ECLI:NL:RBZWB:2026:5682

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/02/438783 / FA RK 25-4194
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Oijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:247 BWArt. 1:253 BWArt. 1:377 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorg- en contactregeling en kinderalimentatie vastgesteld

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 juni 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen de vrouw en de man, gehuwd sinds 2023. Ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan verklaarde de rechtbank het verzoek ontvankelijk, mede omdat partijen met hulpverlening werken aan een plan.

De hoofdverblijfplaats van het gezamenlijke minderjarige kind is vastgesteld bij de vrouw. De zorgregeling voor het kind is uitgebreid met wekelijkse contactmomenten bij de vader, deels onder toezicht van de moeder en deels zelfstandig, met een stapsgewijze uitbreiding in het belang van het kind.

Partijen bereikten overeenstemming over kinderalimentatie, waarbij de man vanaf 1 januari 2026 €313 per maand betaalt, inclusief wettelijke indexering. Het verzoek tot partneralimentatie werd ingetrokken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met vaststelling hoofdverblijfplaats bij moeder, zorg- en contactregeling bij vader en kinderalimentatie vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/438783 / FA RK 25-4194
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [plaats 1] , gemeente Drimmelen,
advocaat mr. R. Joosen uit Oosterhout,
en
[de man],
hierna te noemen de man,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. P.H.A. de Boer uit Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 8 augustus 2025;
  • het verweerschrift van de man met bijlage(n), met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 31 oktober 2025;
  • de reactie van de vrouw op het zelfstandig verzoek van 10 november 2025;
  • het F9-formulier van mr. De Boer van 4 mei 2026 met bijlagen;
  • het F9-formulier van mr. Joosen van 7 mei 2026 met bijlagen;
  • het F9-formulier van mr. De Boer van 11 mei 2026 met bijlage.
1.2
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat;
- namens de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland–West-Brabant, Breda (hierna te noemen de Raad), als adviseur;

2.Wat vaststaat

2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2023 in [plaats 2] .
2.2
Voor het huwelijk is uit de relatie van partijen geboren de minderjarige:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] .
2.3
De man heeft [minderjarige 1] erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] .
2.4
Uit een eerdere relatie van de man is geboren de minderjarige:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015.
2.5
Uit een eerdere relatie van de vrouw zijn geboren:
- de minderjarige:
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019;
- de jongmeerderjarige:
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2006.
2.6
In de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank voor de duur van de scheidingsprocedure in de beschikking van 29 juli 2025 beslist dat:
- de minderjarige [minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
- de man en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- in de maanden juli en augustus iedere woensdag 2 uur;
- in de maand juli 2025 2 uur in het weekend (zaterdag of zondag);
- in de maand augustus 2025 5 uur in het weekend (zaterdag of zondag);
waarbij alle contacten zullen plaatsvinden in aanwezigheid van de vrouw.
Verder hebben partijen afgesproken dat de vrouw contact op zal nemen met het CJG, zodat partijen in overleg met het CJG kunnen bekijken op welke manier de contactregeling kan worden opgebouwd en welke mogelijkheden er zijn voor verbetering van de oudercommunicatie.
- de man een onderhoudsbijdrage van [minderjarige 1] moet betalen van € 300,= per maand;
- het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor haar wegens gebrek aan draagkracht van de man wordt afgewezen.

