ECLI:NL:RBZWB:2026:5671

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448088 / JE RK 26-817 (machtiging gesloten jeugdhulp)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JeugdwetArt. 6.1.3 Jeugdwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor korte duur in afwachting verlenging ondertoezichtstelling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging te verkrijgen voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen vertoont. De minderjarige is onder toezicht gesteld en reeds meerdere malen uit huis geplaatst, waaronder in een gesloten accommodatie.

De GI stelt dat de minderjarige deel uitmaakt van een crimineel netwerk, zich onttrekt aan hulpverlening, middelen gebruikt en geen beschermend netwerk heeft. De gedragswetenschapper bevestigt de noodzaak van gesloten jeugdhulp. De minderjarige en zijn ouders hebben hun standpunten naar voren gebracht, waarbij de minderjarige vooral de duur van de plaatsing betwist en de moeder bezorgd is over de impact van een langdurige gesloten plaatsing.

De kinderrechter overweegt dat de spoedmachtiging van 21 mei 2026 terecht is verleend en dat de ernst van de situatie een gesloten plaatsing rechtvaardigt. Gezien de ondertoezichtstelling loopt tot 6 juni 2026, wordt de machtiging verleend tot die datum en wordt het resterende verzoek aangehouden in afwachting van de beslissing over verlenging. Het resterende verzoek wordt afgewezen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 6 juni 2026 in afwachting van verlenging ondertoezichtstelling, resterend verzoek aangehouden en spoedverzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/448088 / JE RK 26-817 (
machtiging gesloten jeugdhulp)
C /02/448440 / JE RK 26-891 ((
spoed)machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 27 mei 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Libië),
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[minderjarige], voornoemd,
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.T.A.G. Keller uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het (verdere) verloop van de procedure

In de zaak met nummer C/02/448088 / JE RK 26-817:
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van 11 mei 2026, ontvangen op 12 mei 2026;
  • de instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van
In de zaak met nummer C /02/448440 / JE RK 26-891:
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 21 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.
In beide zaken:
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • [minderjarige] , ook voorafgaand aan de zitting apart gehoord, met zijn advocaat;
  • de vader;
- de moeder met haar advocaat en een tolk;
- een vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft [minderjarige] bij beschikking van 6 juni 2024 onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 2 juni 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 6 juni 2025 tot 6 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 2 juni 2025 heeft de kinderrechter voorts een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 juni 2025 tot 1 september 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 augustus 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 september 2025 tot 6 juni 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 mei 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026.
2.5.
Op 3 juni 2026 zal het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] behandeld worden door de meervoudige kamer van deze rechtbank.

