ECLI:NL:RBZWB:2026:5702

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447750 / FA RK 26-2260
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 WvggzArt. 7:2 lid 1 WvggzArt. 7:6 WvggzArt. 1:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen crisismaatregel en afwijzing schadevergoeding Wvggz

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van verzoeker tegen een crisismaatregel opgelegd door de burgemeester van de gemeente Vught op 20 april 2026. Verzoeker stelde dat de maatregel onvoldoende concreet was gemotiveerd, dat hij niet was gehoord en dat de maatregel niet voldeed aan de wettelijke vereisten van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Tevens verzocht hij om een schadevergoeding.

De rechtbank nam kennis van de medische verklaring van een onafhankelijk psychiater die een psychotisch toestandsbeeld bij verzoeker vaststelde, met een ernstig vermoeden van een psychische stoornis binnen het schizofreniespectrum en onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Verzoeker vertoonde verzet tegen zorg en was niet bereid vrijwillige behandeling te ondergaan.

De rechtbank oordeelde dat de crisismaatregel voldoende concreet en zorgvuldig was gemotiveerd, dat de hoorplicht was nageleefd en dat minder bezwarende alternatieven ontoereikend waren. De maatregel was noodzakelijk om de crisissituatie te stabiliseren en verdere escalatie te voorkomen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door rechter De Beer.

Uitkomst: Het beroep tegen de crisismaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447750 / FA RK 26-2260
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beslissing over beroep tegen de crisismaatregel en op het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 10:12 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 29 mei 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg op het ingediende verzoekschrift van
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker,
thans verblijvende te [accommodatie] te [plaats] ,
Advocaat: mr. Z. Yeral te Roosendaal.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
  • de burgemeester van de gemeente Vugth,
  • de geneesheer-directeur van [accommodatie] te [plaats] .
De zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke worden hierna gezamenlijk aangeduid als verweerder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 30 april 2026;
  • het bericht van mr. Yeral van 18 mei 2026;
  • het bericht van de gemeente Vught van 20 mei 2026;
  • het bericht van de geneesheer-directeur (verweerder) van 20 mei 2026;
  • het verweerschrift van verweerder, binnengekomen bij de rechtbank op 21 mei 2026.

