ECLI:NL:RBZWB:2026:5664

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448330 / JE RK 26-866
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265a BWArt. 1:265b BWArt. 800 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging uithuisplaatsing bij moeder ondanks voorlopige ondertoezichtstelling

In deze zaak heeft de kinderrechter op 27 mei 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken voor de minderjarige, die sinds kort weer bij haar moeder woont. De Raad voor de Kinderbescherming had verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder, mede vanwege zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige bij zowel de moeder als de stiefvader. De minderjarige had wisselende verblijfplaatsen gehad en verbleef sinds september 2025 bij de stiefvader, maar is recent door de moeder opgehaald.

Tijdens de zitting zijn de moeder, stiefvader, hun advocaten en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling gehoord. De minderjarige heeft haar mening gegeven en aangegeven bij haar moeder te willen blijven wonen, ondanks zorgen over haar situatie. De Raad onderbouwde het verzoek met ernstige zorgen, waaronder mogelijke seksuele grensoverschrijding door de stiefvader, loverboyproblematiek en een verstoorde relatie tussen de ouders.

De kinderrechter oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige wordt bedreigd en dat de ouders onvoldoende in staat zijn deze zorgen weg te nemen. Daarom is een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk. Echter, omdat de minderjarige feitelijk bij haar moeder woont en de moeder en stiefvader bij het verbreken van hun relatie hadden afgesproken dat de minderjarige bij de moeder woont, is voor de plaatsing bij de moeder geen machtiging tot uithuisplaatsing vereist. Het verzoek tot machtiging werd daarom afgewezen.

De kinderrechter benadrukte dat de moeder haar opmerkingen over het raadsrapport aan de Raad moet doorgeven en dat de Raad een onderzoek zal verrichten naar een mogelijke definitieve ondertoezichtstelling. De zaak kan in hoger beroep worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling wordt toegewezen, maar het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder wordt afgewezen omdat de minderjarige daar informeel haar hoofdverblijfplaats heeft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448330 / JE RK 26-866
Datum uitspraken: 27 mei 2026 (voorlopige ondertoezichtstelling)
: 2 juni 2026 (machtiging tot uithuisplaatsing)
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] (Overijssel),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.S. Flokstra uit Oldenzaal,
[de stiefvader],
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J. van Rooijen uit Tilburg,
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDZORG EN RECLASSERING, gevestigd te Utrecht, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 19 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het op 26 mei 2026 ontvangen bericht van mr. Flokstra, met bijlagen.
1.2.
Op 27 mei 2026 heeft de kinderrechter het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn de stiefvader, zijn advocaat en een vertegenwoordigster namens de Raad fysiek verschenen en gehoord in de zittingszaal. Daarnaast zijn de moeder, haar advocaat en een vertegenwoordigster namens de GI digitaal verschenen en gehoord via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams. De moeder en haar advocaat zaten bij elkaar in dezelfde ruimte.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. [minderjarige] heeft op 26 mei 2026 haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter dat eveneens digitaal via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams heeft plaatsgevonden. Op verzoek van [minderjarige] was haar begeleidster, [naam] , daarbij aanwezig. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met de aanwezigen en hen in de gelegenheid gesteld om in de loop van de zitting daarop te reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] heeft in de afgelopen periode wisselende verblijfplaatsen gehad. Sinds september 2025 verbleef [minderjarige] bij de stiefvader. In de nacht van 17 mei 2026 heeft de moeder [minderjarige] bij de stiefvader opgehaald en meegenomen. [minderjarige] verblijft sindsdien bij haar moeder in [woonplaats 1] .
2.3.
Bij voormelde, in deze zaak gegeven beschikking van 19 mei 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is er een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, in dit geval bij de moeder, voor de duur van twee weken, dus tot 2 juni 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden tot de zitting op 27 mei 2026. Deze beslissing is onverwijld gegeven, oftewel zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hun mening daarover te geven.