3.Het (resterende) verzoek

In de zaak met nummer C/02/448088 / JE RK 26-817:
3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
3.2.
Blijkens de instemmingsverklaring d.d. 17 mei 2026 stemt de gedragswetenschapper in dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk is.
In de zaak met nummer C /02/448440 / JE RK 26-891:
3.3.
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling. Aansluitend wordt (herhalend) verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden.
3.4.
Blijkens de instemmingsverklaring d.d. 17 mei 2026 stemt de gedragswetenschapper in dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk is.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, aan dat er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. De risico’s en zorgen rondom [minderjarige] nemen toe. [minderjarige] lijkt onderdeel te worden van een crimineel netwerk dat hem mogelijk in de greep heeft. [minderjarige] is een zeer beïnvloedbare jongen en is gevoelig voor het ‘gezien worden’ door anderen. [minderjarige] is de afgelopen periode veroordeeld voor zakkenrollen. Dit heeft hij gedaan vanwege een weddenschap. Hieruit blijkt zijn beïnvloedbaarheid. [minderjarige] onttrekt zich in toenemende mate aan de groep waar hij verblijft. Hij verblijft tot diep in de nacht op straat en er is geen zicht meer op wat hij met wie doet. [minderjarige] gaat met ex-groepsgenoot A. om, terwijl hem dat was afgeraden voor zijn eigen veiligheid. Daarnaast is sprake van middelengebruik bij [minderjarige] . Ook hierin wordt gezien dat hij in toenemende mate verkeerde keuzes maakt. [minderjarige] heeft geen helpend netwerk om hem heen als beschermende factor. [minderjarige] zijn gedrag en keuzes vormen een risico voor zichzelf en zijn omgeving.
4.2.
De inschatting van de GI is dat een buiten regionale plaatsing op een open groep geen effect zal hebben, omdat [minderjarige] dan dezelfde kaders zal hebben waarbinnen hij zich op dit moment onttrekt en het contact met het zorgelijke netwerk in stand kan blijven. Op de huidige groep is alles ingezet wat mogelijk is vanuit een open setting. Zo is hulpverlening ingezet en is geïnvesteerd in lichtere vormen van hulpverlening, maar [minderjarige] staat hier niet voor open. [minderjarige] onttrekt zich in toenemende mate aan de jeugdhulp, mogelijk mede door druk vanuit zijn sociale netwerk. Een gesloten plaatsing is daarom noodzakelijk in het kader van zijn veiligheid en ontwikkeling. Door deze plaatsing wordt [minderjarige] uit het onveilige netwerk gehaald.
4.3.
De GI hoopt dat [minderjarige] door de kaders binnen een gesloten groep meer in beeld komt. De GI verwacht dat [minderjarige] in staat is om verbindingen aan te gaan. Ook verwacht de GI dat bij [minderjarige] op de gesloten groep mogelijk wel de motivatie om mee te werken aan een behandeling ontstaat. De GI ziet dat [minderjarige] veel krachten en potentie heeft, maar dat deze naar de achtergrond verdwijnen door de zorgen. Daarnaast ziet de GI dat [minderjarige] van goede wil is, maar dat het hem op dit moment niet lukt. Hij heeft daarom hulpverlening nodig om hem te helpen verandering teweeg te brengen.
4.4.
De GI is op de hoogte van de wens van [minderjarige] om bij de moeder te verblijven. De GI ziet hier echter geen mogelijkheden toe. De moeder heeft inmiddels een vaste verblijfplaats bij [accommodatie] , maar het is niet mogelijk dat [minderjarige] op die locatie blijft logeren. Er is aandacht voor de wens van [minderjarige] . Het is daarnaast belangrijk dat er aandacht is voor de ingrijpende gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt en dat er wordt gewerkt aan zijn zelfbeeld en beïnvloedbaarheid. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan het onderwijs van [minderjarige] .
4.5.
De GI erkent dat het rondom de school en dagbesteding van [minderjarige] niet goed is gelopen, maar het is niet zo dat de GI niets gedaan heeft. De GI begrijpt dat dit wel zo voelt voor [minderjarige] .

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
[minderjarige] heeft de kinderrechter, samengevat, verteld dat hij een andere jeugdbeschermer zou willen, omdat hij de betrokken jeugdbeschermer weinig ziet, zij weinig contact met hem opneemt en weinig doet en regelt. Zo zou er een ID-kaart voor [minderjarige] geregeld worden, maar dat is nog steeds niet gedaan. [minderjarige] begrijpt waarom hij op de gesloten groep is geplaatst, vanwege de zorgen over zijn gedrag, maar vindt dat de plaatsing geen zes maanden moet duren. [minderjarige] heeft verteld dat zijn gedrag is ontstaan doordat hij niet meer bij de moeder mag wonen. [minderjarige] wil graag weer bij zijn moeder wonen. Hij begrijpt niet waarom dat niet zou kunnen. Hij vraagt de kinderrechter om een laatste kans. Daarnaast zit het [minderjarige] dwars dat hij nog steeds geen school of dagbesteding heeft. [minderjarige] betwist wat de GI heeft gesteld over de in het dossier genoemde A. Het klopt dat [minderjarige] 's nachts wegliep, maar [minderjarige] wordt niet beïnvloed door A. en [minderjarige] is geen loopjongen. Daarnaast gebruikt [minderjarige] wel hasj, maar is hij niet verslaafd. Hij gebruikt om rustig te worden.
5.2.
Mr. Gulickx heeft zich namens [minderjarige] primair op het standpunt gesteld dat de machtiging gesloten jeugdhulp slechts kan worden verleend tot 6 juni 2026, omdat de ondertoezichtstelling die datum afloopt. Subsidiair is zijn standpunt dat de gesloten plaatsing niet langer dan drie maanden zou moeten duren. [minderjarige] is bereid mee te werken, maar het lukt hem niet altijd mee te werken.
5.3.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat het in het licht van de feiten en omstandigheden en de veiligheid van [minderjarige] begrijpelijk is dat de spoedmachtiging is verleend, maar dat het de vraag is of een langere duur van de gesloten jeugdhulp effect heeft of juist zou leiden tot een verergering van de problematiek. De boosheid en frustratie ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en het daardoor uiteenvallen van de gezinsband zijn belangrijke katalysatoren voor de huidige ontsporing. De moeder beschikt op dit moment niet over passende huisvesting voor de terugkeer van [minderjarige] . Zij verblijft bij [accommodatie] . De moeder zou het liefst willen dat [minderjarige] en haar andere kinderen weer bij haar komen wonen. De moeder is ervan overtuigd dat [minderjarige] bij haar zou kunnen wonen. Een langdurige gesloten plaatsing is over het algemeen niet goed voor een kind. Dat geldt des te meer voor [minderjarige] gezien de verklaring van de gedragswetenschapper. In de verklaring staat dat een gesloten plaatsing niet goed voor [minderjarige] is, omdat hij op die manier in contact wordt gebracht met een bepaalde doelgroep, terwijl hij een beïnvloedbare jongen is. Bovendien loopt de ondertoezichtstelling tot 6 juni 2026 en kan een machtiging gesloten jeugdhulp in dit kader dus slechts tot die datum worden verleend. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt pas behandeld op de zitting van 3 juni 2026.
5.4.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek. De vader heeft de GI verzocht om een gesloten plaatsing om [minderjarige] te beschermen en zijn toekomst te waarborgen. De vader begrijpt dat [minderjarige] , en mogelijk de moeder, boos zijn, maar hoopt dat [minderjarige] zijn keuze kan begrijpen wanneer hij ouder is. De vader heeft aangeboden dat [minderjarige] bij hem kan komen werken.

