ECLI:NL:RBZWB:2026:5722

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/378518/ FA RK 20-5761
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag, vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie voor minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 29 mei 2026 een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige zoon, geboren in 2014. De vader woont zelfstandig en is licht verstandelijk beperkt, maar de rechtbank achtte dit geen belemmering voor gezamenlijk gezag. De moeder voerde aan dat er sprake is van een structureel gebrek aan communicatie en samenwerking, wat risico's voor het kind zou opleveren. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het verzoek toe te wijzen, gezien de verbeterde communicatie en het belang van gezamenlijk gezag.

De rechtbank oordeelde dat de door de moeder aangevoerde angsten onvoldoende waren om het verzoek af te wijzen. De communicatie tussen ouders was verbeterd en beide partijen waren bereid om met behulp van ouderschapsbemiddeling (OSB) verdere communicatie te verbeteren. De rechtbank stelde het gezamenlijk gezag vast en legde een zorgregeling vast waarbij de vader om de week zorg heeft van vrijdag na school tot zondagavond en een doordeweekse dag van 14:00 tot 16:00 uur.

Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde de rechtbank vast dat de vader momenteel een WW-uitkering ontvangt en een lager inkomen heeft dan voorheen. De vader kon onvoldoende aantonen dat hij niet in staat was om een vergelijkbaar inkomen te verdienen als voorheen, waardoor de rechtbank uitging van een fictieve verdiencapaciteit van €36.000 per jaar. Na verrekening van zorgkorting en draagkracht werd de alimentatie vastgesteld op €164 per maand, ingaand per datum van de beschikking.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag toegewezen, zorgregeling vastgesteld en kinderalimentatie van €164 per maand opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/378518/ FA RK 20-5761
29 mei 2026
beschikking betreffende gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken danwel omgangsregeling en kinderbijdrage
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. E. Sijnesael te Middelburg, voorheen mr. G. Veen (onttrokken)
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. W. van der Sande te Goes.
Ouders van de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het (verdere) procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 11 maart 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het F-formulier van mr. Sijnesael van 26 januari 2026;
- het F-formulier van mr. Van der Sande van 27 januari 2026
- de brief van mr. Sijnesael van 30 maart 2026, met bijlagen;
- de brief van mr. Van der Sande van 30 maart 2026, met bijlagen;
- de door mr. Van der Sande tijdens de zitting overgelegde pleitnotitie.
1.2 De zaak is verder behandeld op de zitting van 7 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3 [minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van de verzoeken vindt. Hij heeft hierover een brief gestuurd.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voormelde beschikking van 11 maart 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant:
- de zaak ten aanzien van het gezag en de zorg- c.q. omgangsregeling, om reden zoals vermeld in de rechtsoverweging 2.3 van die beschikking, naar de familiekamerrol van dinsdag 10 juni 2025 verwezen;
- de door de man aan de vrouw, voor wat betreft toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling,
voorlopigte betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, met ingang van
1 maart 2025 op € 190,= per maand gesteld. Door indexering bedraagt deze bijdrage op dit moment € 199,=;
- de zaak ten aanzien van de definitieve kinderbijdrage, om redenen als vermeld onder 2.5 van die beschikking, naar voornoemde familiekamerrol van dinsdag 10 juni 2025 verwezen;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de zorg- c.q. omgangsregeling en de definitieve kinderbijdrage aangehouden.
Gezag
Juridisch kader
2.2.
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de ouder van een kind de rechtbank kan verzoeken hem samen met de moeder het gezag te geven. Dit kan alleen als deze ouder het gezag mag krijgen en hij of zij dit gezag niet al eerder met de moeder heeft gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als:
- het risico bestaat dat het kind anders klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt
- dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is
Inhoudelijke beoordeling
2.3.
De man verzoekt te bepalen dat hij samen met de vrouw het ouderlijk gezag zal uitoefenen over [minderjarige] en voert daartoe aan dat gezamenlijk gezag de hoofdregel is en dat er geen contra-indicaties zijn om het verzoek af te wijzen. Dat de man licht verstandelijk beperkt is en begeleid woont staat niet aan gezamenlijk gezag in de weg. De man neemt beslissingen voor zichzelf en ook voor [minderjarige] als die bij hem is. Verder zijn er geen zorgen over de opvoeding door de man en de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] loopt goed. Daarnaast is er sprake van een afname van hulpverlening, want de man woont niet meer bij de [accommodatie] maar zelfstandig. Hij krijgt nu alleen nog hulp bij zijn contacten met instanties. De communicatie tussen partijen verloopt ook beter. Ze hebben daarin met behulp van hulpverlening grote stappen gezet. Partijen hebben een groepsapp met de casusregisseur maar ook daarbuiten hebben ze contact en dan lukt het hen om in onderling overleg dingen te regelen. De man zal zich inzetten voor ouderschapsbemiddeling (hierna: OSB) door [zorginstelling] om deze communicatie verder te verbeteren. Ten slotte klopt het dat hij tegen de casusregisseur had gezegd dat hij geen gezag meer wilde, maar deze belde op een moment waarop hij niet goed in staat was om een gesprek te voeren. Hij heeft later nog teruggebeld om dit recht te zetten. Het klopt ook dat hij nog nooit een gezagsbeslissing heeft genomen, maar hij wil graag een betrokken, volwaardig, ouder zijn. Hij vindt het nu moeilijk om dingen te vragen omdat hij (nog) geen gezag heeft en dus toch niet mag beslissen. Samenvattend zijn de door de vrouw aangevoerde argumenten vooral gebaseerd op angst en dit mag niet leidend zijn. Hij vraagt de rechtbank de zaak niet langer aan te houden en een eindbeslissing te nemen.
2.4.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. Zij voert daarbij aan dat het verzoek van de man moet worden afgewezen omdat er sprake is van een structureel gebrek aan communicatie en samenwerking tussen ouders, waardoor een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem raakt tussen zijn ouders. Ze erkent dat de communicatie tussen ouders beter is geworden, want voorheen was er helemaal geen communicatie, maar er is bijvoorbeeld externe regie (casusregisseur) nodig om überhaupt omgang te laten verlopen. Het lukt ouders alleen om samen afspraken over kleine wijzigingen in de omgangsregeling. Daarnaast is gezag geen “formaliteit” maar vraagt dit een actieve invulling van de ouderlijke verantwoordelijkheid en vader toont onvoldoende betrokkenheid bij belangrijke beslissingen over [minderjarige] . Ook is vader mede gezien zijn beperkingen en afhankelijkheid van begeleiding, niet in staat om het gezag op een stabiele en verantwoordelijke wijze uit te oefenen.
Gezamenlijk gezag is daarom een trigger voor conflicten en zal leiden tot stagnatie in besluitvorming en onrust voor [minderjarige] . De vrouw wil dit niet omdat het nu juist zo goed gaat.
Verder voert ze nog aan dat de OSB niet van de grond is gekomen omdat vader bij de casusregisseur had aangegeven dat hij geen gezag meer wenste omdat het goed was zo. OSB was daardoor niet meer geïndiceerd. Ze staat hier wel alsnog voor open als dat nodig is.
2.5.
De Raad adviseert, gezien de duur van de zaak, een eindbeslissing te nemen en het verzoek van vader toe te wijzen omdat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wet is.
Ouders laten groei zien want het overleg tussen ouders over praktische zaken gaat goed en de omgang tussen [minderjarige] en zijn vader is stabiel. Daar past gezamenlijk gezag bij. Moeder zegt wel dat vader geen initiatief toont, maar dit kun je ook omdraaien. Zij kan ook het initiatief nemen om vader bij gezagsbeslissingen te betrekken. De Raad mist wel de in het rapport van 28 februari 2024 geadviseerde inzet van OSB ter verbetering van de communicatie tussen ouders. Het is de Raad niet helemaal duidelijk waarom dit niet van de grond is gekomen. De Raad had het ouders en [minderjarige] gegund om te werken aan onderling vertrouwen en adviseert daarom dit alsnog in te zetten. Hiermee kan ‘handen en voeten’ gegeven worden aan het gezamenlijk gezag en gewerkt worden aan de angst van moeder dat de besluitvorming rondom [minderjarige] stagneert. Tenslotte geeft de Raad ouders mee dat ze, of er nou gezamenlijk gezag is of niet,
samenmoeten kijken wat in het belang van [minderjarige] is. Als ouders naar elkaar blijven wijzen dan lijdt [minderjarige] daaronder.
2.6.