3.De beoordeling

Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
3.1
In de wet staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kind hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kind zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kind zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kind zullen delen.
3.2
De vrouw heeft geen ouderschapsplan ingediend.
3.3
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot echtscheiding ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank het verzoek tot echtscheiding in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken. Partijen proberen om met de hulp van hulpverlening de huidige contacten tussen de man en [minderjarige 1] uit te breiden en tot een ouderschapsplan te komen.
Echtscheiding
3.4
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit. De vrouw verzoekt dit en stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man voert verweer.
De rechtbank overweegt dat wanneer één van partijen het huwelijk niet wil voortzetten, dit voldoende is om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van duurzame ontwrichting, omdat de vrouw volhardt in haar wens om van de man te scheiden.
Hoofdverblijfplaats
3.5
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van het kind bij haar te bepalen. De man stemt in met dit verzoek. De rechtbank wijst het verzoek toe. Uit de stukken en de toelichting op de zitting volgt niet dat het belang van het kind zich verzet tegen deze beslissing.
Zorgregeling
3.6
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen. Hij verzoekt vaststelling van een regeling waarbij [minderjarige 1] bij hem is:
- een weekend per twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de man haalt en brengt;
- elke woensdagavond van 17.30 uur tot 19.30 uur;
- de helft van de vakanties en feestdagen.
3.7
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de voorlopige regeling die in de procedure voorlopige voorzieningen is vastgelegd moet worden voortgezet. Zij vindt het belangrijk dat er contact is tussen de man en [minderjarige 1] , maar volgens de vrouw komt het zelfstandig verzoek van de man te vroeg, omdat partijen nog met hulp van het CJG proberen om tot uitbreiding van de huidige contactregeling te komen en zullen proberen om tot een ouderschapsplan te komen. Daarnaast is [minderjarige 1] gestart met een traject bij [jeugdzorgorganisatie] , waarvan de uitkomst nog moet worden afgewacht.
3.8
Nadat partijen hun standpunten hadden toegelicht is, mede op advies van de Raad, de zitting enige tijd geschorst om partijen de gelegenheid te geven om binnen de huidige mogelijkheden te bekijken welke opties er zijn om tot aanpassing en/of uitbreiding van de zorgregeling te komen. Partijen zijn vervolgens tot overeenstemming gekomen.
Zij hebben afgesproken dat er iedere week op zondag contact zal zijn tussen de man en [minderjarige 1] van 12.00 uur tot 17.00 uur. Om de week zal het contact, zoals de afgelopen periode ook het geval was, gedurende genoemde tijdstippen in de woning van de vrouw plaatsvinden, in aanwezigheid van de vrouw.
Vanaf zondag 31 mei 2026 zal de vrouw om de week niet aanwezig zijn bij het contactmoment. De man haalt [minderjarige 1] dan telkens om 12.00 uur op bij de vrouw en neemt haar mee om in de omgeving van de woning van de vrouw samen iets te ondernemen. Om 17.00 uur zal de man [minderjarige 1] weer terugbrengen naar de vrouw. Als na vier van deze contactmomenten blijkt dat deze goed verlopen, dan neemt de man [minderjarige 1] iedere zondag mee van 12.00 uur tot 17.00 uur en zal de vrouw niet meer bij het contact aanwezig zijn.
Verder wordt de regeling wat betreft het contact op de woensdagen voortgezet. Die regeling houdt in dat de man iedere woensdag twee uur contact heeft met [minderjarige 1] , in aanwezigheid van de vrouw. In beginsel is het contactmoment van 17.30 uur tot 19.30 uur. Vanwege de drukte op de weg kan het voorkomen dat de man later dan 17.30 uur bij de vrouw aankomt. De rechtbank gaat ervan uit dat hij de vrouw hier telkens tijdig van op de hoogte zal brengen.
In gezamenlijk overleg zullen partijen in de toekomst verdere stappen zetten om tot uitbreiding van de regeling te komen, bijvoorbeeld (als eerstvolgende stap) tot een hele dag, waarbij steeds het belang van [minderjarige 1] en de ontwikkelingen die zij doormaakt voorop zullen staan.
3.9
De rechtbank zal de afgesproken regeling, die haar in het belang van [minderjarige 1] voorkomt, vastleggen in deze beschikking.
Kinderalimentatie en partneralimentatie
3.1
De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat de man een onderhoudsbijdrage dient te betalen voor [minderjarige 1] . De man heeft verweer gevoerd. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Vervolgens is de zitting korte tijd geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen overleg te voeren met elkaar. Dit overleg heeft ertoe geleid dat partijen overeenstemming hebben bereikt. Zij hebben afgesproken dat de man met ingang van 1 januari 2026 een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] gaat betalen van € 313,= per maand. Dit is het bedrag aan kinderalimentatie van € 300,= per maand dat de man tot nu toe voldoet op basis van de beschikking voorlopige voorzieningen, exclusief de wettelijke indexering. Het overeengekomen bedrag aan kinderalimentatie van € 313,= per maand zal ieder jaar per 1 januari worden vermeerderd met de wettelijke indexering. De rechtbank legt de afspraak van partijen hierna in het dictum vast.
De man heeft sinds 1 januari 2026 de wettelijke indexering nog niet betaald. Dit betekent dat er een betalingsachterstand is over de maanden januari tot en met mei 2026 van in totaal € 65,=. Dit bedrag zal de man nog aan de vrouw voldoen.
3.11
Het overleg tussen partijen heeft er verder toe geleid dat de vrouw haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie intrekt. Op dit verzoek hoeft daarom niet meer te worden beslist.

4.De beslissing

4.1
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 in [plaats 2] ;
4.2
stelt vast dat het kind [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;
4.3
stelt vast dat het kind in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:
- iedere week op zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij het contact om de week in de woning van de vrouw plaatsvinden, in aanwezigheid van de vrouw, en gedurende vier keer (voor het eerst op 31 mei 2026) om de week zonder aanwezigheid van de vrouw. De man haalt [minderjarige 1] dan om 12.00 uur op bij de vrouw en neemt haar mee om in de omgeving van de woning van de vrouw met [minderjarige 1] iets te ondernemen. Om 17.00 uur zal de man [minderjarige 1] weer terugbrengen naar de vrouw.
- wanneer de vier contactmomenten waar de vrouw niet bij is goed zijn verlopen: iedere zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur, zonder dat de vrouw daarbij aanwezig is, en in goed onderling overleg tussen partijen in de toekomst stapsgewijs verder uit te breiden waarbij de belangen van [minderjarige 1] steeds voorop zullen staan;
- iedere woensdag van 17.30 uur tot 19.30 uur, in aanwezigheid van de vrouw;
4.4
bepaalt dat de man vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 313,= (driehonderddertien euro) per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw, vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand, en met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 3.10. is overwogen;
4.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Oijen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Maas-Klink, griffier op 19 juni 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.