ECLI:NL:RBZWB:2026:5713

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447082 / JE RK 26-643
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van den Broek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling en onstabiel contact

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen te verlengen. De kinderen wonen bij hun vader, die samen met de moeder het ouderlijk gezag uitoefent. De ouders zijn gescheiden en er is sprake van wisselende en onstabiele contacten tussen de kinderen en de moeder, evenals communicatieproblemen tussen de ouders.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de kinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gehoord. Zij gaven aan graag door de vader geïnformeerd te worden over de uitkomst van de procedure, terwijl [minderjarige 1] geen gesprek wenste. De gecertificeerde instelling stelde dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald en dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd. De vader verzocht om beëindiging of verkorting van de verlenging, terwijl de moeder de hulpverlening en verlenging steunde.

De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging is voldaan, omdat de bedreiging van de ontwikkeling voortduurt en de ouders onvoldoende in staat zijn constructief te communiceren zonder de kinderen te belasten. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd: voor [minderjarige 1] tot haar 18e verjaardag en voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor zes maanden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de drie minderjarige kinderen voor zes maanden vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en onstabiel contact met de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447082 / JE RK 26-643
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] , Syrië,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] , Syrië,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2013 in [geboorteplaats] , Syrië,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C.C.J. Mouwen uit Tilburg, ter zitting waargenomen door haar kantoorgenoot mr. I. Cools,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Huseinovic uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat:
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de heer [persoon] , tolk in de Arabisch-Syrische taal (voor beide ouders).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De kinderrechter heeft zich na afloop van de zitting gerealiseerd dat zij vergeten is partijen te vertellen dat zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 3] heeft aangegeven graag door de vader op de hoogte gesteld te willen worden over de uitkomst van deze procedure.
[minderjarige 1] heeft de rechtbank laten weten dat zij van de uitnodiging voor een gesprek geen gebruik wil maken.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (opnieuw) verlengd. De verlengde ondertoezichtstelling loopt tot 1 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting heeft de GI aangegeven dat het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] geldt tot het moment waarop zij de leeftijd van 18 jaren bereikt. Dat wil zeggen tot [geboortedag 1] 2026.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI is ter zitting, in aanvulling op het verzoek, aangevoerd dat elke keer als zij een terugkoppeling krijgen van [jeugdzorg] (hierna: [jeugdzorg] ) het verhaal dat zij horen anders is. Op het ene moment lijkt er sprake te zijn van soepel contact tussen de kinderen en de moeder en kan het contact bij de vader thuis plaatsvinden. Op het volgende moment is er sprake van een contactbreuk. Dan weer komen de kinderen bij de moeder thuis en dan is er opeens weer geen contact. Op het moment dat het contact met de moeder verstoord raakt, moet er hard gewerkt worden om de kinderen weer naar de moeder te laten gaan. Waarom de contacten steeds stoppen blijft vaak onduidelijk. Voor het contact tussen ouders geldt eigenlijk hetzelfde. Op het ene moment zitten ouders naast elkaar tijdens de gesprekken met de GI en lijken zij goed te communiceren met elkaar. Op een volgend moment communiceren zij niet of nauwelijks en wordt vanuit de hulpverlening vernomen dat er veel wrijving is tussen de vader en de moeder. Bij de GI bestaat de indruk dat de vader en de moeder tijdens gesprekken met de GI doen alsof er niets aan de hand is. De GI verwijst verder naar het verslag van [jeugdzorg] van 18 februari 2026. Daarin is door [jeugdzorg] gemotiveerd aangegeven dat er nog voldoende doelen zijn om aan te werken. Zo moet nog gewerkt worden aan vastigheid in het kader van de omgang, moet voor iedereen duidelijk zijn wanneer de kinderen bij welke ouder zijn en moeten de ouders leren de kinderen minder te belasten met datgene wat er tussen de ouders nog speelt.
Bij de GI is onduidelijkheid ontstaan over de woonsituatie van de moeder. De GI heeft begrepen dat de moeder binnenkort haar huis uit moet. Dat zou betekenen dat er ook geen vastigheid meer is met betrekking tot de contacten tussen de moeder en de kinderen.
4.2.
Door en namens de vader is tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. Enerzijds is de situatie tussen de vader, de moeder en de kinderen niet stabiel, zo blijkt uit de stukken. Dat is zorgelijk. Duidelijk is dat de minderjarige kinderen een bepaalde structuur moeten hebben waarin en waardoor zij stappen vooruit kunnen maken. Dat is nu niet zo. De vraag is dan of een verlenging van zes maanden voldoende is om dat voor elkaar te krijgen. Anderzijds is er momenteel sprake van hulpverlening via [jeugdzorg] . De contacten met (de begeleider vanuit) [jeugdzorg] verlopen goed. Het is de bedoeling dat ouders via dat traject meer en beter met elkaar leren communiceren en de kinderen zo min mogelijk te belasten. De ondertoezichtstelling dateert al van 2023 en de vader ziet geen vooruitgang. Er is, volgens de vader, niks gebeurd afgelopen periode. [jeugdzorg] is nu wel heel goed bezig met ouders. De vader vindt dat de ondertoezichtstelling moet worden beëindigd. Partijen kunnen de hulpverlening daarna vanuit een vrijwillig kader voortzetten. Met name de kinderen ervaren grote last van de ondertoezichtstelling. Zij hebben er last van dat er zoveel instanties bij het gezin betrokken zijn en dat zij zoveel gesprekken moeten voeren.