De rechtbank is net als de Raad van oordeel dat, ondanks dat er nog geen OSB is ingezet tussen partijen, een definitieve beslissing moet komen over het gezag en overweegt daarbij als volgt. Uitgangspunt volgens de wet is dat juridisch ouders samen met het gezag over hun kinderen belast zijn. Alleen als de in de wet genoemde uitzonderingsgronden zich voordoen, wordt een verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen. De vrouw heeft tijdens de zitting gezegd dat ze bang is dat de besluitvorming rondom [minderjarige] stagneert als de man ook gezag krijgt over [minderjarige] . De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat dit het geval zal zijn. Enkel de angst van de vrouw is daarvoor onvoldoende. Ook de door de vrouw aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de man zijn op zichzelf onvoldoende om het verzoek van de man af te wijzen. Daarnaast is gebleken dat de communicatie tussen ouders verbeterd is, waardoor deze inmiddels niet meer zodanig slecht is dat dit een contra indicatie is voor gezamenlijk gezag. Bovendien hebben beide partijen toegezegd dat, als er gezamenlijk gezag komt, zij bereidt zijn met behulp van OSB hun communicatie (verder) te verbeteren. Partijen kunnen dit samen aanvragen bij de gemeente en de rechtbank gaat ervan uit dat zij hun toezegging dat ze dit bemiddelingstraject alsnog willen volgen, zullen nakomen. Dit alles maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding is om aan te nemen dat [minderjarige] bij toewijzing van het verzoek van de man klem of verloren zal raken tussen zijn ouders of dat toewijzing van dit verzoek om een andere reden niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen en bepalen dat partijen samen het gezag over hem hebben.
Zorgregeling
2.7.
Nu het verzoek van de man om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten wordt toegewezen, zal de rechtbank hieronder spreken over een zorgregeling.
2.8.
Uit de stukken en wat er is besproken op zitting blijkt dat de man op dit moment iedere veertien dagen van vrijdag 14.00 uur tot zondagavond 19:00 uur de zorg voor [minderjarige] heeft, alsmede de andere week op donderdag van 14:00 tot 16:00 uur. De man heeft verzocht deze regeling vast te leggen in een beschikking.
2.9.
Tijdens de zitting heeft de vrouw verzocht als aanvangstijdstip van de zorgregeling op vrijdag niet ‘14.00 uur’ maar ‘na school’ vast te leggen en zorgregeling in de andere week niet vast te leggen op ‘donderdag’, maar op ‘een doordeweekse dag’. Dit omdat [minderjarige] na de zomer naar de middelbare school gaat en niet duidelijk is hoe zijn schoolrooster er dan uit zal zien. Dit rooster kan bovendien paar jaar verschillen. De man heeft hiermee ingestemd.
2.10.
De rechtbank zal de tussen partijen overeengekomen zorgregeling (definitief) vaststellen in overeenstemming met de door hen gemaakt afspraak nu zij geen reden heeft om aan te nemen dat het belang van [minderjarige] zich tegen deze regeling verzet.
Kinderbijdrage
2.11.
Op grond van voornoemde beschikking van 11 maart 2025 moet de man op dit moment een voorlopige kinderbijdrage van € 199,= per maand aan de vrouw betalen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de man in december 2025 voor het laatst een bijdrage aan de vrouw heeft voldaan.
2.12.
De vrouw verzoekt nu, na wijziging van haar verzoek, te bepalen dat de man haar een kinderbijdrage moet betalen van € 164,= per maand. Ze sluit daarbij aan bij de berekening die ten grondslag ligt aan de voorlopige kinderbijdrage die beschikking van 11 maart 2025 is bepaald en wijzigt alleen de zorgkorting van 5% naar 15% als gevolg van de uitbreiding van de zorgregeling.
2.13.
De man voert verweer tegen dit verzoek van de vrouw. Hij stelt dat hij niet in staat is om enige bijdrage te betalen.
2.14.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de Alimentatienormen).
Behoefte
2.15.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] op dit moment € 259,= per maand bedraagt.
Draagkracht
2.16.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige zoon tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
2.17.
De rechtbank zal eerst een beslissing nemen over de draagkracht van de man.
Draagkracht man
2.18.