2.Wat vaststaat

2.1.
Bij beschikking van 20 april 2026 heeft de burgemeester van de gemeente Vught een crisismaatregel afgegeven van 20 april 2026 tot en met 23 april 2026. De volgende vormen van verplichte zorg zijn daarin opgenomen:
- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter
behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding en/of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
- opnemen in een accommodatie.
2.2.
Door de rechtbank is op 24 april 2026 een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 15 mei 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in een accommodatie van [accommodatie] te [plaats] .
2.1.
Op 30 april 2026 is onderhavig verzoek bij de rechtbank ingediend.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
De advocaat stelt namens verzoeker beroep in tegen de op 20 april 2026, namens de burgemeester van de gemeente Vught, door de (gemandateerde) mevrouw [persoon] , opgelegde crisismaatregel. Verzoeker verzoekt het beroep gegrond te verklaren en een schadevergoeding toe te kennen. Hij voert hiertoe het volgende aan.
  • volgens verzoeker is de beschikking onvoldoende concreet gemotiveerd en bevat deze grotendeels algemene, gestandaardiseerde formuleringen die niet specifiek op hem zijn toegespitst;
  • verzoeker voert aan dat onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en dat dit nadeel voortvloeit uit een psychische stoornis;
  • dat sprake is van verzet tegen zorg en dat er sprake was van een crisissituatie zodanig dat een procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht;
  • dat de beschikking geen concrete onderbouwing bevat van het vermoeden van een psychische stoornis. Ook wordt niet vermeld welke stoornis wordt vermoed en waarop dat vermoeden is gebaseerd;
  • verzoeker betwist dat hij voorafgaand aan de crisismaatregel is gehoord. Hierdoor is volgens verzoek niet controleerbaar of daadwerkelijk aan de hoorplicht voldaan;
  • verzoeker voert verder aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de crisismaatregel noodzakelijk en proportioneel was;
  • dat de maatregel niet voldoet aan de eisen van de Wvggz en in strijd is met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3.2.
De advocaat verzoekt namens verzoeker ook om verzoeker een schadevergoeding toe te kennen voor een bedrag zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.3.
Verweerder voert gemotiveerd verweer strekkende tot ongegrondverklaring van de klacht en afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 7:6 lid 1 Wvggz Pro kan verzoeker door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek binnen drie weken na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, bij de rechter beroep instellen tegen de crisismaatregel.
4.2.
Op 20 april 2026 is door de burgemeester een crisismaatregel genomen ten aanzien van verzoeker. Verzoeker heeft op 30 april 2026 beroep ingesteld tegen deze crisismaatregel. Het beroep is derhalve tijdig ingesteld.
4.3.
In artikel 7:6 derde Pro lid onder b, van de Wvggz is bepaald dat de burgemeester niet eerder een crisismaatregel neemt nadat hij betrokkene, zo mogelijk, in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Daarnaast blijkt uit artikel 7:1 lid 1 onder Pro e. van de Wvggz dat slechts een crisismaatregel kan worden opgelegd indien sprake is van verzet als bedoeld in artikel 1:4 tegen Pro zorg.
Standpunt van verzoeker
4.4.
Verzoeker stelt dat aan de wettelijke vereisten niet is voldaan en heeft beroep ingesteld tegen de op 20 april 2026 door verweerder genomen crisismaatregel op grond van artikel 7:1 Wvggz Pro. Verzoeker kan zich niet verenigen met dit besluit en stelt dat de crisismaatregel ten onrechte is opgelegd. Volgens verzoeker is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Hij voert aan dat verweerder in de beschikking voornamelijk gebruik heeft gemaakt van algemene en gestandaardiseerde formuleringen zonder concreet toe te lichten waarom in de specifieke situatie van verzoeker sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, een psychische stoornis en verzet tegen zorg. Ook zou onvoldoende zijn gemotiveerd waarom een reguliere zorgmachtiging niet kon worden afgewacht.
4.5.
Daarnaast stelt verzoeker dat hij voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel niet is gehoord terwijl in de beschikking wel staat vermeld dat dit zou zijn gebeurd. Volgens verzoeker blijkt uit de stukken niet wanneer, door wie en op welke wijze hij zou zijn gehoord. Daarmee is volgens hem niet voldaan aan de hoorplicht en is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Verder voert verzoeker aan dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake was van een vermoeden van een psychische stoornis en van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Volgens hem ontbreekt een concrete medische verklaring en onderbouwing waaruit blijkt dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een crisismaatregel was voldaan.
4.6.
Verzoeker stelt zich daarom op het standpunt dat de crisismaatregel is genomen in strijd met de Wvggz en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Standpunt van verweerder
4.7.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het door verzoeker ingestelde beroep tegen de crisismaatregel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard en dat de verzochte schadevergoeding moet worden afgewezen en voert daartoe - samengevat - het volgende aan.
4.8.
