ECLI:NL:RBZWB:2026:5684

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
444648
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
  • Dijkman
  • Van der Pols
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:276 lid 1 BWArt. 2 Besluit GezagsregistersArt. 226 lid 1 sub a BWArt. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming GI als voogd over minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en de Gecertificeerde Instelling (GI) te belasten met de voogdij. De moeder voerde geen verweer en stemde in met het verzoek. De minderjarige verblijft sinds enige tijd in een woon- en behandelgroep vanwege ernstige problematiek, waaronder een psychotrauma, emotie-regulatieproblemen en een ontwikkelingsachterstand.

De rechtbank oordeelde dat de moeder ondanks haar liefdevolle inzet niet in staat is om de benodigde specialistische zorg en beslissingen te bieden die het belang van de minderjarige dienen. De aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken en voortzetting van het gezag zou de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigen.

De GI is bereid de voogdij op zich te nemen en biedt de noodzakelijke structuur, stabiliteit en veiligheid. De rechtbank besloot het gezag van de moeder te beëindigen, de GI als voogd te benoemen en de moeder te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording over het bewind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt geregistreerd in het centraal gezagsregister.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de Gecertificeerde Instelling benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/444648 / FA RK 26-573
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer betreffende gezagsbeëindiging
op het verzoek van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbenden worden in deze zaak aangemerkt:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] .
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 29 januari 2026 ingekomen verzoek tot gezagsbeëindiging, met bijlagen;
- de op 29 januari 2026 ingekomen schriftelijke bereidverklaring van de GI van 3 maart 2026.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 1 mei 2026. Bij die zitting is verschenen de moeder. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
1.3
Voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling is de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige] heeft een brief met zijn mening aan de rechtbank gestuurd.

2.De feiten

2.1
De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
2.2
Bij beschikking van 11 januari 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 11 januari 2022 en tot 11 januari 2023. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 11 januari 2022 en tot 11 juli 2022.
2.3
Bij beschikking van 12 augustus 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 12 augustus 2022 en tot 11 januari 2023.
2.4
Bij beschikking van 6 januari 2023 zijn de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 11 januari 2023 en tot 11 januari 2024.
2.5
Bij beschikking van 22 december 2023 zijn de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 11 januari 2024 en tot 11 januari 2025.
2.6
Bij beschikking van 30 december 2024 zijn de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 11 januari 2025 en tot 11 januari 2026.
2.7
Bij beschikking van 8 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 11 januari 2026 en tot 11 juli 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 11 januari 2026 en tot 11 juli 2026.
2.8
[minderjarige] verblijft in de woon- en behandelgroep [behandelgroep] van [zorginstelling] te [plaats] .

3.Het verzoek

3.1
De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige [minderjarige] te beëindigen en adviseert de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] . Daarbij verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.

4.De standpunten

4.1
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het raadsrapport. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] als de moeder belast blijft met het gezag over hem. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in zijn jonge leven. Hij is belast met forse problematiek, gelegen in een psychotrauma en/of stressgerelateerde stoornis, een onveilige gehechtheidsrelatie, emotie-regulatieproblemen en een ontwikkelingsachterstand op verschillende gebieden. Er zijn veel zorgen over het gedrag dat [minderjarige] onder invloed daarvan laat zien. [minderjarige] heeft hierdoor continu beschermende verzorgers met specifieke opvoedvaardigheden om zich heen nodig, om hem te helpen reguleren en die aansluiten bij zijn basale opvoedbehoeften. De moeder is daar vanwege haar niveau van functioneren niet toe in staat. Het lukt de moeder ondanks de inzet van hulpverlening niet om [minderjarige] de benodigde basiszorg en bescherming te bieden en tegemoet te komen aan hetgeen hij nodig heeft. De moeder is daarom niet (zelfstandig) in staat om gezagsbeslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. Dit alles maakt dat er geen perspectief is op een terug-thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Daarbij komt dat de moeder de uitoefening van het gezag als belastend ervaart. Regelzaken overvragen haar en bezorgen haar stress. Daarom kan de huidige situatie niet in het vrijwillig kader worden voortgezet. Dit doet echter niets af aan de betrokkenheid van de moeder bij [minderjarige] en haar bereidheid en wil om het goede voor hem te doen. De Raad vindt het ook erg knap van de moeder dat zij de plaatsing van [minderjarige] op de woon-en behandelgroep [behandelgroep] van [zorginstelling] en zijn perspectief accepteert. [minderjarige] verblijft nu enige tijd op deze groep en hij ontvangt hier de benodigde structuur, stabiliteit, begrenzing, nabijheid en veiligheid. Gezien het voorgaande acht de Raad het in het belang van [minderjarige] dat de GI met de voogdij over hem wordt belast.
4.2
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek. Zij is het ermee eens dat de GI met de voogdij over [minderjarige] wordt belast. [minderjarige] heeft specialistische zorg nodig en de moeder kan hem deze zorg niet bieden. De moeder vindt het verder erg fijn dat [minderjarige] nu op een passende plek verblijft waar hij de juiste zorg krijgt en waar hij de komende tijd kan blijven.
4.3
De GI staat achter het verzoek van de Raad. Dit doet echter niets af aan de betrokkenheid van de moeder bij [minderjarige] en de wijze waarop zij zich voor hem inzet. De moeder doet ontzettend haar best, heeft goed contact met de groep van [minderjarige] en zij werkt heel prettig samen met de GI. Ook verlopen de bezoeken van de moeder aan [minderjarige] goed. Het gaat nu goed met [minderjarige] op de groep. Op school gaat het even wat minder. De GI benadrukt dat de moeder ook na de gezagsbeëindiging heel belangrijk blijft voor [minderjarige] en dat de GI haar overal bij zal blijven betrekken.