De man voert aan dat zijn inkomen is gedaald omdat hij momenteel een WW-uitkering ontvangt. Hij is tijdens zijn werk als pakketbezorger ziek geworden door de druk die deze baan met zich meebracht. Uiteindelijk is zijn arbeidsovereenkomst daardoor beëindigd. Dit ontslag was niet verwijtbaar want hij had geen WW-uitkering toegekend gekregen als dat het geval was. De man spant zich in om zoveel mogelijk inkomen te verwerven. Hij is momenteel samen met het UVW bezig om te solliciteren naar een opleidingsplaats als vrachtwagenchauffeur. Dit is tot nu toe niet gelukt omdat er niet veel van dit soort opleidingsplaatsen zijn. Hij zou in de tussentijd wel ander werk kunnen doen, maar hij zoekt een baan voor langere tijd en wil daarnaast werk doen dat hij leuk vindt.
Daarnaast moet er bij de berekening van zijn draagkracht rekening worden gehouden met de maandelijks bijdrage aan het CAK van € 300,= per maand die hij betaalt voor de hulpverlening die hij ontvangt en de aflossing op zijn schuld bij het CAK te hoogte van
€ 236,= per maand. Als gevolg hiervan is zijn draagkracht momenteel nihil en is hij niet in staat om een kinderbijdrage voor [minderjarige] te betalen. Zodra zijn inkomen het weer toelaat, zal hij weer een bijdrage voor [minderjarige] gaan betalen.
2.19.
De vrouw stelt dat de man in 2024 aantoonbaar een inkomen van circa € 36.000,= per jaar heeft gehad. De man geeft onvoldoende inzicht in zijn huidige financiële situatie en dit komt voor zijn risico. Het is de vrouw o.a. niet duidelijk waarom de man zijn baan is kwijtgeraakt en tot wanneer zijn WW-uitkering loopt. Voor zover sprake is van een inkomensdaling door werkloosheid, komt deze voor rekening van de man, nu onvoldoende is onderbouwd dat hij zich maximaal inspant om zijn verdiencapaciteit te benutten. Bij alimentatie wordt er namelijk niet alleen gekeken naar het feitelijke inkomen, maar ook naar wat iemand redelijkerwijs kan verdienen. De man heeft onvoldoende aangetoond dat hij alles in het werk zet om inkomen op eenzelfde niveau te genereren en [minderjarige] mag niet de dupe worden van inkomenskeuzes van zijn vader. Daarom stelt zij zich op het standpunt dat voor de alimentatieberekening uitgegaan dient te worden van de verdiencapaciteit van de man, derhalve een inkomen van € 36.000,= bruto per jaar.
Verder roept de maandelijkse bijdrage die de man aan het CAK moet betalen vragen op bij de vrouw. Ze vraagt zich af of deze wel is aangepast aan het huidige, lagere, inkomen van de man. Daarnaast zou de schuld aan het CAK inmiddels afgelost moeten zijn, maar neemt de man deze schuld nog wel mee in de berekening van zijn draagkracht. De vrouw heeft aanvankelijk aangevoerd dat de aflossing op deze schuld daarom niet moest worden meegenomen in de draagkrachtberekening van de man, maar op zitting alsnog aangegeven dat hier wel rekening mee kan worden gehouden.
2.20.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de man een WW-uitkering ontvangt van het UWV, en er geen omstandigheden zijn gebleken die tot een ander oordeel moeten leiden, gaat de rechtbank ervan uit dat zijn ontslag niet verwijtbaar was. Onder verwijzing naar de Alimentatienormen houdt de rechtbank, als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. De rechtbank verwacht daarbij van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de man, na betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet in staat om hetzelfde jaarinkomen te verdienen als voorheen. De man heeft aangevoerd dat hij graag vrachtwagenchauffeur wil worden en dat hij ervoor kiest om alleen te solliciteren op opleidingsplaatsen voor die functie. Hij zoekt niet naar ander werk dat hij, tot hij een opleidingsplaats als vrachtwagenchauffeur vindt, in de tussentijd kan doen. Dit maakt dat de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet in staat is om een baan te vinden met een vergelijkbaar salaris als voorheen. Het moge zo zijn dat de man graag vrachtwagenchauffeur wil worden, maar deze wens mag naar het oordeel van de rechtbank niet prevaleren boven zijn zwaarwegende onderhoudsplicht jegens zijn kind. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de door de vrouw gestelde fictieve verdiencapaciteit van de man van € 36.000,= per jaar, waarvan door de man niet is bestreden dat hij dit bedrag eerder heeft verdiend.
