ECLI:NL:RBZWB:2026:5673

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446154 / JE RK 26-459
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b lid 1 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij grootmoeder moederszijde

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een bijna tweejarige minderjarige voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder moederszijde voor zes maanden. De minderjarige verblijft reeds bijna een jaar bij deze grootmoeder. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar er is sinds augustus 2025 geen contact meer tussen de minderjarige en haar vader en sinds april 2026 ook niet met haar moeder.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd door de turbulente thuissituatie, het langdurige contactverlies met beide ouders en de onduidelijkheid over haar toekomstige woonplaats. Vrijwillige hulpverlening heeft onvoldoende effect gehad. De Raad formuleerde doelen gericht op stabiliteit, duidelijkheid over het opvoedperspectief, veilig contact met ouders en het vergroten van de draagkracht van ouders.

De kinderrechter wijst het verzoek toe en legt de ondertoezichtstelling op voor twaalf maanden, met een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden bij de grootmoeder. De GI krijgt de regie over het proces en het bewaken van de belangen van de minderjarige. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446154 / JE RK 26-459
Datum uitspraak: 27 mei 2026
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. de Houck te Terneuzen,
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
mevrouw
[oma (mz], grootmoeder moederszijde,
hierna te noemen: oma (mz),
wonende te [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Eindhoven.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • oma (mz);
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek met het door de vader ingediende verzoek tot het vaststellen van een verdeling van de zorg- en opvoedtaken in de zaak met kenmerk C/02/441963 / FA RK 25-5891, zijn beide verzoeken gezamenlijk mondeling behandeld. In die zaak volgt een afzonderlijke beschikking.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2.
[minderjarige] verblijft bij oma (mz).
2.3.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.4.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden. De Raad heeft tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma (mz), verzocht voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij is een jong kind en volledig afhankelijk van de volwassenen om haar heen. Er is sprake geweest van huiselijk geweld tussen ouders, wantrouwen en conflicten en hierdoor heeft [minderjarige] al veel meegemaakt. Daarnaast is er sinds augustus 2025 geen contact meer tussen [minderjarige] en haar vader, en na een incident in april dit jaar is er evenmin (fysiek) contact meer tussen [minderjarige] en haar moeder. Daarnaast zijn er zorgen over de opvoedomgevingen van beide ouders terwijl er eigenlijk weinig zicht op hen is. Oma (mz) zit in een lastige positie tussen haar dochter en haar kleinkind en er is onduidelijkheid over het al dan niet nakomen van veiligheidsafspraken. Binnen een ondertoezichtstelling moet op zeer korte termijn, namelijk binnen zes maanden, duidelijkheid komen over het opvoedperspectief van [minderjarige] . Hoewel [minderjarige] momenteel in haar basisbehoeften wordt voorzien en geen acuut risico loopt, is het belangrijk om binnen een aanvaardbare termijn van zes maanden duidelijkheid te scheppen over haar opgroeiperspectief. Voor een kind van 1 jaar is deze termijn cruciaal omdat de hechtingsontwikkeling zeer snel verloopt en uitstel kan de opbouw van een veilige hechting belemmeren. In de komende maanden moet daarom onderzocht worden wat de opvoedvaardigheden en mogelijkheden van beide ouders zijn en of het verblijf bij oma (mz). perspectiefbiedend kan zijn of dat het perspectief elders ligt. Op basis daarvan moet een duidelijke en vastgelegde beslissing worden genomen over waar [minderjarige] zal opgroeien, waarbij op korte termijn begeleide contacten tot stand gebracht worden tussen [minderjarige] en haar beide ouders.
4.2.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot een ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing bij oma (mz). De moeder betreurt het incident in april dit jaar en stelt dat zij sindsdien aan zichzelf heeft gewerkt en inmiddels een baan heeft en binnenkort ook een eigen woning betrekt. De moeder heeft alle vertrouwen in oma (mz) en zij weet dat er door haar goed voor [minderjarige] (en haar zus) wordt gezorgd. De moeder wenst wel dat [minderjarige] op termijn bij haar komt wonen. De moeder is het er mee eens dat de contacten tussen [minderjarige] en haar in eerste instantie begeleid zullen zijn, en zij wenst ook dat er begeleide contacten komen tussen [minderjarige] en de vader.
4.3.
Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen de verzoeken. De vader verklaart, samengevat, dat er onvoldoende is gedaan in het vrijwillig kader. De vader heeft geen zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij oma. De vader wil alleen een grotere rol spelen in het leven van [minderjarige] . De vader begrijpt dat zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling wordt aangehouden, maar hij wenst graag een voorlopige regelingwaarbij er frequent – bij voorkeur 2 x per week begeleid contact plaatsvindt onder regie van de GI.
4.4.
De GI staat achter de verzoeken van de Raad en kan, als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, direct starten.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is nog zeer jong (bijna twee jaar) en heeft al veel meegemaakt waaronder een turbulente thuissituatie met huiselijk geweld tussen haar ouders. Verder is er geen contact meer tussen [minderjarige] en haar vader (sinds augustus 2025) en evenmin tussen [minderjarige] en haar moeder (sinds april 2026). Dit (langdurige) contactverlies kan schadelijk zijn voor haar hechting en identiteitsontwikkeling. Ook is er onduidelijkheid over waar zij in de toekomst zal opgroeien. Deze onzekerheid duurt al maanden. Voor een jong kind is stabiliteit en duidelijkheid juist heel belangrijk. Daarnaast zijn er zorgen over de opvoedomgevingen van beide ouders terwijl er eigenlijk weinig zicht op hen is. Moeder komt afspraken met hulpverlening vaak niet na en werkt wisselend mee. Vader lijkt gemotiveerd, maar heeft geen invloed op het tot stand komen van contact met [minderjarige] . De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. In de afgelopen periode heeft er nauwelijks voortgang gezeten in de situatie van de ouders en duidelijk is dat de hulpverlening niet of nauwelijks van de grond is gekomen. Hulpverlening neemt onvoldoende positie in, en kunnen dit ook beperkt gezien het vrijwillig kader, en patronen blijven voortduren. Hierdoor blijven problemen bestaan en verandert er te weinig.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat om de zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige] weg te nemen, tenminste de volgende door de Raad geformuleerde doelen dienen te worden behaald:
- [minderjarige] wordt niet belast met angst, spanning en onzekerheid maar ervaart rust en stabiliteit, zodat zij zich kan richten op haar ontwikkelingstaken;
- Er is duidelijkheid over het opvoedperspectief van [minderjarige] ;
- [minderjarige] is geen getuige van spanningen en ruzies en geweld tussen volwassenen;
- Er is zicht op de opvoedvaardigheden, responsiviteit en sensitiviteit als ook de veiligheid in de opvoedomgeving van beide ouders en oma (mz).;
- [minderjarige] heeft veilig en onbelast contact met beide ouders waarin zij ruimte ervaart om de band met beide ouders te onderhouden en haar loyaliteit naar beide ouders vorm te geven;
- De draagkracht van ouders wordt vergroot;
- Er is zicht op de veerkracht en het psychisch functioneren van moeder;
- Ouders zijn in staat om duidelijke afspraken te maken met elkaar;
- Ouders accepteren de nodige hulpverlening en geven openheid over hun zorgen;
- Er is een duidelijk ouderschapsplan met een duidelijke zorgregeling en afspraken.
5.4.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode met de benodigde voortvarendheid aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Voor wat betreft het contact acht de kinderrechter het van belang dat begeleide contacten van [minderjarige] met zowel haar moeder als haar vader zo snel mogelijk van start gaan. Zoals ter zitting met partijen en de Raad is besproken dient dit in beginsel te gaan om (duurzame en veilige) korte contactmomenten van ongeveer een half uur, maximaal één uur en dan bij voorkeur tweemaal per week, maar minimaal eenmaal per week. Omdat er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter geeft daarbij de opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige] te bewaken.
5.5.
De kinderrechter zal gelet op het voorgaande [minderjarige] onder toezicht stellen voor de verzochte duur van een jaar.
5.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in haar belang. [2] [minderjarige] verblijft al bijna één jaar bij oma (mz). Er zijn geen zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij oma (mz). Beide ouders staan ook achter het verblijf van [minderjarige] bij oma (mz) en vinden dat in ieder geval op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] . Daarbij geldt volgens de Raad dat ten aanzien van oma (mz) inmiddels een indicatie is afgegeven voor pleegzorg. De kinderrechter vindt het met de Raad in het belang van [minderjarige] dat de huidige situatie wordt geformaliseerd, ook gezien de stappen die nog moeten worden gezet in het kader van de ondertoezichtstelling. Gelet hierop zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de verzochte duur van zes maanden. Het is van belang dat binnen deze periode het perspectief van [minderjarige] voor de langere termijn wordt onderzocht, zodat zij hier duidelijkheid over krijgt
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 27 mei 2026 en tot 27 mei 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten oma moederszijde, met ingang van 27 mei 2026 en tot 27 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van De Pooter, griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.