ECLI:NL:RBZWB:2026:5715

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446818 / JE RK 26-591
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArt. 7 Verordening Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige bedreiging in opvoedingssituatie

De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om twee minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De minderjarigen zijn jong en ontwikkelen zich leeftijdsadequaat, maar er zijn ernstige zorgen over hun opvoedingssituatie. De ouders vertonen een patroon van fysiek en verbaal geweld, wat de ontwikkeling van de kinderen bedreigt.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en wonen samen met de minderjarigen. Ondanks eerdere hulpverlening is er onvoldoende verbetering en openheid van de ouders, waardoor gedwongen hulpverlening noodzakelijk wordt geacht. De gecertificeerde instelling staat achter het verzoek en zal de ondertoezichtstelling uitvoeren.

De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 1:255 BW Pro wordt voldaan aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling: er is een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen en de ouders zijn onvoldoende in staat deze zelfstandig weg te nemen.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt van 29 mei 2026 tot 29 mei 2027. De ouders worden opgeroepen open te staan voor begeleiding en samenwerking met de gecertificeerde instelling om de veiligheid en stabiliteit voor de kinderen te waarborgen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht van de gecertificeerde instelling wegens ernstige bedreiging in hun ontwikkeling door huiselijk geweld tussen de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446818 / JE RK 26-591
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] en [de vader],
respectievelijk te noemen de moeder en de vader,
samen te noemen de ouders,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. T. Möller uit Tilburg,
ter zitting waargenomen door kantoorgenoot [persoon] .
De kinderrechter merkt als informante aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 2 april 2026, ontvangen op 2 april 2026;
  • het stelbericht van mr. Möller van 23 april 2026;
  • het bericht van de GI van 12 mei 2026.
1.2.
De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door mr. Mouwen;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI, die aan de zitting heeft deelgenomen door middel van een digitale verbinding via Teams.

