ECLI:NL:RBZWB:2026:5692

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/02/420985 FA RK 24-1630
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling en kinderbijdrage bij schuldsanering met bewindvoering

Partijen, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over hun minderjarige kind, hebben overeenstemming bereikt over de zorgregeling en de kinderbijdrage. De minderjarige woont bij de moeder, die onder bewind staat, evenals de vader. De rechtbank heeft op verzoek van partijen de mondelinge behandeling komen te vervallen vanwege deze overeenstemming.

De zorgregeling bepaalt dat het kind om de veertien dagen van vrijdagavond tot maandagavond bij de vader verblijft, met aanvullende contactmomenten op maandag na schooltijd zolang de vader met het kind naar dansles gaat, en dat de vakanties in onderling overleg worden verdeeld. Ten aanzien van de kinderbijdrage is overeengekomen dat de vader geen bijdrage hoeft te betalen zolang een minnelijke of wettelijke schuldsanering van toepassing is, met de verplichting om de moeder binnen twee weken na het einde van de regeling hiervan op de hoogte te stellen.

De rechtbank acht de regeling in het belang van het kind en wijst het verzoek toe zoals overeengekomen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de zorgregeling en kinderbijdrage vast conform de overeenstemming tussen partijen, waarbij de vader geen kinderbijdrage betaalt zolang een schuldsanering geldt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/420985 FA RK 24-1630
datum uitspraak 28 mei 2026
beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
Zeker Financieel Beheer B.V,
adres houdend te Middelburg,
in de hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de vrouw,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg,
en
Kwakkenbos Bewindvoeringen B.V.,
adres houdend te Goes,
in de hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de man,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 5 april 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het e-mailbericht van 13 augustus 2025 van Kind in scheiding Zeeland met als bijlage de terugmelding van het hulpverleningstraject (UHA);
- de brief d.d. 26 augustus 2025 van de Raad;
- het F9-formulier d.d. 6 oktober 2025 van mr. Van den Branden met bijlage;
- de brief d.d. 11 december 2025 van mr. Van den Branden met bijlage;
- het op 15 januari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de brief d.d. 16 maart 2026 met het rapport en advies van de Raad;
- de brief d.d. 8 april 2026 van mr. Van den Branden;
- het F9-formulier d.d. 9 april 2026 van de Raad.
1.2. De op 9 april 2026 bepaalde mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen – omdat zij algehele overeenstemming hadden bereikt – geen doorgang gevonden.
1.3. Na te noemen minderjarige is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.

2.De feiten

2.1
Partijen, Nederlanders, hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het navolgende, nu nog minderjarige kind is geboren:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.5.
Bij beschikking d.d. 27 september 2021 van de kantonrechter van deze rechtbank is een tijdelijk bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de vrouw met benoeming van [persoon 1] h.o.d.n. B&M Budgetbeheer. Bij beschikking d.d. 15 december 2022 is voornoemde bewindvoerder ontslagen en is met ingang van
1 januari 2023 [persoon 2] h.o.d.n. B&M Budgetbeheer als opvolgend bewindvoerder benoemd. Bij beschikking d.d. 7 november 2024 is [persoon 2] h.o.d.n. B&M Budgetbeheer vanaf 1 december 2024 ontslagen als bewindvoerder onder gelijktijdige benoeming van Zeker Financieel B.V. te Middelburg.
2.6.
Bij beschikking d.d. 20 november 2024 heeft de kantonrechter te Middelburg een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de man met benoeming van Kwakkenbos Bewindvoeringen B.V. te Goes tot bewindvoerder.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw en haar bewindvoerder verzoeken thans, samengevat, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige bij de man verblijft eens per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur en de andere week op maandag van na school tot 19.00 uur (zolang de man met [minderjarige] naar dansles gaat) en daarnaast gedurende de helft van de vakanties in overleg te bepalen;
- te bepalen dat de man niet gehouden is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige te voldoen zolang ten aanzien van hem een minnelijke dan wel wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is onder de bepaling dat de man gehouden is binnen twee weken na het einde van een dergelijke regeling de vrouw daarvan op de hoogte te stellen.

4.De beoordeling

4.1.
Bij brief van 8 april 2026 is namens de vrouw en haar (huidige) bewindvoerder bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt. Gelet op die overeenstemming wijzigen de vrouw en haar bewindvoerder de verzoeken zoals hiervoor onder 3.1. is weergegeven. Zij geven daarbij aan dat de mondelinge behandeling geen doorgang hoeft te vinden.
4.2.
Bij genoemd F9-formulier d.d. 9 april 2026 is namens de man en zijn bewindvoerder bericht dat wordt ingestemd met de overeenstemming zoals door mr. Van den Branden in haar brief van 8 april jl. is aangegeven. Voorts wordt aangegeven dat de zitting geen doorgang hoeft te vinden.
4.3.
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt omtrent de zorgregeling en deze regeling, mede gelet op het Raadsadvies, in het belang van de minderjarige wordt geacht, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
4.4.
Ten aanzien van de kinderbijdrage wordt als volgt overwogen. Het verzoekschrift is gericht tegen de man. Uit de stukken blijkt dat, nadat de man op 20 november 2024 onder bewind was gesteld, de bewindvoerder van de man in de procedure is betrokken.
Mr. Wouters heeft namens de man en de bewindvoerder van de man verweer gevoerd en heeft vervolgens bericht dat de man en zijn bewindvoerder kunnen instemmen met de overeenstemming, zoals dat door mr. Van den Branden in haar brief van 9 april 2026 is verwoord. Daarmee staat voldoende vast dat met betrekking tot het verzoek omtrent de kinderbijdrage de bewindvoerder van de man procespartij is geworden (ook al wordt hij niet als zodanig in de stukken genoemd). De rechtbank zal in het navolgende wel blijven spreken over de man en de vrouw dan wel partijen. Hetgeen partijen omtrent de kinderbijdrage zijn overeengekomen, komt de rechtbank niet ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eens per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur en de andere week op maandag na school tot 19.00 uur (zolang de man met [minderjarige] naar dansles gaat) en daarnaast gedurende de helft van de vakanties in onderling overleg door de man en de vrouw te bepalen;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, zolang ten aanzien van de man een minnelijke dan wel wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, op nihil, waarbij de man gehouden is binnen twee weken na het einde van een dergelijke regeling de vrouw daarvan op de hoogte te stellen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.