ECLI:NL:RBZWB:2026:5690

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
444653
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:276 lid 1 BWArt. 266 lid 1 sub a BWArt. 8 EVRMBesluit Gezagsregisters art. 2
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming pleegouders tot voogd over minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind, geboren in 2022, en de benoeming van de pleegouders tot voogd. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht hiertoe vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind indien de moeder het gezag zou blijven uitoefenen.

De feiten tonen aan dat de minderjarige sinds de geboorte bij de pleegouders verblijft en daar goed is gehecht en verzorgd. De moeder is niet in staat zelfstandig de noodzakelijke gezagsbeslissingen te nemen en kan onvoldoende basiszorg bieden, ondanks hulpverlening. De moeder erkent dit en stemt in met het verzoek. De pleegouders en de gecertificeerde instelling ondersteunen eveneens het verzoek en benadrukken de goede samenwerking met de moeder.

De rechtbank oordeelt dat aan de wettelijke eisen voor beëindiging van het gezag is voldaan en dat het belang van het kind gediend is met de voogdij bij de pleegouders. De moeder wordt veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van het kind aan de pleegouders. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de wijziging wordt geregistreerd in het centraal gezagsregister.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de pleegouders worden benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/444653 / FA RK 26-577
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer betreffende gezagsbeëindiging
op het verzoek van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbenden worden in deze zaak aangemerkt:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [plaats 2] ,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 29 januari 2026 ingekomen verzoek tot gezagsbeëindiging, met bijlagen;
- de op 29 januari 2026 ingekomen schriftelijke bereidverklaring van de pleegouders van 27 januari 2026.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 1 mei 2026. Bij die zitting zijn verschenen de moeder en de pleegouders. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1
[minderjarige] is geboren uit de moeder. De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
2.2
Bij beschikking van 11 januari 2022 is de op dat moment nog ongeboren [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 11 januari 2022 en tot 11 januari 2023.
2.3
Bij beschikking van 17 februari 2022 is [minderjarige] met spoed uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken, met ingang van 17 februari 2022 en tot 3 maart 2022, zonder het vooraf horen van de belanghebbenden. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4
Bij beschikking van 25 februari 2022 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 3 maart 2022 en tot 17 augustus 2022.
2.5
Bij beschikking van 12 augustus 2022 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 augustus 2022 en tot 11 januari 2023.
2.6
Bij beschikking van 6 januari 2023 zijn de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 11 januari 2023 en tot 11 januari 2024. De maatregelen zijn nadien telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 8 januari 2026, met ingang van 11 januari 2026 en tot 11 juli 2026.
2.7
[minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

3.Het verzoek

3.1
De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige [minderjarige] te beëindigen en adviseert om de pleegouders te belasten met de voogdij over [minderjarige] . Daarbij verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.

4.De standpunten

4.1
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het raadsrapport. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] als de moeder belast blijft met het gezag over hem. De moeder is vanwege haar niveau van functioneren namelijk niet (zelfstandig) in staat om gezagsbeslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. Het lukt de moeder ondanks de inzet van hulpverlening onvoldoende om [minderjarige] de benodigde basiszorg en bescherming te bieden en tegemoet te komen aan hetgeen hij nodig heeft. Dit alles maakt dat er geen perspectief is op een terug-thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Daarbij komt dat de moeder de uitoefening van het gezag als belastend ervaart. Regelzaken overvragen haar en bezorgen haar stress. Daarom kan de huidige situatie niet in het vrijwillig kader worden voortgezet. Dit doet echter niets af aan de betrokkenheid van de moeder bij [minderjarige] en haar bereidheid en wil om het goede voor hem te doen. [minderjarige] verblijft al sinds zijn geboorte bij de pleegouders, is aan hen gehecht en ontwikkelt zich erg goed. Hij wordt op een passende wijze verzorgd en opgevoed. Daarom acht de Raad het in het belang van [minderjarige] dat de pleegouders met de voogdij over hem worden belast. De pleegouders staan hiervoor open. Zij staan er ook voor open om de moeder blijvend een rol te geven in het leven van [minderjarige] . De samenwerking tussen hen is bijzonder goed en dat is ontzettend waardevol voor [minderjarige] . Zowel de moeder als de pleegouders verdienen daarvoor een groot compliment.
4.2
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek. Zij is het ermee eens dat de pleegouders, die de dagelijkse zorg en opvoeding voor [minderjarige] dragen, worden belast met de voogdij over [minderjarige] , zodat zij voortaan de belangrijke beslissingen over hem kunnen nemen. Nu doet de moeder dat in overleg met de pleegouders en de GI en dat vergt veel van haar. Daarbij komt dat de moeder afhankelijk is van haar fiets of het openbaar vervoer, waardoor zij in spoedgevallen niet snel bij [minderjarige] kan zijn. De moeder vindt het fijn dat [minderjarige] zo goed op zijn plek zit bij de pleegouders. Hij wordt heel goed verzorgd en opgevoed. Ook heeft de moeder heel fijn contact met de pleegouders en verloopt de omgang met [minderjarige] goed. Daar is zij erg blij mee.
4.3
De pleegouders stemmen in met het verzoek. Zij zijn bereid om met de voogdij over [minderjarige] te worden belast. Het gaat heel erg goed met [minderjarige] . Hij heeft ook een goede band met de dochter van de pleegouders. De belangrijke beslissingen zijn de afgelopen tijd al steeds in overleg met de pleegouders genomen. Dit is goed verlopen. De pleegouders hebben ook al sinds de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin een goed contact en een fijne samenwerking met de moeder. Dit achten zij in het belang van [minderjarige] en dit zal na de gezagsbeëindiging niet veranderen. De pleegouders zien dat de moeder heel veel van [minderjarige] houdt en dat zij enkel het beste voor hem wil. Dat willen de pleegouders ook.
4.4
De GI staat achter het verzoek van de Raad. Het is in het belang van [minderjarige] dat de pleegouders met de voogdij over hem worden belast. Het is verder bijzonder mooi en heel belangrijk voor [minderjarige] dat de pleegouders en de moeder zich zo goed tot elkaar verhouden en met elkaar samenwerken. Dit zal ook na de gezagsbeëindiging zo verder blijven gaan.