2.De feiten

2.1.
De minderjarigen zijn geboren uit de relatie van de ouders.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
De minderjarigen wonen bij de ouders.
2.4.
De moeder heeft nog drie dochters uit een eerdere relatie, te weten [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] , die bij haar wonen. Ten aanzien van deze minderjarigen heeft de Raad (eveneens) een verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/02/446795 / JE RK 26-588.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt dat aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling wordt voldaan. De minderjarigen zijn nog vrij jong en ontwikkelen zich tot op heden leeftijdsadequaat. Vooralsnog zijn er geen signalen vanuit de kinderen dat het niet goed met hen zou gaan. Er zijn echter grote zorgen over de opvoedsituatie waarin de minderjarigen opgroeien, en wel zodanig dat dit maakt dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is heel veel gebeurd tussen de ouders. Hoewel dit niet direct zichtbaar is, moet dit een grote impact op de minderjarigen hebben gehad. Er is sprake van een patroon tussen de ouders waarin zich zowel fysiek als verbaal geweld voordoet. In de periode dat het niet goed gaat tussen de ouders uiten zij forse zorgen over elkaar zoals het gebruik van drugs, het rijden zonder rijbewijs en de financiën. Op het moment dat de ouders weer bij elkaar komen trekken de ouders de zorgen in en/of worden deze gebagatelliseerd. Er zijn in de afgelopen jaren al meerdere Veilig Thuis meldingen gedaan vanwege het huiselijk geweld. De ouders zullen alles in het werk moeten stellen om de minderjarigen een veilige en stabiele opvoedomgeving te kunnen bieden. In het belang van de ontwikkeling en veiligheid van de minderjarigen dient het huiselijk geweld te stoppen en in de toekomst voorkomen te worden. De Raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders deze zorgen zelfstandig, in het vrijwillig kader, weg kunnen nemen. Ondanks dat er langere tijd hulpverlening actief is, blijkt dit niet voldoende te zijn. Er is sprake van blijvende onrust en (fysieke) escalaties tussen de ouders waarvan de minderjarigen getuige zijn. Een jeugdbeschermer is noodzakelijk om het patroon tussen de ouders te doorbreken en te beoordelen of bij de ouders sprake is van ‘goed genoeg ouderschap’. Binnen zes maanden moet hierover en over de leerbaarheid van de ouders duidelijkheid komen. Voorkomen moet worden dat de minderjarigen belast blijven door een (emotioneel) onveilige en onvoorspelbare situatie. De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen. Een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden is een passende termijn. Er is sprake van langdurige en terugkerende zorgen in de opvoedsituatie ondanks de inzet van de hulpverlening. Belangrijk is dat, wanneer nodig, vervolg kan worden gegeven aan de adviezen/resultaten voorkomend uit het traject ‘goed genoeg ouderschap’. Ook is het van belang dat de minderjarigen gemonitord blijven.
4.2.
Door en namens de ouders is aangevoerd dat niet aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt voldaan. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen. Beide minderjarigen ontwikkelen zich leeftijdsadequaat, zo constateert de Raad. Daarnaast staan de ouders open voor hulpverlening en eventuele onderzoeken. Het inzetten van hulpverlening in een gedwongen kader is dan ook niet nodig. Dit maakt dat de ouders niet kunnen instemmen met het verzoek van de Raad. De ouders zijn zich ervan bewust dat er in het verleden zaken zijn gebeurd die niet goed waren, en al helemaal niet voor de minderjarigen. Het lukt de ouders nu om rust te bewaren in hun relatie. Bij onenigheden nemen zij afstand van elkaar, waardoor zij beter in staat zijn om nadien het gesprek op een rustige manier met elkaar aan te gaan. Dit voorkomt escalaties en zorgt ervoor dat de onenigheden die er zijn, niet meer dagen blijven duren.
4.3.
De GI heeft aangegeven achter het verzoek van de Raad te staan en bereid te zijn om de verzochte ondertoezichtstelling van de minderjarigen, bij een toewijzing van het verzoek, uit te voeren. De GI deelt de zorgen van de Raad en de doelen die door de Raad zijn gesteld. Belangrijk is dat de ouders hun verantwoordelijkheid gaan nemen. Er is hulpverlening bij de ouders en het gezin betrokken, maar deze hulpverlening heeft alleen kans van slagen wanneer de ouders openheid geven over de opvoedsituatie en eerlijk zijn over de lastige momenten en gebeurtenissen die plaatsvinden. Hoewel beide minderjarigen geen signalen geven van een achterstand in hun ontwikkeling, is desondanks wel sprake van een ernstige bedreiging in hun ontwikkeling. Die bedreiging is gelegen in hun opvoedsituatie. De minderjarigen zijn getuige geweest van heftige gebeurtenissen tussen de ouders waarbij sprake is van een terugkerend patroon van huiselijk geweld. Dit is schadelijk voor de ontwikkeling van de minderjarigen, en de omstandigheid dat de minderjarigen geen zichtbare reactie op die gebeurtenissen geven is zorgelijk. Stress bij de ouders vergroot het risico op escalatie. Belangrijk is dat de ouders hun problematiek bij de wortels aan gaan pakken. De GI heeft te maken met een wachtlijst voordat er een vaste jeugdbeschermer kan worden aangesteld die de maatregel zal uitvoeren. In de komende week zal een jeugdbeschermer contact opnemen met de ouders voor een kennismaking en om te bezien wat er, naast de hulpverlening die al betrokken is, eventueel nog aanvullend nodig is. Dit gebeurt vanuit een monitor functie.

5.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter overweegt dat de moeder de Braziliaanse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of zij internationaal bevoegd is om van het verzoek in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 van Pro de Verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer de ondertoezichtstelling van minderjarigen. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wat zegt de wet?
5.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, te dragen.
Wat oordeelt de kinderrechter?
5.5.
De kinderrechter stelt op basis van de stukken en de zitting vast dat het met beide minderjarigen goed lijkt te gaan. De minderjarigen ontwikkelen zich conform hun leeftijd en laten geen afwijkend gedrag en/of problematiek zien. Desondanks is de kinderrechter van oordeel dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, hetgeen is gelegen in hun opvoedingsomgeving. Daarover bestaan grote zorgen. Hoewel de ouders aangeven dat hun relatie nu rustiger is, staat vast dat tussen de ouders sprake is geweest van een terugkerend patroon van ruzies, die gepaard gaan met geweld. Daarvan zijn de minderjarigen meerdere keren getuige geweest. Zij hebben zaken gezien en meegemaakt waarvan het niet anders kan dan dat die tot veel spanningen, stress en onrust hebben geleid. In zijn algemeenheid geldt dat traumatische ervaringen die kinderen meemaken op jonge leeftijd, vaak diep in hun lichaam worden opgeslagen. Dit is niet goed voor hun ontwikkeling en kan hen zelfs schaden. Dat de minderjarigen op de ruzies tussen hun ouders tot op heden nog geen zichtbare reactie hebben gegeven, baart de kinderrechter eigenlijk nog meer zorgen. Dit zou namelijk een teken kunnen zijn dat de minderjarigen opgroeien in een omgeving waarin zij de ruzies tussen hun ouders als ‘normaal’ ervaren.
5.6.
Gezien wordt dat de ouders op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De ouders hebben de afgelopen jaren ingestemd met hulpverlening, maar het is niet gelukt om voldoende zicht te krijgen op hun opvoedsituatie. Zij lijken onvoldoende openheid te geven over hun situatie en alles dat speelt, waardoor de hulpverlening onvoldoende voet aan de grond krijgt en het niet lukt om preventief in te zetten en de veiligheid en stabiliteit voor de minderjarigen langdurig te waarborgen. Dit maakt het inzetten van hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk. De ouders moeten door een jeugdbeschermer begeleid worden om volledige medewerking aan de hulpverlening te verlenen en hun verantwoordelijkheid als ouders te gaan nemen. Daarnaast is het belangrijk dat beoordeeld wordt of de huidig betrokken hulpverlening voldoende is, of dat aanvullende hulpverlening nodig is. Ook is het van belang dat sprake is van goed genoeg ouderschap en dat hiernaar onderzoek wordt gedaan, hoewel gezien wordt dat de ouders betrokken zijn bij de minderjarigen en het beste voor hen willen. De minderjarigen hebben recht op een veilige en stabiele omgeving waarin voldaan wordt aan hun opvoedbehoeften.
5.7.
De kinderrechter gaat er vanuit, nu regievoering en inzet van hulpverlening in een gedwongen kader nog niet is geprobeerd, dat de ouders binnen een voor de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn in staat zullen zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen weer volledig zelf te dragen.
5.8.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling van de minderjarigen. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen en de minderjarigen onder toezicht stellen van de GI voor de verzochte duur van een jaar. Daarbij overweegt de kinderrechter dat zij zich realiseert dat binnen een ondertoezichtstelling het nodige gevraagd zal worden van de ouders, en dat dit een extra stress factor kan zijn. De ondertoezichtstelling is echter bedoeld als een steuntje in de rug van de ouders en kan zo ook gevoeld en ervaren worden in het geval dat er een goede samenwerkingsrelatie tussen de ouders en de GI tot stand komt. Belangrijk is dan ook dat de ouders zich open gaan stellen voor de begeleiding van de GI en dat de GI gaat investeren in een goede samenwerking met de ouders.
5.9.
In het komende jaar dient in ieder geval gewerkt te worden aan de doelen zoals vermeld door de Raad in zijn rapport, te weten:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie waarin geen sprake meer is van zowel fysiek als verbaal geweld tussen de ouders;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich leeftijdsadequaat.
5.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister (artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters).
5.11.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat de maatregel per direct van kracht is en dient te worden uitgevoerd door de GI, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, met ingang van 29 mei 2026 tot 29 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.