5.De beoordeling

Waar gaat het in deze zaak om?
5.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of het gezag van de moeder over [minderjarige] moet worden beëindigd en, in samenhang daarmee, of de GI met de voogdij over [minderjarige] moet worden belast.
Wat beslist de rechtbank?
5.2
De rechtbank vindt dat het verzoek toegewezen moet worden omdat aan de eisen daarvoor is voldaan [1] . Dit betekent dat de moeder niet langer de beslissingen zal nemen over [minderjarige] . De GI zal daarbij tot voogd over [minderjarige] worden benoemd. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Waarom neemt de rechtbank deze beslissing?
5.3
[minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd als de moeder met het gezag over hem belast blijft. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in zijn jonge leven en hij heeft forse problematiek, onder meer een psychotrauma en/of stressgerelateerde stoornis, een onveilige gehechtheidsrelatie, emotie-regulatieproblemen en een ontwikkelingsachterstand op verschillende gebieden. Er zijn veel zorgen over het gedrag van [minderjarige] . Hierdoor heeft [minderjarige] een specialistische opvoeding en verzorging nodig, met voortdurend beschermende verzorgers om hem heen om hem te helpen.
5.4
De moeder is heel liefdevol naar [minderjarige] toe is en doet enorm haar best voor hem, maar het is heel lastig voor de moeder om zelf beslissingen te nemen die goed zijn voor [minderjarige] . De moeder is daarnaast onvoldoende in staat om zelf voor [minderjarige] te zorgen. Ondanks de hulp die de moeder heeft gehad gaat haar dat ook niet meer lukken. Daarom is het niet goed als de moeder de beslissingen blijft nemen voor [minderjarige] . De moeder is het daar ook mee eens.
5.5
[minderjarige] woont inmiddels al een tijd op de woon- en behandelgroep [behandelgroep] van [zorginstelling] . Hier gaat het goed met hem en hier wordt hem de benodigde specialistische zorg, structuur, stabiliteit, begrenzing, nabijheid en veiligheid geboden. Ook kan [minderjarige] hier tot (na) zijn volwassenheid blijven wonen. Het is voor [minderjarige] nodig dat er nu duidelijkheid komt over de plek waar hij (verder) zal opgroeien. Dat kan niet in het vrijwillig kader. In dat geval zal de moeder namelijk de beslissingen over [minderjarige] moeten blijven nemen en (praktische) zaken voor hem regelen, terwijl de moeder dit niet zelf kan en zij dit zwaar vindt. Regelzaken bezorgen haar stress.
5.6
De rechtbank vindt daarom dat aan de wettelijke eisen voor de beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan. Het kan niet op een andere manier goed geregeld worden voor [persoon] . De moeder blijft natuurlijk wel altijd de moeder van [minderjarige] en dus heel belangrijk voor hem. Ook zal het contact tussen hen gewoon doorlopen zoals nu. De GI heeft verklaard dat zij dit (ook) heel belangrijk vindt voor [minderjarige] en dat zij zich hiervoor zal blijven inzetten en de moeder steeds bij [minderjarige] zal blijven betrekken. De rechtbank vindt het tot slot knap dat de moeder zich zo voor [minderjarige] inzet, zij goed contact onderhoudt met de groep van [minderjarige] en zij prettig met de GI samenwerkt. Dit vindt de rechtbank heel fijn voor [minderjarige] .
Voogdij
5.7
Omdat het gezag van de moeder wordt beëindigd, moet er een voogd worden benoemd. Er moet dan namelijk iemand anders zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen nu hij nog geen achttien jaar is. De Raad heeft geadviseerd om de GI met de voogdij over [minderjarige] te belasten. De GI heeft verklaard daartoe bereid te zijn. De rechtbank vindt dit ook het beste voor [minderjarige] . Daarom zal de rechtbank bepalen dat de GI de voogdij over [minderjarige] krijgt.
Rekening en verantwoording
5.8
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW Pro wordt de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd, er vanuit gaande dat zij het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan haar opvolger in dit bewind.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing direct in gaat, ook als iemandin hoger beroep zou gaan tegen de beslissing.
Gezagsregister
5.1
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder:
[de moeder] ,geboren op [geboortedag 2] 1984 te [geboorteplaats] ,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] ;
6.2
benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige, de Gecertificeerde Instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam;
6.3
veroordeelt de moeder tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de GI over het gevoerde bewind;
6.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, voorzitter tevens kinderrechter, mr. Dijkman en mr. Van der Pols (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 226 lid 1 sub a BW Pro en artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens.