ECLI:NL:RBZWB:2026:5676

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448192 / JE RK 26-849
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • P. Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met ernstige gedragsproblemen

De zaak betreft een verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige geboren in 2010. De minderjarige vertoont ernstige opgroei- en gedragsproblemen, waaronder drugsgebruik, agressie, criminele uitbuiting en het onttrekken aan hulpverlening. Eerder was een spoedmachtiging verleend voor twee weken.

Tijdens de zitting, waarbij de moeder, jeugdreclasseerder, een vertegenwoordiger van het college en de minderjarige met haar advocaat aanwezig waren, werd vastgesteld dat de situatie niet was verbeterd. De minderjarige erkent de gesloten plaatsing niet te willen, maar de kinderrechter acht deze noodzakelijk om haar veiligheid en hulpverlening te waarborgen.

De kinderrechter overweegt dat een voorwaardelijke machtiging niet passend is, omdat de minderjarige niet in staat is zich aan voorwaarden te houden en er geen minder ingrijpende alternatieven zijn. De machtiging wordt daarom verleend voor de duur van drie maanden, met het oog op het uitvoeren van een persoonlijkheidsonderzoek en het inzetten van passende hulpverlening.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor drie maanden wegens ernstige gedragsproblemen en onttrekking aan hulp.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448189 / JE RK 26-848 (
spoedverzoek)
C/02/448192 / JE RK 26-849 (
regulier verzoek)
Datum uitspraak: 27 mei 2026
beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HALDERBERGE,
hierna te noemen: het college,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[minderjarige] ,voornoemd,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de jeugdreclasseerder],
hierna te noemen: de jeugdreclasseerder.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 15 mei 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • een vertegenwoordiger van het college;
  • [minderjarige] , voorafgaand aan de zitting ook apart gehoord, bijgestaan door haar advocaat;
- de moeder;
- de jeugdreclasseerder.
1.3.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
Blijkens het gezagsregister is alleen de vader belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij de hiervoor genoemde beschikking van 15 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 15 mei 2026 tot 29 mei 2026, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
2.3.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] op een gesloten groep van [accommodatie] te [plaats 2] .

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.

4.Het standpunt van het college

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert het college, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen bij [minderjarige] . Er zijn al langer zorgen over [minderjarige] . Vanaf 31 december 2024 tot en met 12 maart 2025 is [minderjarige] onder behandeling geweest bij [kliniek] . Hierna heeft zij al vrij snel een terugval in drugsgebruik en gedrag gehad. [minderjarige] zondert zich veel af, houdt zich niet aan de regels, gaat met verkeerde vrienden om en verspreidt naaktfoto’s van zichzelf. Begin januari 2026 is [minderjarige] op een open groep van [accommodatie] geplaatst. Er is bijna dagelijks sprake van een incident. [minderjarige] heeft gestolen, gebruikt verbale en fysieke agressie en heeft anderen bedreigd. Recent heeft [minderjarige] een baksteen door een ruit van de groep gegooid, waarna de politie [minderjarige] heeft moeten fixeren. Er zijn daarnaast signalen dat [minderjarige] betrokken is bij criminele uitbuiting, waaronder het ronselen van anderen om aan middelen te komen en het doen van transporten voor anderen. [minderjarige] onttrekt zich structureel aan de geboden hulp. Zij verlaat de groep zonder toestemming, ook ’s nachts en houdt zich niet aan de afspraken.
[minderjarige] erkent dat de situatie anders moet, maar is niet in staat of bereid om mee te werken aan de hulp die daarvoor nodig is. De open setting biedt onvoldoende structuur en mogelijkheden om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en haar te verbinden aan hulpverlening.
Het onderwijs van [minderjarige] is binnen de open setting niet van de grond gekomen. Ook werkt zij niet mee aan de therapie. De band tussen [minderjarige] en de moeder is fragiel en functioneel van aard. De vader sluit niet aan bij de therapie. Er is geen netwerk bij wie een plaatsing een reëel en veilig alternatief zou zijn. De verwachting is dat een plaatsing op een open groep op een andere locatie zal leiden tot hetzelfde probleem, namelijk dat [minderjarige] zich zal onttrekken aangezien de onderliggende problematiek niet is veranderd en haar motivatie voor hulp ontbreekt. Volgens de gemeente is een gesloten plaatsing op dit moment de enige passende maatregel om [minderjarige] te beschermen.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
[minderjarige] heeft de kinderrechter, samengevat, verteld dat zij zag aankomen dat ze gesloten geplaatst zou worden, omdat ze vaak in de nacht weg was. [minderjarige] vindt dat veel van wat er in het verzoekschrift staat niet klopt of erger is gemaakt. Zo staat er in het verzoekschrift dat [minderjarige] geen hulp wilde, maar zij heeft juist gevraagd om hulp maar heeft dit niet gekregen. [minderjarige] wil vooral hulp bij praktische zaken zoals school en dagbesteding. Sinds de gesloten plaatsing gaat [minderjarige] weer naar school en blowt zij niet meer. De gesloten plaatsing voelt als straf voor [minderjarige] . Zij vindt dat ze niet met onveilige mensen omgaat. [minderjarige] heeft niet zo’n goed contact met haar ouders.
5.2.
Mr. Groenhuis-Kools heeft zich namens [minderjarige] op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Er bestaan zorgen, maar er is onvoldoende onderzocht of een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp mogelijk is. Een voorwaardelijke machtiging zou een goede stok achter de deur zijn. Het staat wel vast dat een aantal onveilige situaties heeft plaatsgevonden, maar de dagelijkse veiligheid van [minderjarige] staat niet op het spel. De aanpak van de open groep was veelal om zaken op te dringen en dat stuitte op weerstand bij [minderjarige] . Dat betekent niet dat [minderjarige] niet open staat voor hulpverlening. De hulpvragen die [minderjarige] heeft, zijn blijven liggen. Het lijkt erop alsof [minderjarige] na de plaatsing op de open groep in de wacht is gezet. Gelet op het tempo waarin haar gedrag in een neerwaartse spiraal is gegaan, is het onbegrijpelijk dat er geen enkele begrenzing is geweest. Het zou goed zijn als [minderjarige] meer inspraak heeft in de situatie. Dat mist zij nu waardoor zij zich onttrekt.
5.3.
De vader heeft schriftelijk toestemming verleend voor gesloten plaatsing van [minderjarige] .