2.21.
Het NBI van de man komt, rekening houdend met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen op € 2.612,= per maand.
2.22.
Voorts zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een eigen bijdrage aan het CAK ter hoogte van € 300,= per maand. De vrouw heeft op zichzelf niet bestreden dat met de eigen bijdrage rekening moet worden gehouden, maar heeft haar vraagtekens gezet bij de hoogte ervan. Naar het oordeel van de rechtbank is door middel van de door de man overlegde stukken voldoende vast komen te staan dat hij dit bedrag maandelijks aan het CAK dient te betalen voor de hulpverlening die hij ontvangt. Daarbij is ook het CAK, evenals de rechtbank hiervoor, bij de berekening van deze bijdrage uitgegaan van een inkomen van de man van circa € 36.000,=. Tenslotte zal de rechtbank ook rekening houden met de aflossing van de man op zijn schuld bij het CAK ter hoogte van € 236,= nu deze aflossing niet meer tussen partijen in geschil is.
2.23.
De man heeft in de door hem overgelegde draagkrachtberekening (productie 8 bij de brief van 30 maart 2026) geen rekening gehouden met de forfaitaire woonlasten maar gerekend met zijn werkelijke woonlasten van € 385,= per maand. Nu hieronder zal blijken dat er een tekort is in de gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien en de werkelijke loonlasten duurzaam en aanmerkelijk lager zijn dan de forfaitaire woonlasten, zal de rechtbank ook rekenen met deze werkelijke woonlasten bij de berekening van de draagkracht van de man.
2.24.
Rekening houdend met het voorgaande bedraagt de draagkracht van de man volgens de formule € 228,= per maand.
Draagkracht vrouw
2.24.
De vrouw heeft gesteld dat haar inkomen onveranderd is. Haar draagkracht voor [minderjarige] is hierdoor nog altijd minimaal (€ 25,= per maand). Ze is niet in staat om meer te werken omdat ze voor drie kinderen moet zorgen en klachten heeft aan haar pols.
2.25.
De man heeft het inkomen van de vrouw niet betwist maar wel aangevoerd dat (ook) van de vrouw verwacht mag worden dat ze zich inspant om meer inkomen te verdienen.
2.26.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft aangevoerd dat de vrouw in staat moet zijn om meer uren te werken, maar heeft, na betwisting daarvan door de vrouw, niet onderbouwd hoeveel meer ze zou kunnen werken en wat ze dan daarmee zou kunnen verdienen. Ook heeft hij de door de vrouw gestelde polsklachten niet bestreden. Tegen deze achtergrond en in het licht van de vaststaande polsklachten en de zorg die de vrouw heeft voor haar drie kinderen ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om een extra verdiencapaciteit bij de vrouw aan te nemen. De rechtbank zal voor de draagkracht van de vrouw dan ook aansluiten bij haar standpunt en uitgaan van een draagkracht voor [minderjarige] van
€ 25,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
2.27.
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen (€ 253,=) lager is dan de hiervoor becijferde behoefte (€ 259,=) van [minderjarige] .
Zorgkorting en conclusie
2.28.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 15%. Nu de behoefte van [minderjarige] € 259,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (afgerond)
€ 39,= per maand.
2.29.
Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting.
2.30.
Op basis van de berekeningen zou de man dan het volgende bedrag moeten betalen:
€ 228,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 39,= [bedrag zorgkorting] - € 3,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 192,= per maand. De vrouw heeft echter verzocht om een bijdrage van € 164,- per maand. Het is niet aan de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd te treden en een hoger bedrag toe te wijzen dan door de vrouw is verzocht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen.
Ingangsdatum
2.31.
De vrouw heeft de verzochte wijziging verzocht per datum van de onderhavige beschikking. De rechtbank zal dit verzoek, als onbestreden, toewijzen.
Aanhechten berekening
2.32.
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de man. Een gescand exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

3.De beslissing

De rechtbank
bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014;
bepaalt dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar:
- de ene week van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur én
- de andere week op een doordeweekse dag van 14.00 uur tot 16.00 uur;
bepaalt dat de man met ingang van heden ten behoeve van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige [minderjarige] aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 164,= per maand;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Krocké, griffier, op 29 mei 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.