Verder voert de vader aan dat als hij de voogd inschakelt omdat hij hulp nodig heeft, hij geen steun ervaart. Hij verwijst daarbij naar een situatie waarin [minderjarige 3] op school werd gepest en de GI niet met oplossingen kwam, maar hij alles zelf heeft moeten oplossen.
De vader licht toe dat er wel contact is tussen hem en de moeder over de omgang met de kinderen. Dit contact is vaak via whatsapp. Zij bespreken dan wat er in het kader van de omgang wel en niet mogelijk is. Eigenlijk is hulpverlening, in het vrijwillig kader, dan ook niet nodig.
Als de kinderrechter toch zou vinden dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd, dan verzoekt de vader de ondertoezichtstelling voor de duur van 3 maanden te verlengen. Die drie maanden zouden dan gebruikt kunnen worden om te bekijken hoe het contact tussen de moeder en de kinderen en tussen partijen onderling verloopt en hoe de hulpverlening verloopt. Ook kan er een omgangsregeling worden vastgelegd.
4.3.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. De moeder ervaart de ondersteuning vanuit [jeugdzorg] als heel prettig. Zij zou graag zien dat [jeugdzorg] voorlopig betrokken blijft bij partijen. De begeleider vanuit [jeugdzorg] heeft ervoor gezorgd dat het contact met de kinderen is hersteld. Dit contact gaat wel nog op en af en is nog niet heel stabiel. De moeder vraagt zich af of [jeugdzorg] in het vrijwillig kader betrokken kan en zal blijven. [jeugdzorg] geeft zelf ook aan niet te weten of hulpverlening in het vrijwillig kader zal lukken. De moeder wil graag dat er structureel contact komt tussen haar en de kinderen en dat de kinderen bij haar (mogen) blijven slapen. Het zou goed zijn als er een vastgelegde zorgregeling komt. De moeder heeft de vader regelmatig gevraagd of de kinderen kunnen blijven logeren, maar de vader houdt dit tegen. De moeder zou het ook fijn vinden als de kinderen in de zomervakantie een week bij haar zouden verblijven. Over de communicatie merkt de moeder op dat de communicatie tussen de moeder en de vader en de kinderen is verbeterd. Vanuit [jeugdzorg] krijgen partijen vaker adviezen zoals dat zij zich niet moeten bemoeien met elkaar en dat zij de kinderen buiten de communicatie moeten houden.
Met betrekking tot haar woonsituatie licht de moeder toe dat zij een tijdelijk huurcontract heeft waaraan een aantal doelen zijn gekoppeld. De woningbouwvereniging heeft de huurovereenkomst opgezegd tegen 16 juni 2026 omdat de doelen niet zouden zijn behaald. Voor de moeder is dit onbegrijpelijk. De moeder wordt hierin ondersteund door [hulpverlening] . Ook haar advocaat is hierin sinds kort betrokken. De gesprekken over het einde van de huurovereenkomst lopen dus nog. Daarnaast wordt zekerheidshalve ook gezocht naar vervangende woonruimte.
4.4.
[minderjarige 3] heeft de kinderrechter verteld dat zij haar moeder nu gewoon ziet. Als voorbeeld noemt zij - eerder in de week van het kindgesprek - het offerfeest. Ze geeft aan dat ze de moeder soms door de week heen ziet en dat ze op zich ook geen behoefte heeft aan vaste omgangstijden. Als ze naar de moeder gaat, gaat ze alleen of met haar broer en/of zus.
Over de hulpverlening zegt ze dat die niet nodig is
.
4.5.
[minderjarige 2] heeft, kort samengevat, aan de kinderrechter verteld dat hij zijn moeder regelmatig ziet, maar dat hij niet bij haar slaapt. Hij heeft verder gezegd dat er geen vaste tijden zijn waarop hij zijn moeder ziet, maar dat hij haar belt als hij tijd heeft. Dat is volgens hem 1 à 2 keer per week. Hij vindt dat er geen gedwongen hulp nodig is. Het gaat goed met de omgang met de moeder en het gaat goed met hem op school.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (als beschreven in artikel 1:255 eerst Pro lid BW) is voldaan.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste Pro lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.3.
De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderrechter stelt vast dat de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling slechts deels of nog niet zijn behaald. De geformuleerde doelen zijn (vrijwel) onverminderd aanwezig. Uit de stukken, de toelichting ter zitting en het kindgesprek met [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is duidelijk geworden dat het contactherstel tussen de moeder en (met name) [minderjarige 3] en [minderjarige 2] nog erg onstabiel is en nog verder opgebouwd moet worden. Verder is duidelijk dat de ouders nog niet in staat zijn constructief met elkaar te communiceren en daarbij de kinderen niet te belasten. Om de eerder gestelde doelen te bereiken is hulpverlening noodzakelijk. De kinderrechter is er, met name gezien de uitspraken van de kinderen en van de vader, onvoldoende van overtuigd dat alle partijen in het vrijwillig kader hun medewerking zullen (blijven) verlenen aan een hulpverleningstraject. Duidelijk is dat er in ieder geval bij [minderjarige 3] en [minderjarige 2] weerstand is tegen de hulpverlening. De vader geeft enerzijds aan dat hij de hulpverlening als positief ervaart en dat die in het vrijwillig kader kan worden voortgezet en anderzijds dat de communicatie tussen partijen dusdanig verbeterd is dat hulpverlening niet meer noodzakelijk is.
5.4.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen. De vader heeft verzocht om bij een eventuele verlenging de termijn voor de verlenging op drie maanden te stellen. Daarin zal de kinderrechter niet meegaan. Een termijn van drie maanden is naar het oordeel van de kinderrechter te kort om de openstaande doelen te bereiken. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] zal daarom worden verlengd met de door de GI gevraagde zes maanden. Voor [minderjarige 1] zal de ondertoezichtstelling tot [geboortedag 1] 2026 worden verlengd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot [geboortedag 1] 2026 en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 1 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.