6.Het standpunt van de informant

6.1.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van het college staat. Het is een zware beslissing, maar het is de enige optie om [minderjarige] te helpen. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is de afgelopen weken minder. De moeder heeft geen grip meer op [minderjarige] .
6.2.
De jeugdreclasseerder heeft, samengevat, aangegeven dat zij sinds ruim een jaar betrokken is bij [minderjarige] . In de open setting zou een persoonlijkheidsonderzoek plaatsvinden. Omdat het niet lekker liep op de open groep zijn alle belangrijke zaken, zoals dit onderzoek en de hulpvraag van [minderjarige] , niet opgepakt. De wil is er altijd geweest, maar de hulpverlening is nooit van de grond gekomen. Het zou goed zijn als het persoonlijkheidsonderzoek alsnog plaatsvindt. Een aantal maanden geleden is er een overleg geweest waarbij is gesproken over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. [minderjarige] was daar bij aanwezig. De conclusie van het overleg was dat het [minderjarige] op dit moment niet zou lukken om zich aan de voorwaarden van een voorwaardelijke machtiging te houden. Daar komt bij dat [minderjarige] dan niet uit het netwerk zou worden gehaald, terwijl dat wel nodig is.

7.De (nadere) beoordeling

In de zaak met nummer C /02/448189 / JE RK 26-848
Spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
7.1.
Bij voornoemde beschikking van 15 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken en iedere verdere beslissing aangehouden zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden. Zij zijn bij de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan overweegt de kinderrechter dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Dit betekent dat de spoedbeslissing op goede gronden is genomen.
In de zaak met nummer C /02/448192 / JE RK 26-849
Reguliere machtiging gesloten jeugdhulp
7.2.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
7.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat sprake is van forse zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] heeft zeer zorgelijk gedrag ontwikkeld en de zorgen daarover die tot de spoedmachtiging hebben geleid, bestaan nog steeds. De kinderrechter begrijpt dat [minderjarige] niet in de gesloten setting wil verblijven. [minderjarige] komt echter door haar zorgelijke gedrag in onveilige en risicovolle situaties terecht. Zij kan verbaal en fysiek agressief en bedreigend zijn, heeft een drugsverslaving en zou ook zelf drugs hebben gedeald op de groep. Ook bestaan er signalen dat [minderjarige] betrokken is bij criminele uitbuiting, waaronder het ronselen van anderen om aan middelen te komen en het doen van transporten voor anderen. Recent heeft [minderjarige] de groepsbegeleiding bedreigd en een ruit ingegooid met een baksteen. Het aantal incidenten dat plaatsvindt rondom [minderjarige] neemt toe en het lukt niet om grip op haar te krijgen.
7.4.
[minderjarige] onttrekt zich structureel en in toenemende mate aan de geboden hulp. Zij loopt weg en houdt zich niet aan de afspraken. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij negen van de tien nachten niet op de groep is. Dit in combinatie met haar middelengebruik, de signalen over het onveilige netwerk en de zorgen over seksueel grensoverschrijdend gedrag maken dat de onttrekkingen steeds gevaarlijker van aard worden. [minderjarige] lijkt zich niet bewust van de ernst van de situatie. Het lukt [minderjarige] op dit moment niet zelfstandig om de hulpverlening te accepteren die nodig is om verandering in haar situatie teweeg te brengen. Het verblijf in een gesloten accommodatie is noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de jeugdhulp onttrekt.
7.5.
Het college heeft bij het verzoek een schriftelijke en door de onafhankelijke gedragswetenschapper, ondertekende verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij instemt met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
7.6.
De gezaghebbende ouder heeft toestemming gegeven voor de gesloten plaatsing voor de duur van drie maanden.
7.7.
De kinderrechter is van oordeel dat een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp niet aan de orde is op dit moment. Het is positief dat [minderjarige] sinds haar verblijf binnen de gesloten setting weer naar school gaat, maar gelet op de forse zorgen is er meer nodig dan alleen een daginvulling. Er moet rust komen in de situatie rondom [minderjarige] , zodat het persoonlijkheidsonderzoek kan worden afgenomen. Op basis van de uitkomst van het onderzoek kan passende hulpverlening voor [minderjarige] worden ingezet. Daarbij is het belangrijk dat ook de op zitting besproken hulpvraag van [minderjarige] betrokken wordt bij het zoeken naar passende hulpverlening. De kinderrechter is van oordeel dat er op dit moment geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen. De machtiging gesloten jeugdhulp zal daarom worden verleend voor de duur van drie maanden, zoals verzocht.
7.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
In de zaak met nummer C/02/448192 / JE RK 26-849
8.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 mei 2026 tot 27 augustus 2026.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.