ECLI:NL:RBZWB:2026:5724

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447677 / JE RK 26-755
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige bedreiging ontwikkeling door ouderlijke strijd

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een minderjarige onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar. De minderjarige wordt ernstig bedreigd in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling door de aanhoudende en escalaties in de strijd tussen zijn ouders. De ouders zijn onvoldoende in staat om deze bedreiging zelf weg te nemen en weigeren of beëindigen vrijwillige hulpverlening voortijdig.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren beide ouders aanwezig met hun advocaten, evenals vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling. Beide ouders stemden in met het verzoek tot ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling is bereid de ondertoezichtstelling uit te voeren, hoewel er nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is.

De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan. De ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige kan niet met vrijwillige hulpverlening worden weggenomen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar toegekend, met als doelen het waarborgen van een veilige en stabiele opvoedomgeving, het bevorderen van onbelast contact met beide ouders, en het verbeteren van de communicatie tussen ouders.

De ouders hebben afspraken gemaakt over de zorgregeling en overdrachtsmomenten van de minderjarige. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling door de ouderlijke strijd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447677 / JE RK 26-755
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND–WEST-BRABANT,locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. Kerkhof te Gilze.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 24 april 2026 met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026;
- het bericht van de Raad van 11 mei 2026, ontvangen op 11 mei 2026;
- het bericht van mr. Kranenburg van 26 mei 2026 met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het ingediende raadsrapport. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat [minderjarige] ernstig in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling wordt bedreigd doordat hij op zijn zeer jonge leeftijd sterk wordt belast met de forse, aanhoudende strijd van de ouders. Er is recent weer een escalatie geweest tussen de ouders in het bijzijn van [minderjarige] . De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat de bedreiging van [minderjarige] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren, doordat er onvoldoende vertrouwen is tussen hen en zij de hulpverlening in het vrijwillig kader steeds voortijdig beëindigen. Het is daarnaast niet gelukt om in het vrijwillig kader zicht te krijgen op de opvoedsituaties van de ouders. Het is dan ook van groot belang dat er een onafhankelijke derde bij de ouders en [minderjarige] betrokken raakt, die de belangen van [minderjarige] centraal gaat stellen. Daarom verzoekt de Raad [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek. Zij onderschrijft de problematiek die de Raad naar voren brengt. De moeder vindt de ondertoezichtstelling nodig.
4.3.
De vader stemt ook in met het verzoek. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd door de aanhoudende en steeds verder verhardende strijd tussen de ouders. Dit is het meest zichtbaar tijdens de overdrachtsmomenten. [minderjarige] heeft daar veel last van. De strijd van de ouders moet worden doorbroken. Dit is niet gelukt in het vrijwillig kader. Daarom vindt de vader een ondertoezichtstelling nodig.
4.4.
De GI is bereid de uitvoering van de ondertoezichtstelling op zich te nemen. Er is op dit moment echter geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar. Het instroomteam zal de ondertoezichtstelling daarom in eerste instantie op zich nemen. Er wordt dan alvast in kaart gebracht welke hulpverlening er bij de ouders en [minderjarige] betrokken is (geweest), er wordt onderzocht of er nieuwe hulpverlening moet worden ingezet en de actuele veiligheid van [minderjarige] wordt gemonitord. Daarbij benoemt de GI dat wel van de ouders wordt verwacht dat zij meewerken aan de hulpverlening. Deze is niet langer vrijblijvend als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken.