5.De beoordeling

Waar gaat het in deze zaak om?
5.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of het gezag van de moeder over [minderjarige] moet worden beëindigd en, in samenhang daarmee, of de pleegouders met de voogdij over [minderjarige] moeten worden belast.
Wat beslist de rechtbank?
5.2
De rechtbank vindt dat het verzoek toegewezen moet worden omdat aan de eisen daarvoor is voldaan. [1] Dit betekent dat de moeder niet langer de beslissingen zal nemen over [minderjarige] . De pleegouders zullen daarbij tot voogd over [minderjarige] worden benoemd. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Waarom neemt de rechtbank deze beslissing?
5.3
[minderjarige] woont al sinds zijn geboorte bij de pleegouders. Hier ontwikkelt hij zich goed. [minderjarige] is gehecht aan de pleegouders en zij zorgen goed voor hem. De pleegouders hebben daarnaast een heel fijn contact en een goede samenwerking met de moeder. Ook verloopt de omgang tussen de moeder en [minderjarige] goed. De moeder is heel liefdevol naar [minderjarige] toe. Zij doet enorm haar best voor hem, maar het blijft moeilijk voor de moeder om zelfstandig beslissingen te nemen die goed zijn voor [minderjarige] . De moeder is daarnaast onvoldoende in staat om zelf voor [minderjarige] te zorgen. Ondanks de hulp die de moeder heeft gehad gaat haar dat ook niet meer lukken. Daarom is het niet goed als de moeder de beslissingen blijft nemen voor [minderjarige] . De moeder is het daar ook mee eens.
5.4
Voor [minderjarige] is het nodig dat er nu duidelijkheid komt over de plek waar hij (verder) zal opgroeien. Dat kan niet in een vrijwillig kader. In dat geval zal de moeder namelijk de beslissingen over [minderjarige] moeten blijven nemen en (praktische) zaken voor hem regelen, terwijl de moeder dit niet zelf kan en zij dit zwaar vindt. Regelzaken bezorgen haar stress.
5.5
De rechtbank vindt daarom dat aan de wettelijke eisen voor de beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan. Het kan niet op een andere manier goed geregeld worden voor [minderjarige] . De moeder blijft natuurlijk wel altijd de moeder van [minderjarige] en dus heel belangrijk voor hem. Ook zal het contact tussen hen gewoon doorgaan zoals nu. De pleegouders hebben verklaard dat zij dit (ook) heel belangrijk vinden voor [minderjarige] en dat zij zich hiervoor zullen blijven inzetten. Dat vindt de rechtbank ontzettend fijn voor [minderjarige] .
Voogdij
5.6
Omdat het gezag van de moeder wordt beëindigd, moet er een voogd worden benoemd. Er moet dan namelijk iemand anders zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen nu hij nog geen achttien jaar is. De Raad heeft geadviseerd om de pleegouders met de voogdij over [minderjarige] te belasten. De pleegouders hebben verklaard daartoe bereid te zijn. De rechtbank vindt dit ook het beste voor [minderjarige] . Daarom zal de rechtbank bepalen dat de pleegouders de voogdij over [minderjarige] krijgen.
Rekening en verantwoording
5.7
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW Pro wordt de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd, er vanuit gaande dat zij het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan haar opvolger in dit bewind.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing direct in gaat, ook als iemand in hoger beroep zou gaan tegen de beslissing.
Gezagsregister
5.9
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder:
[de moeder] ,geboren op [geboortedag 2] 1984 te [geboorteplaats 1] ,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ;
6.2
benoemt tot voogden over voornoemde minderjarige:
[pleegouder 1], geobren op [geboortedag 3] 1986 te [geboorteplaats 2] ,
en
[pleegouder 2], geboren op [geboortedag 4] 1985 te [geboorteplaats 3] ;
6.3
veroordeelt de moeder tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de pleegouders over het gevoerde bewind;
6.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, voorzitter tevens kinderrechter, mr. Dijkman en mr. G.E. van der Pols (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 266 lid 1 sub a Burgerlijk Pro Wetboek en artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens.