ECLI:NL:RBZWB:2026:5717

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446795 / JE RK 26-588
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArt. 7 Verordening Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van drie minderjarigen wegens bedreigde ontwikkeling en onveilige opvoedsituatie

De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om drie minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De minderjarigen groeien op in een onveilige en onstabiele opvoedsituatie bij de moeder en stiefvader, gekenmerkt door huiselijk geweld en wisselingen van woonplek en school. Daarnaast is er sprake van een moeizame verstandhouding tussen de ouders, waardoor het contact met de vader verstoord is.

De Raad stelt dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft gehad. De moeder en stiefvader zijn onvoldoende open over hun situatie, waardoor hulpverlening niet effectief kan zijn. De vader en moeder stemmen in met het verzoek, evenals de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling zal uitvoeren.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan. De minderjarigen hebben recht op een veilige en stabiele omgeving en de ouders moeten begeleid worden om hun verantwoordelijkheid te nemen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt van 29 mei 2026 tot 29 mei 2027.

Uitkomst: De kinderrechter stelt drie minderjarigen onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en onveilige opvoedsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446795 / JE RK 26-588
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] en [de stiefvader],
respectievelijk te noemen de moeder en de stiefvader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. T. Möller uit Tilburg,
ter zitting waargenomen door kantoorgenoot [persoon] .
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informante aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 2 april 2026, ontvangen op 2 april 2026;
  • het stelbericht van mr. Möller van 23 april 2026;
  • het bericht van de GI van 12 mei 2026.
1.2.
De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en de stiefvader, bijgestaan door mr. Mouwen;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI, die aan de zitting heeft deelgenomen door middel van een digitale verbinding via Teams.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De minderjarigen zijn geboren uit de relatie van de moeder en de vader die inmiddels is beëindigd.
2.2.
De minderjarigen wonen bij de moeder en de stiefvader. De minderjarigen hebben een zorgregeling met de vader.
2.3.
De moeder heeft nog een dochter en een zoon uit haar huidige relatie, te weten [kind 1] en [kind 2] , die bij haar wonen. Ten aanzien van deze minderjarigen heeft de Raad (eveneens) een verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/02/446818 / JE RK 26-591.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt dat aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling wordt voldaan. De minderjarigen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij groeien al langere tijd op in een opvoedsituatie waarin sprake is (geweest) van veel onrust, wisselingen van onder andere woonplek en school en situaties van huiselijk geweld. Er is sprake van een jarenlang patroon tussen de moeder en de stiefvader waarin zich zowel fysiek als verbaal geweld voordoet. In de periode dat het niet goed gaat tussen de moeder en de stiefvader uiten zij forse zorgen over elkaar zoals het gebruik van drugs, het rijden zonder rijbewijs en de financiën. Op het moment dat de moeder en de stiefvader weer bij elkaar komen trekken zij de zorgen in en/of worden deze gebagatelliseerd. Daarnaast hebben de minderjarigen de afgelopen jaren geen stabiel contact met de vader gehad. Dit komt voort uit de verstoorde communicatie tussen de ouders. Hierdoor is er geen structureel en onbelast contact geweest en lopen de minderjarigen het risico (verder) klem te raken tussen de ouders. Verder wordt gezien dat de minderjarigen al meerdere jaren achterstand hebben op school. Door de onrust in de opvoedingsomgeving kan er geen psychologisch onderzoek bij de minderjarigen worden verricht en komt er geen zicht op de oorzaken van de achterstand. De zorg bestaat dat de opvoedsituatie van de minderjarigen bij de moeder en de stiefvader en de ontbrekende continuïteit in het contact tussen de minderjarigen en de vader invloed heeft op de schoolse ontwikkeling van de minderjarigen en op hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De minderjarigen lijken het lastig te vinden om te spreken over ingrijpende gebeurtenissen in de thuissituatie.