Allereerst betwist verweerder uitdrukkelijk de stelling van verzoeker dat hij voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel niet zou zijn gehoord. Volgens verweerder is betrokkene wel degelijk gehoord, namelijk door een medewerker van Farent, de lokale instelling voor maatschappelijk werk. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt, welk verslag als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd. Daarmee stelt verweerder dat aan de hoorplicht is voldaan. Daarnaast betwist verweerder het standpunt van verzoeker dat de crisismaatregel onvoldoende zou zijn gemotiveerd. Verweerder voert aan dat een onafhankelijk psychiater onderzoek heeft verricht naar verzoeker en naar aanleiding daarvan een uitgebreide medische verklaring heeft opgesteld. In die medische verklaring concludeert de psychiater dat er sprake was van omstandigheden die het treffen van een crisismaatregel noodzakelijk maakten. Volgens verweerder vormt deze medische verklaring een voldoende onderbouwing van het besluit tot oplegging van de crisismaatregel.
4.9.
Op grond van het voorgaande concludeert verweerder dat de crisismaatregel rechtmatig is opgelegd en dat de procedure zorgvuldig is verlopen.
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.11.
Uit de stukken blijkt dat de aanleiding voor het nemen van de crisismaatregel is geweest dat verzoeker, tijdens zijn verblijf in [PPC] , psychotisch ontregeld gedrag vertoonde. Volgens de medische verklaring was er sprake van een psychotisch toestandsbeeld bij een man die bekend is met een verstandelijke beperking en een schizofreniespectrumstoornis waarvoor eerder binnen de [PPC] reeds gedwongen behandeling noodzakelijk was geweest. Verzoeker vertoonde hallucinatoir gedrag, sprak in zichzelf, maakte seksueel grensoverschrijdende opmerkingen, had een beperkte impulsbeheersing en liet snel oplopende agitatie en dreigend gedrag zien. Daarnaast maakte hij tijdens het psychiatrisch onderzoek een gejaagde en onrustige indruk, sprak hij snel en gedreven en gaf hij blijk van akoestische hallucinaties, terwijl ziektebesef en inzicht ontbraken.
4.12.
Verder is vastgesteld dat verzoeker zich verzette tegen zorg en niet bereid was vrijwillig opgenomen te blijven binnen PPC of zich vrijwillig te laten behandelen binnen de GGZ. Verzoeker ontkende psychisch ziek te zijn en stelde geen behandeling nodig te hebben. Volgens de psychiater ontbraken ziektebesef en inzicht en werd verzoeker niet in staat geacht zijn belangen ter zake van de noodzakelijke zorg redelijk te waarderen. Vrijwillige zorgverlening werd daarom niet mogelijk geacht.
4.13.
De crisismaatregel is gebaseerd op een medische verklaring van een onafhankelijk psychiater opgesteld voorafgaand aan het nemen van het besluit. Uit die verklaring blijkt dat er sprake was van een ernstig vermoeden van een psychische stoornis bestaande uit een psychotisch toestandsbeeld binnen het schizofreniespectrum alsmede van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel als bedoeld in de Wvggz. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op die medische verklaring mogen baseren. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder aanleiding had moeten zien om aan de inhoud of de zorgvuldigheid van die verklaring te twijfelen.
4.14.
Anders dan verzoeker heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voldoende concreet is gemotiveerd. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt op welke feiten en omstandigheden het oordeel is gebaseerd dat er sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en waarom het noodzakelijk werd geacht verplichte zorg toe te passen. Daarbij is verweerder uitgaan van de bevindingen van de psychiater rondom het psychotische toestandsbeeld van verzoeker, zijn oplopende agitatie, dreigende en seksueel grensoverschrijdende gedrag, beperkte impulsbeheersing en het ontbreken van ziekte-inzicht. Ook is volgens de rechtbank voldoende uiteengezet waarom de reguliere procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht. In artikel 7:2 lid 1 Wvggz Pro staan de minimumvereisten voor een crisismaatregel opgesomd. Aan die vereisten voldoet het onderhavige besluit. De Algemene Wet Bestuursrecht is nu niet van toepassing. Het besluit moet aldus in samenhang met de medische verklaring worden gezien. Daarmee is het besluit voldoende zorgvuldig gemotiveerd.
4.15.
De rechtbank volgt verzoeker evenmin in zijn standpunt dat de hoorplicht zou zijn geschonden. Verweerder heeft toegelicht dat verzoeker voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel telefonisch is gehoord en dat hiervan een verslag is opgemaakt. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen. Dat verzoeker zich niet kan verenigen met de inhoud van het besluit maakt niet dat er reeds daarom sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding.
4.16.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat minder bezwarende alternatieven ontoereikend waren om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel af te wenden. Gelet op de acute psychotische ontregeling, het ontbreken van ziektebesef en inzicht, de oplopende agitatie en het door de behandelaars geschetste risico op agressie en verdere escalatie, heeft verweerder de in de crisismaatregel opgenomen vormen van verplichte zorg noodzakelijk mogen vinden. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat het ging om maatregelen die erop waren gericht de crisissituatie te stabiliseren, de veiligheid van anderen te waarborgen en verdere escalatie te voorkomen.
4.17.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de crisismaatregel in overeenstemming met de wettelijke vereisten van de Wvggz heeft genomen en dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en toereikend is gemotiveerd. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart het beroep ongegrond.
5.2.
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. De Beer, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open en voor zover het.over het verzoek om schadevergoeding gaat hoger beroep.