5.De beoordeling

Het juridisch kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke onderbouwing
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de bovengenoemde voorwaarden voor het verlenen van een ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijzen en [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI voor de verzochte duur van een jaar, met ingang van 29 mei 2026 en tot 29 mei 2027. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter gelegenheid van de zitting blijkt dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn al langere tijd veel zorgen over de forse strijd, het wantrouwen en de spanningen tussen de ouders, en over de impact daarvan op [minderjarige] . De kinderrechter begrijpt uit de stukken en wat er ter zitting is verteld dat het de ouders niet lukt om op een adequate wijze met elkaar te communiceren en afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Daarbij hebben er verschillende escalaties plaatsgevonden met verbaal en/of fysiek geweld tussen de ouders, waar [minderjarige] getuige en slachtoffer van was. Dit is onveilig en beschadigend voor [minderjarige] en dat vindt de kinderrechter zeer zorgelijk. Het is de kinderrechter verder gebleken dat de strijd van de ouders zo erg op de voorgrond staat dat er daardoor onvoldoende aandacht is voor het effect daarvan op de ontwikkeling van [minderjarige] . De ouders zijn onvoldoende emotioneel en fysiek beschikbaar voor [minderjarige] en [minderjarige] kan onvoldoende vertrouwen op zijn ouders en voelt de spanningen tussen hen. Hierdoor kan hij mogelijk geen onbelast met zijn beide ouders hebben en komt hij klem te zitten tussen zijn ouders, hetgeen gevolgen kan hebben voor zijn gehechtheidsontwikkeling. Er zijn ook nog zorgen over de balans tussen de draaglast en de draagkracht van de moeder en de veiligheid van [minderjarige] gelet op de zorgen die de ouders over en weer over elkaar uitspreken, maar waarover nog onvoldoende zicht is verkregen.
5.4.
De kinderrechter is verder van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] op dit moment niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gebleken is immers dat deze hulpverlening de afgelopen tijd niet blijvend van de grond is gekomen, doordat de ouders hiervoor geen toestemming verlenen, de hulpverlening voortijdig beëindigen of zij hier niet actief mee aan de slag gaan. Ook is er in het vrijwillig kader onvoldoende zicht verkregen op de opvoedsituaties van de beide ouders. Daarom is de kinderrechter met de Raad van oordeel dat er stevige regievoering nodig is om de door de Raad geformuleerde doelen te bereiken, de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en de ouders in voldoende mate te laten meewerken aan de benodigde hulpverlening.
5.5.
De kinderrechter zal gelet op al het voorgaande [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI voor de verzochte duur van een jaar. Deze termijn acht de kinderrechter nodig en passend gelet op de forse problemen tussen de ouders.
5.6.
Gedurende de ondertoezichtstelling dient er te worden gewerkt aan de volgende, door de Raad geformuleerde doelen:
- [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving, waarin regelmaat en continuïteit is gewaarborgd en waar ook voldoende wordt tegemoet gekomen aan de behoeftes van [minderjarige] ;
- [minderjarige] heeft onbelast en positief contact met beide ouders;
- [minderjarige] wordt niet geconfronteerd met ruzies en conflicten en met de negatieve beeldvorming van ouders over elkaar;
- Ouders kunnen in voldoende mate met elkaar communiceren en maken afspraken met elkaar in het belang van [minderjarige] ;
- Er komt zicht op beide opvoedsituaties;
- De draagkracht van moeder blijft in balans met de draaglast.
Afspraken zorgregeling
5.7.
Ter gelegenheid van de zitting hebben de ouders afgesproken dat de huidige zorgregeling, op basis waarvan [minderjarige] bij de vader verblijft elke maandag tot en met woensdag en elke zaterdag van 9:30 uur tot 18:30 uur de komende tijd door zal lopen. Daarbij hebben de ouders afgesproken dat de moeder [minderjarige] voortaan op zaterdagochtend naar de vader brengt, samen met iemand uit haar netwerk, en dat de vader [minderjarige] voortaan op zaterdagavond weer terug naar de moeder brengt, samen met iemand uit zijn netwerk, niet zijnde de stiefvader van de vader. De ouders zullen zo spoedig mogelijk aan de GI een lijstje verstrekken met wie op welk moment bij de ouders aanwezig zal zijn tijdens de overdrachtsmomenten van [minderjarige] tussen de ouders, zodat dit voortaan vooraf duidelijk is.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland voor de duur van een jaar, met ingang van 29 mei 2026 en tot 29 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.