6.De (nadere) beoordeling

In de zaak met nummer C /02/448440 / JE RK 26-891
Spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
6.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet, kan de kinderrechter, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, op verzoek een spoedmachtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. De spoedmachtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen zal worden onttrokken en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
6.2.
Bij voornoemde beschikking van 21 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 4 juni 2026 en iedere verdere beslissing aangehouden zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden. Zij zijn bij de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Dit betekent dat de spoedbeslissing op goede gronden is genomen.
In de zaak met nummer C/02/448088 / JE RK 26-817 en C /02/448440 / JE RK 26-891
Reguliere machtiging gesloten jeugdhulp
6.3.
De kinderrechter dient vervolgens de vraag te beantwoorden of een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
6.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat er forse zorgen over [minderjarige] zijn. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Hij heeft hierdoor veel onrust en onduidelijkheid meegemaakt en het heeft hem aan stabiliteit en veiligheid ontbroken. Er bestaan veel zorgen over [minderjarige] . Deze zorgen zien met name op zijn mogelijke betrokkenheid in het criminele circuit en zijn daarmee samenhangende contact met A., zoals deze in het dossier wordt genoemd. [minderjarige] is kwetsbaar in zijn ontwikkeling en is een beïnvloedbare jongen. In februari 2026 is [minderjarige] veroordeeld voor zakkenrollen. Hij geeft hierover zelf aan dit te hebben gedaan vanwege een weddenschap. Het feit dat [minderjarige] niet naar school gaat en geen dagbesteding heeft, draagt hier niet aan bij omdat [minderjarige] daardoor geen positieve daginvulling heeft. Verder is sprake van middelengebruik bij [minderjarige] .
6.5.
[minderjarige] heeft contact met A. ondanks dat dit hem is afgeraden vanwege zijn eigen veiligheid. Hij heeft A. zelfs onderdak aangeboden in zijn kamer op de groep, ondanks dat [minderjarige] wist dat A. niet op de groep mocht komen. [minderjarige] staat niet open voor hulpverlening, ook niet in een minder intensieve vorm. Er is in toenemende mate sprake van wantrouwen richting hulpverleners. [minderjarige] heeft moeite zich te houden aan afspraken en hij loopt weg van de groep, ook in de avond en de nacht. Het gedrag en de keuzes van [minderjarige] vormen een risico voor zichzelf. Er wordt gezien dat het [minderjarige] op dit moment niet lukt om gezonde keuzes te maken. Om [minderjarige] te stabiliseren, voor hem rust te creëren en zijn veiligheid en die van anderen te garanderen en te voorkomen dat hij zich aan de jeugdhulp onttrekt, wordt een gesloten plaatsing van [minderjarige] noodzakelijk geacht. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat een terugkeer van [minderjarige] naar de open groep geen optie is en er op dit moment ook geen andere passende plek voor [minderjarige] beschikbaar is.
6.6.
Aangezien de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 6 juni 2026 loopt en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling eerst behandeld zal worden op 3 juni 2026, zal de kinderrechter de door de GI verzochte machtiging verlenen tot 6 juni 2026 en het resterende deel van het verzoek aanhouden in afwachting van de beslissing op het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.
6.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
In de zaak met nummer C/02/448088 / JE RK 26-817:
7.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 mei 2026 tot 6 juni 2026;
7.2.
houdt het resterende deel van het verzoek aan in afwachting van de behandeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling door de meervoudige kamer van deze rechtbank op 3 juni 2026;
7.3.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
In de zaak met nummer C /02/448440 / JE RK 26-891:
7.4.
wijst het resterende verzoek af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.