De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Hoewel de ouders de afgelopen jaren hebben ingestemd met hulpverlening, is het niet gelukt om voldoende zicht te krijgen op de opvoedsituatie bij de moeder thuis. Er lijkt onvoldoende openheid te worden gegeven door de moeder en stiefvader waardoor zorgen pas (te) laat aan het licht komen en er terugkerend sprake is (geweest) van onrust en incidenten. Hierdoor lukt het de hulpverlening niet om preventief in te zetten en de veiligheid en stabiliteit voor de minderjarigen langdurig te waarborgen. De moeder en stiefvader zullen alles in het werk moeten stellen om de minderjarigen een veilige en stabiele opvoedingsomgeving te kunnen bieden. In het belang van de ontwikkeling van de minderjarigen dient het huiselijk geweld te stoppen en in de toekomst voorkomen te worden. De zorgen over de communicatie tussen de ouders lijkt door inzet van hulpverlening van de [hulpverlening] wel ondervangen te zijn en beide ouders zijn bereid en in staat om dit voort te zetten.
De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen. Een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden is een passende termijn. Er is sprake van langdurige en terugkerende zorgen in de thuissituatie bij de moeder ondanks de inzet van de hulpverlening. Een jeugdbeschermer is noodzakelijk om het patroon tussen de moeder en de stiefvader te doorbreken, escalaties in de toekomst te voorkomen en bij beide ouders te beoordelen of er sprake is van ‘goed genoeg ouderschap’. Binnen zes maanden moet hierover en over de leerbaarheid van de ouders duidelijkheid komen. Voorkomen moet worden dat de minderjarigen belast blijven door een (emotioneel) onveilige en onvoorspelbare situatie. Belangrijk is dat, wanneer nodig, vervolg kan worden gegeven aan de adviezen/resultaten voorkomend uit het traject ‘goed genoeg ouderschap’ en dat de minderjarigen gemonitord blijven. Gezien het langdurige patroon kan het enige tijd duren voordat er voldoende rust is voor de minderjarigen om de noodzakelijk geachte onderzoeken af te kunnen nemen, daaraan een passend vervolg te geven en de positieve resultaten daarvan te ervaren. [minderjarige 3] heeft eerder forse uitlatingen gedaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader. Na onderzoek door de politie was de verdenking richting de vader onvoldoende en is door het openbaar ministerie besloten om het onderzoek vroegtijdig te beëindigen. Van belang is dat goed onderzocht wordt hoe het nu met [minderjarige 3] gaat en waarom zij deze uitlatingen heeft gedaan.
4.2.
Door en namens de moeder en de stiefvader is aangevoerd dat zij kunnen instemmen met het verzoek van de Raad. De minderjarigen worden in hun ontwikkeling bedreigd. Zij hebben veel meegemaakt en lopen alle drie achter op school. De moeder en de stiefvader staan open voor hulpverlening en werken daaraan mee. Inzet van hulpverlening in een gedwongen kader is daarom niet persé nodig, maar zij zien echter de meerwaarde van een ondertoezichtstelling. Belangrijk is dat een jeugdbeschermer gaat kijken naar zowel de opvoedsituatie van de moeder en de stiefvader als naar de opvoedsituatie van de vader. De moeder en de stiefvader hopen binnen de ondertoezichtstelling mooie stappen vooruit te kunnen maken in het belang van de minderjarigen. In de afgelopen periode hebben zich al positieve ontwikkelingen voorgedaan. Zo is het contact tussen de vader en de minderjarigen hersteld en wordt er volledig uitvoering gegeven aan de zorgregeling die naar behoren verloopt. Ook hebben de ouders een manier gevonden om met elkaar te communiceren via de mail. Daarnaast is de relatie tussen de moeder en de stiefvader verbeterd. Het lukt hen nu om rust te bewaren in hun relatie. Bij onenigheden nemen zij kort afstand van elkaar, waardoor zij beter in staat zijn om nadien het gesprek met elkaar aan te gaan. Met name over [minderjarige 3] maken de moeder en de stiefvader zich zorgen. Haar achterstand is het grootst op school, en zij ontwikkelt zich niet leeftijdsadequaat. Zij hopen dat er snel hulpverlening voor haar komt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laten op dit moment groei zien.
4.3.
De vader heeft aangegeven ook in te kunnen stemmen met het verzoek van de minderjarigen. In het raadsrapport staat duidelijk beschreven wat de zorgen zijn en waaraan gewerkt moet worden. De vader hoopt dat een ondertoezichtstelling blijvend rust gaat brengen. De vader vindt het fijn dat het contact tussen hem en de minderjarigen is verbeterd en dat er weer uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling. Belangrijk is dat onderzocht wordt waarom [minderjarige 3] uitlatingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft gedaan. Deze uitlatingen waren heftig en moeilijk voor de vader en het zou hem rust brengen als hierover duidelijkheid komt.
4.4.
De GI heeft aangegeven achter het verzoek van de Raad te staan en bereid te zijn om de verzochte ondertoezichtstelling van de minderjarigen, bij een toewijzing van het verzoek, uit te voeren. De GI deelt de zorgen van de Raad en de doelen die door de Raad zijn gesteld. Belangrijk is dat zowel de moeder en de stiefvader als de vader openheid gaan geven over de opvoedsituatie die zij de minderjarigen bieden. De GI is voornemens om de ontwikkeling van alle drie de minderjarigen, waaronder ook hun seksuele ontwikkeling, beter in kaart te brengen en te onderzoeken hoe de minderjarigen een onbelast en structureel contact met de vader kunnen hebben. Daarbij zou de GI graag de regie willen voeren over het contact tussen de vader en de minderjarigen. De GI heeft te maken met een wachtlijst voordat er een vaste jeugdbeschermer kan worden aangesteld die de maatregel zal uitvoeren. In de komende week zal een jeugdbeschermer contact opnemen met de ouders voor een kennismaking en om te bezien wat er, naast de hulpverlening die al betrokken is, eventueel nog aanvullend nodig is. Dit gebeurt vanuit een monitor functie.

5.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter overweegt dat de moeder de Braziliaanse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of zij internationaal bevoegd is om van het verzoek in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 van Pro de Verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer de ondertoezichtstelling van minderjarigen. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wat zegt de wet?
5.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
Wat oordeelt de kinderrechter?
5.5.
De kinderrechter stelt op basis van de stukken en de zitting vast dat er grote zorgen bestaan over de ontwikkeling van de minderjarigen en hun opvoedomgeving. Alle drie de minderjarigen laten een achterstand in hun ontwikkeling zien op school, waarbij de zorgen over [minderjarige 3] op dit moment het grootst zijn. Daarnaast groeien de minderjarigen op in een omgeving die onvoldoende veilig en stabiel voor hen is. Hoewel de moeder en de stiefvader aangeven dat hun relatie nu rustiger is, staat vast dat is tussen hen sprake (geweest) van een terugkerend patroon van ruzies, die gepaard gaan met geweld. Daarvan zijn de minderjarigen meerdere keren getuige geweest. Zij hebben zaken gezien en meegemaakt die tot veel spanningen, stress en onrust hebben geleid. Dit is niet goed voor hun ontwikkeling en kan hen zelfs schaden. Daarbij baart het de kinderrechter zorgen dat de minderjarigen hierover niets loslaten, ook niet naar de hulpverlening. Daarnaast is sprake van een moeizame verstandhouding tussen de moeder en de vader. Positief is dat het contact tussen de vader en de minderjarigen is hersteld en dat op dit moment weer uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling. Ook is het positief dat het de moeder en vader op dit moment lukt om op een rustige manier met elkaar te communiceren via de mail. Echter ook tussen de moeder en de vader wordt een terugkerend patroon gezien van ruzies en conflicten, die leiden tot stillegging van het contact tussen de vader en de minderjarigen. Dit staat een stabiel en structureel contact tussen de minderjarigen en de vader in de weg, en maakt dat de minderjarigen veel onzekerheid ervaren over het contact met de vader. Ook beïnvloedt dit de band tussen de minderjarigen en de vader in negatieve zin.
