ECLI:NL:RBZWB:2026:5699

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448610 / JE RK 26-920
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2016 en 2019, die momenteel bij hun vader verblijven. De moeder heeft het ouderlijk gezag en stemde in met het verzoek. De vader was niet aanwezig bij de zitting.

De kinderrechter constateerde een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van de kinderen acuut en ernstig wordt bedreigd. Er zijn zorgen over loyaliteitsproblematiek door de omgangsregeling, een Veilig Thuis-melding over mogelijke mishandeling, en problematische communicatie tussen de ouders, waaronder grensoverschrijdende berichten van de vader aan de moeder. Ook worden afspraken over het ophalen van de kinderen niet nagekomen.

De woonruimte van de moeder is te klein en de kinderen gaan naar school in de woonplaats van de vader. Daarom is het noodzakelijk dat de kinderen voorlopig bij de vader worden geplaatst. De kinderrechter machtigt de gecertificeerde instelling om de kinderen uit huis te plaatsen en stelt hen voorlopig onder toezicht voor drie maanden. De beslissing is direct uitvoerbaar en de vader ontvangt een afschrift van de beschikking.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen voorlopig onder toezicht en machtigt hun uithuisplaatsing bij de vader voor drie maanden wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448610 / JE RK 26-920
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuid-West-Nederland,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. A.A. Broekman-de Feijter uit Terneuzen,
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het tijdens de zitting van 28 mei 2026 gedane mondelinge verzoek van de Raad;
  • het schriftelijke verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.
Op 28 mei 2026 heeft de rechtbank zaaknummer C/02/447064 / FA RK 26-1872 tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. Gedurende de behandeling van deze zaak heeft de Raad een mondeling verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing gedaan. Op zaaknummer C/02/447064 / FA RK 26-1872 wordt per seperate beschikking beslist.
1.3.
Op de zitting van 28 mei 2026 zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door een (telefonische) tolk in de Indonesische taal, met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
1.4.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader in zaaknummer C/02/447064 / FA RK 26-1872 wel juist is opgeroepen.
1.5.
Aan de stagiaire van mr. Broekman-de Feijter is bijzondere toestemming gegeven om bij de zitting aanwezig te zijn.
1.6.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in zaaknummer C/02/447064 / FA RK 26-1872 naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft het antwoordformulier teruggestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij hun vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad geeft aan dat er een vermoeden bestaat dat de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij ernstig worden bedreigd in de ontwikkeling en dat aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarigen weg te nemen, aldus de Raad. Omdat de minderjarigen op dit moment bij de vader zonder gezag verblijven en er een voorlopige ondertoezichtstelling is verzocht, is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Om die reden verzoekt de Raad deze ook. De Raad benadrukt dat het aan de GI is om zo snel mogelijk zicht op de situatie van de minderjarigen te krijgen. Op die manier kan er een inschatting gemaakt worden van de veiligheid van de kinderen bij zowel de vader als de moeder. Het is aan de GI om te gaan handelen, indien de veiligheid van de kinderen niet geborgd is.
4.2.
Namens en door de moeder is aangegeven dat zij kan instemmen met de verzoeken van de Raad.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Zoals de Raad ter zitting heeft aangegeven, zitten de kinderen enorm klem tussen beide ouders. Ook is er sprake van al dan niet dreigend contactverlies. De kinderen worden op vrijdag op het schoolplein voor de keuze gesteld of zij met de moeder meegaan dat weekend of met de grootouders vaderszijde meegaan. Aan de kinderen wordt dan beloofd dat zij als zij met grootouders mee gaan, dat weekend mogen paardrijden. Deze manier van met de kinderen omgaan, verhoogt het risico op loyaliteitsproblematiek.
5.3.
