoor zij met de kinderen bij haar ouders in [plaats 3] heeft verbleven. In die periode hebben de kinderen veel schooldagen gemist, maar de vrouw had toen wel geregeld dat de kinderen les op afstand konden krijgen. Die situatie is nu achter de rug. Doordeweeks verblijft de vrouw met de kinderen in [plaats 2] . Zij werkt in [plaats 4] . In het weekend gaan de vrouw en de kinderen zo nu en dan naar familie in [plaats 3] , maar zij brengen ook weekenden in [plaats 2] door. De vrouw heeft geen plannen om met haar huidige vriend samen te gaan wonen. Zij vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] de middelbare school in [plaats 2] kan afmaken.
De man betrekt de kinderen in de strijd tussen partijen. Vooral [minderjarige 1] wordt door de man bestookt met vragen over de vrouw. [minderjarige 1] staat zo tussen partijen in en dat vindt hij moeilijk. De man maakt ook schermopnames van videobelgesprekken met de kinderen, als bewijs in deze procedure. Het is heel jammer dat hij deze gesprekken voor dat doeleinde gebruikt. De vrouw vindt het overigens wel belangrijk dat de kinderen contact kunnen hebben met hun vader in het kader van een zorgregeling. Gelet op de woonsituatie van de man verzoekt zij een regeling vast te leggen waarbij de kinderen contact hebben met de man gedurende één weekend per maand.
4.4
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De man maakt zich grote zorgen over de kinderen en over hun ontwikkeling. De man heeft de kinderen tussen 15 november 2025 en 10 december 2025 niet gezien omdat de kinderen ziek zouden zijn geweest. De kinderen worden door de vrouw vaak ziekgemeld; er is sprake van een hoog schoolverzuim. De man heeft geen stukken gezien waaruit blijkt dat de vrouw en kinderen eind 2025 ziek waren. Hij heeft eerder gehoord dat de leerplichtambtenaar moest worden ingeschakeld. Ook nu meldt de vrouw de kinderen zo nu en dan ziek. Vanwege zijn grote zorgen heeft de man zich genoodzaakt gezien om bewijs te verzamelen over de situatie van de kinderen. De man voelt zich op dit moment niet gehoord in de zorgen die hij heeft over het hoge ziekteverzuim van de kinderen en hun afwezigheid op school. Gelet op de zorgen zoals die blijken uit het dossier ligt het in de rede dat de Raad onderzoek zal doen.
De vrouw verblijft met de kinderen veel bij haar familie in [plaats 3] . Zij heeft nu een relatie met een man die in [plaats 5] woont en zij is ook veel bij hem. De man volgt de locaties van de kinderen via het mobiele netwerk en kan zien dat zij soms op maandag nog in [plaats 3] zijn. De vrouw sleept de kinderen van de ene plek naar de andere.
Ook laat de vrouw [minderjarige 1] vaak alleen in de woning in [plaats 2] . In [plaats 2] hebben partijen geen netwerk. Omdat de kinderen al veel in de regio [plaats 3] verblijven, kunnen zij voortaan bij de man wonen. De man heeft al uitgezocht naar welke school zij kunnen gaan en wie bijvoorbeeld hun huisarts kan zijn. Bij de man zullen de kinderen meer rust hebben. Als de kinderen hun hoofdverblijf bij de man krijgen, zal hij er voor zorgen dat zij een eigen kamer krijgen. In de huidige situatie slaapt [minderjarige 2] tijdens de contactmomenten bij de man in bed, [minderjarige 1] heeft een eigen bed. [minderjarige 1] zou nu al op een eigen kamer kunnen slapen, maar dat wil hij niet.
De man woont nu nog bij zijn moeder in [plaats 1] . Daar is voldoende ruimte voor de kinderen. Het gaat om een woning met vijf kamers. Mogelijk gaat de moeder van de man verhuizen en kan hij de woning overnemen. De kinderen hebben eerder in [plaats 1] gewoond en zijn daar naar school gegaan. De man heeft tijdens de relatie van partijen altijd het grootste deel van de zorg voor de kinderen op zich genomen. De vrouw werkte tijdens de relatie van partijen, de man niet. Inmiddels heeft de man werk, maar hij kan dit werk goed combineren met de zorg voor de kinderen en zijn moeder en een nicht kunnen helpen.
Mocht de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw bepalen, dan moet de huidige (voorlopige) zorgregeling worden aangepast. De man heeft inmiddels werk en is daardoor niet meer in staat om in het kader van de voorlopige zorgregeling op woensdagen naar [plaats 2] te komen voor het contactmoment met de kinderen. De kinderen hebben overigens wel behoefte aan meer contact met de man.
4.5
De Raad heeft, samengevat, geadviseerd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw dienen te hebben en dat voor het contact tussen de man en de kinderen een zorgregeling zal dienen te gelden waarbij de man en de kinderen elkaar vaker dan één weekend per maand zien.