3.Het verzoek van de Raad en de onderbouwing daarvan

3.1.
De kinderrechter dient, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening in deze zaak te geven, te beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de spoedbeslissing van 19 mei 2026 met onmiddellijke ingang dient te worden herroepen.
3.2.
Aan de orde is nog het verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI en om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, in dit geval bij de moeder, met ingang van 2 juni 2026 tot 19 augustus 2026, en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De Raad heeft ter onderbouwing van zijn verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. In de opvoedsituaties van zowel de moeder als de stiefvader zijn er zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] . De zorgen over de situatie bij de moeder zien op de fysieke bejegening, opsluiting en het verlies van autonomie van [minderjarige] . Daarnaast zijn er recente signalen dat [minderjarige] zich bij haar moeder niet veilig zou voelen. De zorgen over de situatie bij de stiefvader zien onder meer op het gebrek aan ouderlijk toezicht. Bovendien heeft [minderjarige] tijdens gesprekken met de Raad zorgwekkende uitspraken gedaan over de stiefvader met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag richting haar. Deze zorgen zijn nog niet verder onderzocht, maar vereisen gezien de aard en de ernst daarvan wel direct nader onderzoek. Daarnaast is er sprake van een ernstig verstoorde en conflictueuze relatie tussen de moeder en de stiefvader. Als gevolg hiervan zit [minderjarige] structureel klem tussen haar ouders en wordt zij belast met volwassenenproblematiek en door loyaliteitsconflicten. Over [minderjarige] zijn er tot slot zorgen, nu zij mogelijk in een loverboycircuit verkeert. Zo is [minderjarige] bij een meerderjarige man in Antwerpen aangetroffen die bij de politie bekend is vanwege zedendelicten. Nu er sprake is geweest van wegloopgedrag en van een mogelijke beïnvloeding, wordt haar kwetsbaarheid voor uitbuiting en manipulatie door de Raad als verhoogd ingeschat.
3.4.
Naar de mening van de Raad zijn zowel de moeder als de stiefvader als gezaghebbende ouders van [minderjarige] in ieder geval onvoldoende in staat gebleken om gezamenlijk de veiligheid van [minderjarige] voldoende te waarborgen. Daarbij komt dat zij beiden beperkt samenwerken met de hulpverlening en dat zij niet in staat zijn om gezamenlijk tot overeenstemming en beslissingen te komen. De vrijwillige hulpverlening die in de afgelopen periode is ingezet, is ontoereikend gebleken voor het wegnemen dan wel het voorkomen van (het verergeren van) bovengenoemde zorgen. Ook is het, naar de mening van de Raad, vanwege de acute veiligheidsrisico’s noodzakelijk dat er direct strakke regievoering wordt ingezet. De Raad is daarom van mening dat een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk is.
3.5.
De Raad vindt een plaatsing van [minderjarige] bij haar moeder, onder de strikte voorwaarde dat er direct passende en intensieve hulpverlening en regievoering ambulant wordt ingezet, op dit moment het meest passend en in het belang van [minderjarige] . De Raad betrekt hierbij dat [minderjarige] momenteel feitelijk bij haar moeder verblijft, dat er geen direct uitvoerbaar alternatief in het netwerk beschikbaar is, dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de (opvoed)situatie bij de stiefvader en dat het van belang is dat [minderjarige] stabiliteit en continuïteit in haar verblijf ervaart, om verdere escalaties te voorkomen. Bovendien heeft [minderjarige] op dit moment stellig aangegeven dat zij bij haar moeder wil blijven en dat zij niet wil terugkeren naar haar stiefvader. Gelet hierop is de Raad van mening dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij haar moeder in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is.
3.6.
De Raad benadrukt tot slot dat het belangrijk is voor [minderjarige] dat beide ouders haar ondersteunen in haar wens dat zij nu bij haar moeder wil wonen. In de komende periode zullen de (on)mogelijkheden voor het contact tussen de stiefvader en [minderjarige] door de GI onderzocht moeten worden. De Raad zal in de komende maanden een onderzoek verrichten naar de noodzaak van een definitieve ondertoezichtstelling en eventueel een daartoe strekkend verzoek indienen bij de kinderrechter. Dit onderzoek zal gezamenlijk worden verricht vanuit de locaties van de Raad in Breda en in Almelo.

4.De mening van [minderjarige]

4.1.
heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Hoewel er volgens [minderjarige] een aantal onjuistheden staat vermeld in het raadsrapport, erkent zij dat er veel is gebeurd en dat er zorgen over haar zijn. Over haar stiefvader heeft zij gezegd dat hij haar heeft aangeraakt. Daarnaast erkent zij dat zij is aangetroffen bij een meerderjarige man in Antwerpen. Voordat zij bij haar stiefvader ging wonen, ging het ook niet goed bij haar moeder thuis. Momenteel gaat het echter wel goed bij haar moeder thuis. Dit komt volgens [minderjarige] doordat haar moeder in de afgelopen maanden veel heeft geleerd. [minderjarige] wil daarom nu graag bij haar moeder blijven wonen. Tegelijkertijd wil [minderjarige] graag contact houden met haar stiefvader. In de afgelopen dagen heeft [minderjarige] via de telefoon van haar moeder een berichtje gestuurd aan haar stiefvader, maar hij heeft daarop niet gereageerd. Dit vindt zij lastig.

5.De standpunten van de belanghebbenden

5.1.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Nadat de maatregelen zijn uitgesproken, heeft de GI ambulante spoedhulp (ASH) ingezet. Deze hulp is dus pas sinds enkele dagen betrokken. In de komende periode zal de GI een onderzoek verrichten naar de opvoedsituatie van de moeder. Daar kan de GI nu nog niets over zeggen. Daarnaast zal er een diagnostisch onderzoek worden verricht bij [minderjarige] en zal er worden ingezet op behandeling/therapie voor [minderjarige] . Naar aanleiding van de uitkomsten van de onderzoeken van ASH en de diagnostiek, zal de GI bezien welke opvoedsituatie het meest tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . De GI heeft inmiddels met [minderjarige] gesproken. [minderjarige] heeft ook tegen de GI duidelijk aangegeven dat zij nu bij haar moeder wil wonen, maar ook dat zij haar stiefvader mist. Gezien de huidige stand van zaken kan de GI instemmen met een verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .
5.2.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder heeft een aantal op- en aanmerkingen gemaakt over onjuist- en onvolledigheden in het raadsrapport. Maar zij erkent dat er forse zorgen zijn over [minderjarige] . Deze zorgen zien volgens de moeder niet op het verblijf van [minderjarige] bij haar thuis, maar op bepaalde kindfactoren en het systeem. De moeder stelt dat zij al langere tijd vindt dat [minderjarige] hulp nodig heeft en dat zij druk bezig was om via de huisarts de nodige hulpverlening in te zetten en dat zij hierover in gesprek was met de gemeente, maar dat het niet is gelukt om de hulpverlening daadwerkelijk van de grond te krijgen. In de tussentijd liepen de zorgen over [minderjarige] op, onder meer met betrekking tot zelfbeschadiging en loverboyproblematiek. De moeder heeft daarom op een gegeven moment zelf ingegrepen en [minderjarige] meegenomen naar haar huis. De moeder vindt het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] , dat zij bij haar blijft. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarvoor, naar de mening van de moeder, echter niet nodig. Tot mei 2025 woonden de moeder en de stiefvader samen. Na het verbreken van de relatie, hebben zij afgesproken dat [minderjarige] bij haar moeder zal gaan wonen. Dat [minderjarige] in september 2025 bij haar stiefvader is gaan wonen omdat het thuis niet meer ging, doet niet af aan deze afspraak. Voor de (terug)plaatsing van [minderjarige] bij de moeder, is daarom geen machtiging tot uithuisplaatsing nodig.
5.3.
Namens en door de stiefvader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De stiefvader staat achter wat [minderjarige] zegt, behalve de beschuldigingen die zij heeft geuit over het aanraken. De stiefvader wil [minderjarige] graag volgen in haar wens om weer bij haar moeder te gaan wonen. De stiefvader hoopt dat dit goed zal gaan. Nu de stiefvader hiermee instemt, is een machtiging tot uithuisplaatsing wat hem betreft niet nodig. Het klopt dat hij en de moeder destijds hebben afgesproken dat [minderjarige] bij de moeder zou blijven wonen. Daarnaast wil de stiefvader graag contact houden met [minderjarige] . Hij zal niet aan haar gaan trekken om bij hem terug te komen, maar hij wil wel benadrukken dat zijn deur altijd voor haar openstaat. De stiefvader wil koste wat kost voorkomen dat [minderjarige] op een neutrale plek moet worden geplaatst.