De school daarnaast heeft een Veilig Thuis melding gedaan. De precieze inhoud is op de zitting niet geheel duidelijk geworden. Volgens de Raad heeft [jeugdhulp] aangegeven dat [minderjarige 2] op school heeft verteld dat zij bang zou zijn voor de moeder en dat zij door de moeder geslagen zou worden en dat er bloed uit haar mond kwam. Het is niet bekend wie gezien heeft dat er bloed uit de mond van [minderjarige 2] kwam. Ook zou [minderjarige 2] bijna dagelijks in haar broek plassen.
5.4.
De moeder heeft erkend dat [minderjarige 2] een zwakke blaas heeft en dat het in de broek plassen komt, doordat ze op school moet wachten voor ze naar de toilet kan. De moeder heeft uitdrukkelijk betwist dat zij [minderjarige 2] geslagen zou hebben. De moeder is bereid om de Veilig Thuis melding met de Raad te delen. Ook haar is niet bekend wat er in staat. [jeugdhulp] heeft enkel aangegeven dat de ouders de Veilig Thuis melding zelf kunnen opvragen.
5.5.
Daarnaast zijn er grote zorgen over de communicatie van de ouders en met name over de manier waarop de vader met de moeder omgaat. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de moeder een aantal zeer recente berichten van de vader aan de moeder voorgelezen, welke niet alleen gaan over het ouderschap. De vader stuurt grensoverschrijdende en seksueel getinte berichten naar de moeder en uit daarin ook zijn boosheid richting de moeder. Typisch is dat de vader de moeder aan de ene kant uitmaakt voor narcist en haar allerlei verwijten maakt over verwaarlozing van hem en de kinderen. Aan de andere kant geeft de vader aan dat hij van de moeder houdt en lijkt hij een deel (met name het seksuele deel) van hun eerdere relatie terug te willen.
5.6.
Wat in de communicatie tussen de ouders ook zeer zorgelijk is, is dat de afspraken over wanneer de kinderen opgehaald worden niet structureel worden nagekomen. Het is schrijnend dat het al eens voorgekomen is dat de kinderen op zondag niet werden opgehaald en de moeder de kinderen op maandagochtend vroeg met de trein terug moest brengen, zodat zij alsnog op tijd op school zouden komen.
5.7.
De kinderrechter wijst er de GI op dat de GI daarom ook zicht moet krijgen op de oudercommunicatie en hierbij passende hulpverlening dient in te zetten.
5.8.
Omdat de moeder het eenhoofdige gezag heeft en de kinderen op dit moment feitelijk bij de man verblijven, is het omdat er een voorlopige ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, ook nodig dat er een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen wordt uitgesproken. De moeder kan de kinderen op dit moment niet zelf volledig verzorgen. De school van de kinderen is in [plaats 2] en de moeder heeft het advies van de hulpverlening opgevolgd. Daardoor zitten de kinderen nog steeds in [plaats 2] op school. De vader woont dichtbij de school. Daarnaast speelt een rol dat de huidige woonruimte van de moeder te klein is om de beide kinderen structureel op te vangen. De moeder staat op een wachtlijst voor andere woonruimte.
5.9.
De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat deze situatie op dit moment wordt bestendigd en dat betekent dat de kinderen uit huis worden geplaatst, bij de vader. [2]
5.10.
Het is van groot belang dat de GI met spoed de veiligheid van de kinderen gaat inschatten, zodat duidelijk wordt of de kinderen bij de vader al dan niet voorlopig veilig zijn. Niet alleen is het dan van belang om te kijken naar de mogelijke belasting van de kinderen, maar ook naar het contact tussen de zussen nu [minderjarige 2] tegen haar moeder heeft verteld dat zij door de vader en de grootouders anders behandeld wordt dan dat zij [minderjarige 1] behandelen. Zo zou [minderjarige 1] nieuwe kleding krijgen en als zij om meer eten vraagt, meer eten krijgen. Dit in tegenstelling tot [minderjarige 2] .
5.11.
De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Afschrift beschikking aan vader
5.13
Op dit moment is de vader aangemerkt als informant. De kinderrechter vindt het echter van belang dat ook de vader kennis kan nemen van de inhoud van deze beschikking en de door de kinderrechter genomen maatregelen. Om die reden zal de kinderrechter de griffier opdracht geven een afschrift van de beschikking naar de vader te sturen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 28 mei 2026 tot 28 augustus 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader met ingang van 28 mei 2026 en tot 28 augustus 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
geeft de griffier opdracht om een afschrift van deze beschikking naar de vader te sturen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).