De Raad heeft zijn zorgen geuit over de houding van de man. De man lijkt er vooral op gericht te zijn om te bewijzen hoe slecht de kinderen het hebben bij de vrouw en zoekt daarin de grenzen van privacy schending op. Hij maakt forse verwijten jegens de vrouw, maar de Raad mist stukken ter onderbouwing. Uit het dossier blijkt dat er vroeger zorgen waren over de kinderen. Op dit moment gaat het alleen om schoolverzuim. De Raad benadrukt dat de school en de leerplichtambtenaar wat betreft het schoolverzuim een eigen taak hebben. Zij hebben zelf de mogelijkheid en ook de plicht om actie te ondernemen als het niet goed gaat. Daar is nu niets van gebleken. De Raad heeft grote zorgen als het hoofdverblijf van de kinderen voortaan bij de man zal zijn. Dat zal een grote verandering voor de kinderen met zich brengen, die nu al geruime tijd hun sociale leven en vertrouwde omgeving in [plaats 2] hebben. Ook vraagt de Raad zich af of de man in staat is de kinderen te huisvesten, gezien zijn woonsituatie en financiële situatie. De Raad vermoedt dat de kinderen in het kader van de contactmomenten behoefte hebben aan een eigen plek bij de man. De man zou het creëren daarvan niet moeten laten afhangen van de beslissing van de rechtbank over het hoofdverblijf. De Raad houdt bij zijn advies in deze zaak wel een slag om te arm voor het geval uit de brief van [minderjarige 1] aan de rechtbank zou blijken dat hij heel graag bij zijn vader wil wonen. Als de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht acht, is de Raad bereid om een onderzoek te doen.
De zorgregeling die door de vrouw is verzocht, vindt de Raad erg summier. Contact tussen de kinderen en de man gedurende een weekend per veertien dagen zou beter zijn, tenzij de kinderen daartegen grote bezwaren hebben geuit. Verder raadt de Raad partijen aan om zich aan te melden voor hulpverlening in het vrijwillig kader, gelet op de slechte oudercommunicatie en het onderlinge wantrouwen.
Beoordeling
4.6
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en ziet in de omstandigheden zoals die namens de man zijn aangevoerd onvoldoende aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten. De rechtbank volgt het advies van de Raad dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw. De kinderen gaan in [plaats 2] naar school en hebben daar hun vrienden. Weliswaar blijkt uit de stukken dat de kinderen dit schooljaar 2025-2026 vaak werden ziekgemeld, vooral in 2025. Dat is zorgelijk. Evenwel staat niet vast wat de oorzaak was van deze ziekmeldingen. De man lijkt te suggereren dat de kinderen vaak niet echt ziek zijn en dat de vrouw hen ziekmeldt omdat zij dan met de kinderen in de regio [plaats 3] is. Voor de rechtbank is dit niet komen vast te staan. De op 13 april 2026 ontvangen stukken van de man onderschrijven het beeld wat de man van de huidige situatie schetst, niet. Ook staat niet vast dat het wat betreft het aantal ziekmeldingen beter zal gaan als de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben.
4.7
Naar het oordeel van de rechtbank denkt de man verder te licht over de gevolgen die een verandering van hoofdverblijfplaats voor de kinderen tot gevolg zal hebben. Zeker voor een jongen als [minderjarige 1] , die 14 jaar oud is en naar de middelbare school gaat, zal een verhuizing vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] zeer ingrijpend zijn, maar ook voor [minderjarige 2] verandert er dan (te) veel. Bij een wijziging van het hoofdverblijf naar [plaats 1] worden de kinderen wat betreft school en vrienden weggehaald uit hun vertrouwde omgeving. Ook lijkt de man onvoldoende te hebben nagedacht over de praktische gevolgen van het wonen van de kinderen bij hem in [plaats 1] en de wijze waarop hij de zorg voor de kinderen en zijn werk zal combineren. Als de kinderen bij de man in [plaats 1] wonen, is het belangrijk dat hij zelf het grootste gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich neemt en dat niet overlaat aan zijn moeder of een nicht. Daarbij komt dat de man op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in de manier waarop hij de vrouw zou willen betrekken in de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de situatie dat de kinderen hun hoofdverblijf bij hem zouden hebben. De man heeft de rechtbank enkel verzocht het hoofdverblijf bij hem te bepalen. Hij heeft geen verzoek geformuleerd met betrekking tot een regeling voor het contact tussen de kinderen en de vrouw in die situatie, terwijl ook de vrouw een belangrijke rol heeft in het leven van de kinderen.
4.8
Alles afwegende, is rechtbank van oordeel dat het belang van de kinderen het meest is gediend bij een hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw. De rechtbank zal het hoofdverblijf daarom bij haar bepalen.
