ECLI:NL:RBZWB:2026:5689

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447680 / JE RK 26-756
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling minderjarige en inzet vrijwillige hulpverlening

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar, vanwege zorgen over het plotselinge vertrek van het gezin naar een geheim adres, signalen van huiselijk geweld en contactverlies met de vader.

Tijdens de zitting bleek dat er inmiddels contact was hersteld tussen de ouders en tussen de minderjarige en zijn vader. De moeder stelde vertrouwen in de vader en gaf aan dat het vertrek samenhing met de stiefvader, waardoor een groot probleem was weggenomen. Zowel de ouders als de Raad zagen meer heil in het voortzetten van hulpverlening binnen een vrijwillig kader.

De kinderrechter concludeerde dat het verzoek tot ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk was en wees het verzoek af. De ouders werden aangespoord om samen te werken aan de omgang en de benodigde hulpverlening, waaronder het inzetten van een vertrouwenspersoon, te continueren. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen en de hulpverlening wordt binnen een vrijwillig kader voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447680 / JE RK 26-756
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.X. Scholten uit Vlissingen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder (via videobelverbinding) en haar advocaat;
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan, dan wel zijn mening schriftelijk kenbaar te maken.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Uit het onderzoek zijn zorgen naar voren gekomen, onder meer het plotselinge vertrek van [minderjarige] , zijn broer en zijn moeder naar een geheim adres. [minderjarige] werd uit zijn vertrouwde omgeving gehaald. Daarnaast waren er signalen van huiselijk geweld tussen de moeder en stiefvader. Ook was sprake van contactverlies met de vader. De Raad constateert echter op de zitting dat er toch contact is ontstaan tussen de ouders, maar ook tussen [minderjarige] en de vader. Verder merkt de Raad op dat de moeder haar vertrouwen in de vader heeft gesteld en dat zij samen afspraken hebben gemaakt over de omgang. Gelet op de meest recente ontwikkelingen denkt de Raad dat het meer passend is om de hulpverlening binnen het vrijwillig kader op te pakken. Die hulpverlening is wel nodig. Voorspelbaarheid en continuïteit dienen voor [minderjarige] te worden geborgd. Ook moet aandacht komen voor de mogelijkheid om voor [minderjarige] een vertrouwenspersoon in te zetten. Gelet op de meest recente ontwikkelingen trekt de Raad het verzoek in.
4.2.
De GI ziet nu niet de noodzaak van een ondertoezichtstelling. De communicatie is opgestart. In het geval toch een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken vraagt de GI zich af welke taak zij dan nog heeft.
4.3.
De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij [minderjarige] twee dagen per week ziet. Ook heeft hij belcontact met [minderjarige] . De vader stemt in met vrijwillige hulpverlening.
4.4.
Namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat door het vertrek van de moeder een groot probleem is weggenomen, aangezien dit samenhing met de stiefvader. Mogelijk zou vrijwillige hulpverlening in deze situatie toereikend kunnen zijn, de moeder heeft er ook vertrouwen in dat dat zal lukken. De moeder is akkoord met hulpverlening voor [minderjarige] . Er is ook een kindbegeleider op de locatie waar de moeder nu met de kinderen verblijft. Ook heeft de vader zijn toestemming gegeven voor de inzet van hulpverlening.
4.5.
De moeder heeft tijdens de zitting verteld dat het goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] had zijn vader lang niet fysiek gezien. Hij belt nu twee keer per week met hem. De moeder voelt geen spanningen meer bij [minderjarige] . De moeder vindt het prima dat [minderjarige] contact heeft met de vader. De hulpverlening zou mogelijk ook in het vrijwillig kader ingezet kunnen worden en de moeder stemt daar ook mee in. Het verzoek zou dan voor een korte periode aangehouden kunnen worden, waarbij het verzoek tot ondertoezichtstelling dan dient als stok achter de deur. De moeder wil proberen om, in het belang van [minderjarige] , samen te werken met de vader.

5.De beoordeling

5.1.
De Raad heeft tijdens de zitting geconstateerd dat de moeder haar vertrouwen stelt in de vader en dat de ouders afspraken hebben gemaakt over de omgang. Gelet op de meest recente ontwikkelingen verwacht de Raad dat het meer passend is om de hulpverlening verder in te zetten binnen het vrijwillig kader. Die hulpverlening is wel nodig, nu voorspelbaarheid en continuïteit voor [minderjarige] geborgd moet worden. Gelet daarop heeft de Raad het verzoek ingetrokken. Nu de Raad het verzoek heeft ingetrokken, kan dat niet verder worden onderzocht en beoordeeld. Reden waarom de kinderrechter het verzoek van de Raad afwijst. De kinderrechter wil partijen nog meegeven dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de ouders samen aan de slag gaan om de omgang tussen [minderjarige] en de vader weer structureel plaats te laten vinden. Ook verwacht de kinderrechter dat de ouders zich, in lijn met het advies van de Raad, inspannen om de (voor [minderjarige] ) benodigde hulpverlening in te zetten, waaronder een vertrouwenspersoon, zodat [minderjarige] kan praten over hetgeen hij heeft meegemaakt. Indien zij voor hun communicatie aanvullende hulp wensen zou dit met hulp van de gemeente en de opvang mogelijk via Teams kunnen worden vormgegeven.
5.2.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.