5.6.
Het is de kinderrechter gebleken dat de hulpverlening die tot nu toe op vrijwillige basis is ingezet, ontoereikend is gebleken voor het wegnemen dan wel het voorkomen van (verergering van) bovengenoemde zorgen. De moeder en de stiefvader hebben de afgelopen jaren ingestemd met hulpverlening, maar het is niet gelukt om voldoende zicht te krijgen op hun opvoedsituatie. Zij lijken onvoldoende openheid te geven over hun situatie en alles dat speelt, waardoor de hulpverlening onvoldoende voet aan de grond krijgt en het niet lukt om preventief in te zetten en de veiligheid en stabiliteit voor de minderjarigen langdurig te waarborgen. De hulpverlening die is ingezet ter verbetering van de communicatie tussen de ouders lijkt op dit moment zijn vruchten af te werpen, maar dit is een prille ontwikkeling. Zowel de vader als de moeder hebben zorgen over elkaars opvoedsituatie, hetgeen de samenwerking tussen hen kwetsbaar maakt. Belangrijk is dat visieverschillen over de minderjarigen en/of onenigheden tussen de ouders geen weerslag meer gaan hebben op het contact tussen de vader en de minderjarigen. Gelet hierop is de kinderrechter, net als de Raad, van oordeel dat gedwongen hulpverlening voor en in de opvoedsituatie van de minderjarigen noodzakelijk is. De moeder en de stiefvader (als mede opvoeder van de minderjarigen) moeten door een jeugdbeschermer begeleid worden om volledige medewerking aan de hulpverlening te verlenen en hun verantwoordelijkheid te gaan nemen. Daarnaast is het belangrijk dat beoordeeld wordt of de huidig betrokken hulpverlening voldoende is of dat aanvullende hulpverlening nodig is. Door middel van nader onderzoek moet meer duidelijkheid komen over de ontwikkelachterstanden bij alle drie de minderjarigen, alsook waar de eerder door [minderjarige 3] gedane uitlatingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader vandaan komen. Ook is het van belang dat onderzocht wordt of sprake is van goed genoeg ouderschap in de opvoedsituatie van zowel de moeder en de stiefvader als de vader, hoewel gezien wordt dat de moeder, de stiefvader en de vader betrokken zijn bij de minderjarigen en het beste voor hen willen. De minderjarigen hebben recht op een veilige en stabiele omgeving waarin voldaan wordt aan hun opvoedbehoeften.
5.7.
De kinderrechter gaat er vanuit dat de ouders binnen een voor de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn in staat zullen zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen weer volledig zelf te dragen, nu regievoering en inzet van hulpverlening in een gedwongen kader nog niet is geprobeerd.
5.8.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling van de minderjarigen. De kinderrechter zal het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen en de minderjarigen onder toezicht stellen van de GI voor de verzochte duur van een jaar. De kinderrechter complimenteert de moeder, de stiefvader en de vader, hoewel zij het natuurlijk liever anders hadden gezien, dat zij daarmee kunnen instemmen. Daarmee handelen zij in het belang van de minderjarigen en de kinderrechter gaat er vanuit dat zij, samen met de GI, in de komende periode zullen werken aan het beter maken van de levens van de minderjarigen.
5.9.
In het komende jaar dient in ieder geval gewerkt te worden aan de doelen zoals vermeld door de Raad in zijn rapport, te weten:
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] delen hun beleving, gedachten en emoties ten aanzien van hun opvoedomgeving zodat zij gesteund kunnen worden indien nodig;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben duurzaam en structureel contact met beide ouders en kunnen openlijk loyaal zijn aan beide ouders;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] groeien op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie waarin geen sprake meer is van zowel fysiek als verbaal geweld tussen de moeder en de stiefvader;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ontwikkelen zich leeftijdsadequaat.
5.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister (artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters).
5.11.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat de maatregel per direct van kracht is en dient te worden uitgevoerd door de GI, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 29 mei 2026 tot 29 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.