4.9
Voor het contact tussen de man en de kinderen zal de rechtbank een zorgregeling bepalen overeenkomstig het subsidiaire verzoek van de man. Die regeling houdt in dat de kinderen om de week van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man zullen zijn, waarbij de man de kinderen op vrijdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag bij de man ophaalt. De man heeft ook verzocht om contact met de kinderen gedurende de helft van de vakantie- en feestdagen. Op dit moment verblijven de kinderen niet gedurende de helft van de schoolvakanties bij de man en het is niet duidelijk of de man in staat is daar uitvoering aan te geven. Daarom zal de rechtbank bepalen dat het contact zal plaatsvinden tijdens een gedeelte van de schoolvakanties en feestdagen. Dit wordt in het belang van de kinderen geacht. Over de verdere invulling hiervan zullen partijen in onderling overleg nadere afspraken moeten maken.
4.1
Tot slot geeft de rechtbank, met de Raad, partijen dringend in overweging om in het vrijwillig kader hulp in te schakelen om te komen tot verbetering van de onderlinge communicatie als ouders en vermindering van het onderlinge wantrouwen. Uit de dynamiek tussen partijen, zoals die volgt uit de stukken en ook op de zitting waarneembaar was, blijkt dat sprake is van grote spanningen en een verstoorde ouderrelatie. De rechtbank vreest dat dit grote gevolgen heeft voor de kinderen en in de weg staat aan een ongestoorde ontwikkeling naar volwassenheid. De kinderen staan nu als het ware tussen de ouders in en worden ingezet om bewijs tegen de andere ouder te verzamelen. Het is van groot belang dat dit per direct stopt en dat de kinderen met beide ouders een onbelast contact kunnen hebben.
Kinderalimentatie
4.11
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen. Zij verzoekt een bijdrage van € 63,= per kind per maand. Voor zover de rechtbank tot de slotsom komt dat de man geen draagkracht heeft, vindt de vrouw dat hij in elk geval de minimale bijdrage van € 25,= per kind per maand moet voldoen.
4.12
De man heeft zich in het verweerschrift van 20 januari 2026 op het standpunt gesteld dat het verzoek om kinderalimentatie door de vrouw onvoldoende is onderbouwd en daarom moet worden afgewezen. Daarnaast voert hij aan dat hij onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen. De man stelt dat hij kampt met schulden en onder bewind staat. Volgens de man geeft de bewindvoerder aan dat er geen ruimte is voor het betalen van kinderalimentatie, ook niet voor de minimumbijdrage van € 25,= per maand per kind. Er zijn veel schuldeisers die betaald moeten worden. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
4.13
De rechtbank acht het op basis van de door de vrouw overgelegde stukken, in het bijzonder de producties 7 en 8, aannemelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man. Er dient daarom een onderzoek plaats te vinden naar de behoefte van de kinderen en de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen.
Ingangsdatum
4.14
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de eventueel toe te wijzen kinderalimentatie beoordelen.
4.15
De vrouw stelt dat voor de ingangsdatum moet worden uitgegaan de datum van indiening van het verzoekschrift. De man vindt dat moet worden gekozen voor de datum van de beschikking in deze procedure.
4.16
Op grond van artikel 1:402 BW Pro heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Volgens vaste jurisprudentie geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
4.17
De rechtbank acht het redelijk om in deze zaak als ingangsdatum de datum van deze beschikking te hanteren. Bij een eerdere ingangsdatum zal de man mogelijk direct al met een betalingsachterstand worden geconfronteerd. Ook heeft de rechtbank bij deze beslissing betrokken de verstandhouding tussen partijen, die door een dergelijke betalingsachterstand alleen maar verder onder druk zal komen te staan.
Behoefte van de kinderen
4.18
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.19
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het eens zijn over de behoefte van de kinderen. Partijen zijn daarbij uitgegaan van het inkomen in het jaar 2022. Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de kinderen in 2022 € 590,= per maand was. Deze behoefte is gebaseerd op een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.882,= per maand (netto besteedbaar inkomen van de man van nihil, van de vrouw als zelfstandig ondernemer van
€ 2.667,= en een kindgebonden budget van € 214,= per maand). Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen
€ 691,=per maand en geïndexeerd naar 2026 € 722,= per maand. De rechtbank zal hiervan uitgaan.
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
4.2
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij ieders draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. Gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde stukken zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht uitgaan van de gegevens over 2025. Gesteld noch gebleken is dat het inkomen van partijen in 2026 substantieel afwijkt van dat in 2025.