6.De beoordeling door de kinderrechter

6.1.
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
6.2.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.3.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over voorlopige ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing onverwijld, oftewel zonder daaraan voorafgaand horen van de belanghebbenden, worden afgegeven indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
6.4.
De kinderrechter overweegt dat voormelde spoedbeslissing van 19 mei 2026 is genomen zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hun mening daarover te geven. Tijdens de zitting zijn partijen daartoe in de gelegenheid gesteld. Naar aanleiding van wat er tijdens de zitting is gezegd, is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden waardoor de spoedbeslissing van 19 mei 2026 met onmiddellijke ingang zou moeten worden herroepen.
6.5.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat er forse zorgen over [minderjarige] zijn in zowel de opvoedsituatie bij de moeder als die bij de stiefvader. Hoewel de kinderrechter op basis van de haar beschikbare informatie niet kan vaststellen wat er precies wel en niet is gebeurd met [minderjarige] bij de stiefvader, zijn de uitingen van [minderjarige] hierover hoe dan ook zorgelijk te noemen. Daarnaast zijn er zorgen over [minderjarige] , onder meer met betrekking tot zelfbeschadiging en loverboyproblematiek. De moeder heeft in de afgelopen periode geprobeerd om hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten, maar ondanks al haar inspanningen is dit om de een of andere reden haar in het contact met de gemeente kennelijk niet gelukt. In de tussentijd liepen de zorgen over [minderjarige] steeds verder op. Op een gegeven moment heeft de moeder [minderjarige] daarom opgehaald bij de stiefvader en meegenomen naar haar huis. Gezien de toenemende zorgen over de fysieke en sociaal-emotionele veiligheid van [minderjarige] , en nu het niet is gelukt om in het vrijwillig kader de noodzakelijk geachte hulpverlening in te zetten en bovengenoemde zorgen weg te nemen, is de kinderrechter van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat het de ouders niet lukt om deze zorgen zelfstandig weg te nemen. Daarmee wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, voldaan aan de wettelijke vereisten voor een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De kinderrechter zal [minderjarige] daarom voorlopig onder toezicht stellen van de GI voor de periode van (in totaal) drie maanden, dus tot 19 augustus 2026. De kinderrechter heeft deze beslissing mondeling uitgesproken op 27 mei 2026.
6.6.
Over de uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt de kinderrechter als volgt. De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . Uit artikel 1:265a BW volgt dat, in geval van een (voorlopige) ondertoezichtstelling, een plaatsing van een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin uitsluitend geschiedt met een machtiging tot uithuisplaatsing. Dit betekent dat als er sprake is van een (voorlopige) ondertoezichtstelling en de minderjarige op een andere plek wordt geplaatst dan waar het woont, deze plaatsing enkel met een machtiging tot uithuisplaatsing kan plaatsvinden, ook als beide ouders daarmee instemmen. Omdat [minderjarige] sinds september 2025 bij haar stiefvader heeft verbleven en zij bij de gemeente op zijn adres is ingeschreven, ging de kinderrechter er bij de spoedbeslissing van uit dat [minderjarige] op dit moment bij haar stiefvader woont en dat de plaatsing van [minderjarige] bij de moeder dus met een machtiging tot uithuisplaatsing moet plaatsvinden. De kinderrechter heeft daarom bij voormelde spoedbeslissing een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder verleend. Naar aanleiding van wat er tijdens de zitting is gezegd, stelt de kinderrechter nu vast dat de moeder en de stiefvader bij het verbreken van hun relatie in mei 2025 kennelijk hebben afgesproken dat [minderjarige] bij haar moeder woont, dat zij vanaf september 2025 op vrijwillige basis - hoewel de moeder stelt het daar niet mee eens te zijn geweest - “uit huis geplaatst is geweest” bij haar stiefvader en dat zij sinds enkele dagen weer terug is bij haar moeder bij wie zij woont. Hoewel de inschrijving van [minderjarige] bij de gemeente [woonplaats 2] kan worden gezien als aanknopingspunt voor het bepalen van haar woonplaats en hoofdverblijf, is deze inschrijving niet leidend. De kinderrechter is daarom, gezien het voorgaande, van oordeel dat [minderjarige] bij haar moeder woont, ook al heeft zij in de afgelopen maanden feitelijk bij haar stiefvader verbleven. Om die reden is voor de (terug)plaatsing van [minderjarige] bij haar moeder geen machtiging tot uithuisplaatsing vereist. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een (aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom afwijzen. De kinderrechter zal deze beslissing schriftelijk nemen op de datum van deze beschikking (2 juni 2026). Aangezien de huidige machtiging tot uithuisplaatsing is verleend tot 2 juni 2026 waardoor deze maatregel momenteel dus is verstreken, ziet de kinderrechter geen aanleiding om de spoedbeslissing op dit punt te herroepen. De kinderrechter volstaat daarom met een afwijzing van het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .
6.7.
De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] en de moeder een aantal op- en aanmerkingen hebben gemaakt over onjuist- en onvolledigheden in het raadsrapport. De kinderrechter geeft aan de moeder mee om deze op- en aanmerkingen naar de Raad toe te sturen - voor zover zij dit nog niet heeft gedaan - zodat de Raad deze op- en aanmerkingen kan meenemen in zijn rapport over de noodzaak van een definitieve ondertoezichtstelling.
6.8.
De kinderrechter overweegt tot slot nog het volgende. Als de Raad naar aanleiding van het onderzoek dat hij in de komende periode zal verrichten, zal overgaan tot het indienen van een verzoek om [minderjarige] definitief onder toezicht te stellen, dan geeft de kinderrechter aan de Raad mee om dit verzoek in te dienen bij de bevoegde rechtbank. Vanwege de vaststelling dat [minderjarige] bij haar moeder in [woonplaats 1] woont, zal dit naar het oordeel van de rechtbank in de huidige situatie - zonder daarbij vooruit te lopen op de beslissing over diens bevoegdheid - namelijk de rechtbank Overijssel zijn.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 2 juni 2026 tot 19 augustus 2026;
7.2.
wijst het verzoek voor het overige af.
De beslissing over de voorlopige ondertoezichtstelling is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier en schriftelijk vastgesteld en ondertekend op 2 juni 2026.
De beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing is schriftelijk gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.