4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 02-175584-24
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting als vaststaand worden aangemerkt.
Verdachte is op 31 december 2023, met onder meer medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , aanwezig geweest in het huis van verdachte in [plaats 2] om Oud en Nieuw te vieren. Een dag van tevoren en op Oudejaarsdag zelf is in de vriendengroep, waar onder meer alle drie de verdachten deel van uitmaken, het plan ontstaan en besproken om het vuurwerk “groter te maken” en om daarvoor benzine te halen. Op Oudejaarsdag omstreeks 14:17 uur heeft [medeverdachte 2] een jerrycan met benzine bij het [tankstation] in [plaats 1] gevuld en deze meegenomen naar verdachte. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben ook allebei minimaal één pakje cobra’s mee naar het huis van verdachte genomen. In het huis van verdachte zijn verdachten zogenoemde vuurwerkbommen gaan “knutselen”, bestaande uit één of meerdere cobra’s waaraan met behulp van duct tape flessen gevuld met benzine werden vastgemaakt. Vaststaat in ieder geval dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] flessen met benzine hebben gevuld en dat verdachte duct tape heeft aangegeven om de cobra’s en flessen gevuld met benzine aan elkaar vast te maken.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachten op een gegeven moment naar buiten zijn gegaan met het plan om een van de hiervoor beschreven vuurwerkbommen op het garageplein aan te steken en deze tot ontploffing te brengen. Omstreeks 18:11 uur vindt er een ontploffing op het garageplein gelegen tussen de [straat 1] en de [straat 2] plaats (
feit 3). Na de ontploffing op het garageplein zijn alle drie de verdachten gezamenlijk terug naar het huis van verdachte gegaan en zijn zij zwaardere vuurwerkbommen gaan “knutselen”. De groep met onder meer de drie verdachten is op een gegeven moment weer naar buiten gegaan om een nieuwe vuurwerkbom aan te steken en deze tot ontploffing te brengen. Omstreeks 19:53 uur vindt er een ontploffing bij een woon-zorgcomplex gelegen aan het [plein] plaats (
feit 1). De groep is daarna opnieuw terug naar het huis van verdachte gegaan, waar er wederom vuurwerkbommen zijn gemaakt. De groep met onder meer de drie verdachten is vervolgens weer naar buiten gegaan en omstreeks 22:16 uur vindt er een ontploffing bij ’ [woon-zorgcomplex] aan het [plein] plaats (
feit 2).
De rechtbank ziet zich ten aanzien van de drie ten laste gelegde feiten voor de vraag gesteld of de rol van verdachte als die van medepleger (
primair) dan wel medeplichtige (
subsidiair) kan worden gekwalificeerd en of door de ontploffingen gemeen gevaar voor goederen en in geval van feit 2 ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders te duchten was.
Voorop gesteld dient te worden dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Feit 1
Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gezamenlijke uitvoering van het vooraf opgevatte plan om de vuurwerkbom samen aan te steken en daarmee tot ontploffing te brengen. De groep, waar ook de drie verdachten deel van uitmaakten, is naar buiten gegaan, waarna die terecht is gekomen bij het woon-zorgcomplex. De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen wie van de groep de vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex heeft aangestoken en geplaatst of gegooid, maar wel kan er worden vastgesteld dat de drie verdachten als groep naar buiten zijn gegaan met als doel om de vuurwerkbom aan te steken. Ook stelt de rechtbank vast dat de verdachten tijdens de ontploffing als groep erbij zijn gebleven en de ontploffing ook hebben gefilmd, waarna de groep met onder meer de drie verdachten weer gezamenlijk naar het huis van verdachte is gegaan om verder te gaan met het “knutselen” van vuurwerkbommen. Ook concludeert de rechtbank op basis van het dossier dat geen van de verdachten zich op een daartoe geëigend tijdstip heeft teruggetrokken. Verder leidt de rechtbank uit het dossier af dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten was, hetgeen ook niet door de verdediging is betwist. De voorgevel van het woon-zorgcomplex en de gordijnen zijn beschadigd geraakt.
Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor beschreven, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing bij het woon-zorgcomplex. Hun samenwerking is zodanig intensief geweest en hun rol daarbij was van een dusdanig materieel gewicht, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van die ontploffing. Daarbij is niet relevant wie de vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex daadwerkelijk tot ontploffing heeft gebracht en ook is, gezien de beschreven omstandigheden voorafgaand, tijdens en na de ontploffing, niet relevant dat verdachte zich, naar eigen zeggen, iets later bij de groep heeft gevoegd.
Feit 2
De rechtbank is, zoals ook door de officier van justitie gerekwireerd en door de verdediging is bepleit, van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat door de ontploffing bij ’ [woon-zorgcomplex] gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders te duchten was. De rechtbank kan niet vaststellen of en op welke afstand zich personen bevonden ten opzichte van de plek waar de vuurwerkbom tot ontploffing is gebracht. Om die reden zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.
Feit 3
Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gezamenlijke uitvoering van het vooraf opgevatte plan om de vuurwerkbom samen op het garageplein aan te steken en daarmee tot ontploffing te brengen. Alle drie de verdachten hebben zich onmiddellijk voorafgaand aan de ontploffing op het garageplein bevonden, waarbij [medeverdachte 1] de vuurwerkbom heeft aangestoken en [medeverdachte 2] de ontploffing heeft gefilmd. Na de ontploffing zijn alle drie de verdachten gezamenlijk terug naar het huis van verdachte gegaan. Op grond van de bewijsmiddelen en dan met name de stills van het filmpje van de ontploffing op het garageplein op pagina 228 tot en met 230 van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Op de stills ziet de rechtbank dat het vuur zich als gevolg van de ontploffing naar boven verplaatst en zich ook tegen de schuttingen van de achtertuin van de bewoners uitstrekt. Het gevaar dat deze schuttingen daardoor vlam zouden kunnen vatten dan wel in de brand zouden kunnen gaan, was naar het oordeel van de rechtbank voor de verdachten voorzienbaar en daardoor heeft verdachte het risico aanvaard dat goederen in de brand konden gaan. Dat het gevaar zich niet heeft verwezenlijkt, is voor de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging niet relevant.
Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor beschreven, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing op het garageplein. Hun samenwerking is zodanig intensief geweest en hun rol daarbij was van een dusdanig materieel gewicht, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van die ontploffing.
parketnummer 02-183205-25
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting als vaststaand worden aangemerkt.
Op 9 april 2025 is in Veere de scooter van [aangever] gestolen. Op 10 april 2025 heeft G4S beveiliging een melding bij de politie gemaakt dat het signaal van de gestolen scooter in [plaats 2] uitstraalde, waarna de verbalisanten de gestolen scooter van [aangever] zonder kentekenplaat en slot in de schuur van verdachte hebben aangetroffen. Verdachte zegt dat hij de scooter op afstand voor de onderdelen heeft gekocht. Ter zitting verklaart hij vooraf het model van de scooter te hebben doorgekregen, maar verder niet om foto’s of papieren te hebben gevraagd. Verdachte denkt dat hij € 400,- als prijs voor de scooter heeft afgesproken, terwijl de prijs volgens hem ook € 1.000,- had kunnen zijn. De verkoper heeft de scooter, zonder deze op slot te zetten, op het plein achter het huis van verdachte gezet en de volgende dag heeft verdachte de scooter in zijn schuur gezet. Verdachte verklaart verder ter zitting dat hij het een vage situatie vond dat de scooter geen kentekenplaat en geen slot meer had toen hij de scooter op het plein zag.
Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte degene was die op 9 april 2025 de scooter heeft gestolen. Verdachte zal daarom van de primair ten laste gelegde diefstal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter zitting vast dat verdachte de scooter voor € 400,- heeft gekocht, terwijl deze scooter een hogere waarde had. Bovendien heeft verdachte gezien dat de scooter geen kentenenplaat en een uitgeboord slot had toen hij de scooter op het plein zag staan. Hij heeft de scooter vervolgens in zijn schuur gezet, terwijl hij gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden ten tijde van het voorhanden krijgen van de scooter bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat deze gestolen was. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de scooter.