Draagkracht van de vrouw
4.21
Tijdens de zitting zijn partijen het eens geworden over de draagkracht van de vrouw. Afgesproken is dat deze op basis van de gegevens uit 2025 (zij is doktersassistente bij [bedrijf 1] B.V, parttimefactor 84,21%), kan worden vastgesteld op het gemiddelde van € 903,= en € 919,=, dus op
€ 911,=per maand.
Draagkracht van de man
4.22
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De man heeft volgens de salarisspecificaties over de maanden oktober, november en december 2025 een inkomen van € 2.200,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag (werkzaam bij [bedrijf 2] B.V., 32 uur per week). Hierop dient het werknemersdeel van de pensioenpremie van € 40,= per maand in mindering te worden gebracht. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2025 op een bedrag van € 2.193,= per maand. Daarmee is sprake van een NBI dat hoger is dan de grens van € 2.125,= in de draagkrachttabel voor 2025.
4.23
Van de zijde van de vrouw is gesteld dat de man bij zijn moeder woont en dus geen woonlasten heeft. Subsidiair heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de draagkracht van de man hooguit rekening kan worden gehouden met de werkelijke woonlasten van de man. Volgens zijn verklaring op zitting betaalt de man maandelijks een bedrag van € 450,= aan zijn moeder ter zake van woonlasten.
De man stelt zich evenwel op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de (hogere) forfaitaire woonlast.
Voldoende is komen vast te staan dat de man, ondanks dat hij bij zijn moeder woont, woonlasten heeft. De rechtbank stelt (zoals hierna zal blijken) vast dat er, mede gelet op de draagkracht van de vrouw, geen tekort aan draagkracht is en volledig in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien. Gelet hierop zal de rechtbank overeenkomstig de vaste rechtspraak bij het berekenen van de draagkracht van de man niet uitgaan van “duurzaam aanmerkelijk lagere” woonlasten, maar van het zogeheten woonbudget. Gelet op het inkomen van de man gaat het om een bedrag van € 658,= per maand (2025).
4.24
Van de zijde van de man is ook gesteld dat sprake is van een forse schuldenlast van ongeveer € 77.000,= waaronder een studieschuld aan DUO van naar schatting € 66.000,=. Hij stelt dat met (de aflossing op) deze schulden rekening moet worden gehouden bij de bepaling van zijn draagkracht. Van de zijde van de vrouw is betwist dat sprake is van schulden. De advocaat van de vrouw heeft de rechtbank erop gewezen dat de man zijn stelling hierover niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank constateert dat namens de man stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat hij onder bewind is gesteld ‘wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden’. Uit die stukken blijkt evenwel niet of en in welke mate sprake is van een veelheid aan schulden, wat de aard is van die schulden, wanneer deze zijn ontstaan, wat de aflossingsverplichting is en op welke wijze er concreet rekening mee moet worden gehouden bij de berekening van zijn draagkracht. Dit had wel, mede gelet op de betwisting door de vrouw, op zijn weg gelegen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man dat sprake is van schulden die moeten worden betrokken bij de berekening van zijn draagkracht.
4.25
Uitgaande van de hiervoor staande uitgangspunten is de draagkracht van de man ten behoeve van het betalen van kinderalimentatie:
€ 158,=per maand (cijfers 2025). De rechtbank verwijst naar de berekening die als bijlage bij deze berekening is gevoegd. Die berekening maakt deel uit van deze beschikking.
Draagkrachtvergelijking
4.26
De totale draagkracht van partijen bedraagt op basis van de cijfers uit 2025 samengeteld € 1.069,= (namelijk € 911,= en € 158,=). De draagkracht van partijen overstijgt daarmee de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 691,= per maand (2025).
4.27
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: (€ 158 / € 1.069) x € 691 =
€ 102,=per maand
het aandeel van de vrouw bedraagt: (€ 911 / € 1.069) x € 691 =
€ 589,=per maand.
Zorgkorting
4.28
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 15%. Nu de behoefte van de kinderen € 691,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 104,= per maand. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen zou dan uitkomen op nihil. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de minimale bijdrage vast stellen van € 25,= per maand per kind.
Conclusie
4.29
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 25,= per maand per kind.
Algemene overwegingen
4.3
De beslissing over het hoofdverblijf, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie zal, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover voor alle partijen duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.31
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5.De beslissing:

De rechtbank:
5.1
bepaalt dat de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
5.2
bepaalt – in wijziging op de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen zoals die is neergelegd in het vonnis in kort geding van 21 juli 2025 in de zaak met kenmerk C/02/437496 /KG ZA 25-358 – dat de man en de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar éénmaal per twee weken van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de man de kinderen op vrijdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag bij de man ophaalt, en daarnaast tijdens een deel van de schoolvakanties en feestdagen, waarover de man en de vrouw samen verdere afspraken zullen maken;
5.3
bepaalt dat de man vanaf de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 25,= (vijfentwintig euro) per maand per kind;
5.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Laenen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.