ECLI:NL:RBZWB:2026:5768

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
207638226
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 138 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling winkeldiefstal en overtreding ontzeggingen met oplegging ISD-maatregel

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van winkeldiefstal bij de HEMA en het overtreden van ontzeggingen bij de HEMA en het Mercure Hotel. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard op basis van aangifte, camerabeelden en verklaringen van verdachte zelf.

Verdachte stal op 12 maart 2026 een fles wijn bij de HEMA en betrad die winkel ondanks een ontzegging van toegang. Tevens werd vastgesteld dat verdachte op 28 februari 2026 het Mercure Hotel betrad terwijl hem ook daar een toegangsonzegging was opgelegd. De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist van de hotelontzegging, maar de rechtbank oordeelde dat verdachte de essentie van de ontzegging begreep, gelet op zijn eigen verklaringen.

De rechtbank achtte de strafbaarheid van de feiten onomstreden en wees het reclasseringsadvies dat wees op ernstige en langdurige problematiek bij verdachte, waaronder verslavings- en psychosociale problemen. Gezien het hoge recidiverisico en het ontbreken van haalbare alternatieven, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op. Verrekening van voorarrest en tussentijdse toetsing werden afgewezen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en baseerde haar beslissing op de artikelen 38m, 38n, 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar wegens winkeldiefstal en overtreding van ontzeggingen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02.076382.26; 02.061335.26 (ttzgev)
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres 1] ,
verblijvende in de penitentiaire inrichting te [locatie]
raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02.076382.26
feit 1: een fles wijn heeft gestolen bij de HEMA;
feit 2: de HEMA is binnengegaan waar hij een winkelverbod voor had;
02.061335.26
het Mercure Hotel is binnengegaan waar hij een ontzegging voor had.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier de drie ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor de bewezenverklaring van de twee feiten behorende bij parketnummer 02.076382.26 aan het oordeel van de rechtbank.
Voor het feit behorende bij parketnummer 02.061335.26, te weten het binnengaan van het Mercure Hotel terwijl hij daar een ontzegging voor had, is de verdediging van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken. Er kan niet worden bewezen dat verdachte wist dat hij het hotel niet meer mocht betreden. Uit het dossier volgt namelijk niet dat het verbod aan hem is uitgelegd in een taal die hij machtig is en dat het verbod daadwerkelijk aan hem is uitgereikt.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02.076382.26
De rechtbank is van oordeel dat de feiten wettig en overtuigend zijn bewezen, gelet op de gedane aangifte namens de Hema en de camerabeelden in het dossier waarop is te zien dat verdachte op 12 maart 2026 de winkel verlaat met een fles wijn van de Hema, terwijl deze fles niet was afgerekend volgens de registratie van de Hema.
02.061335.26
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich op 28 februari 2026 bevond in het Mercure Hotel aan [adres 2] , terwijl aan verdachte op 28 oktober 2025 een hotelontzegging was uitgereikt. Uit deze ontzegging volgt dat aan verdachte de toegang tot het hotel is ontzegd voor de duur van 12 maanden, dus tot aan 28 oktober 2026. De ontzegging is met toestemming van verdachte ondertekend door [verbalisant] nu verdachte last had van zijn handen. De ontzegging is daarna aan hem uitgereikt. Om te komen tot een bewezenverklaring, is het vereist dat verdachte de essentie van deze ontzegging heeft begrepen. Dat verdachte de essentie heeft begrepen leidt de rechtbank af uit de uitspraken die verdachte heeft gedaan tijdens zijn verhoor op 28 februari 2026, namelijk dat het klopt dat hij in het hotel was en dat hij weer weet dat hij een hotelontzegging heeft ondertekend. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de tenlastegelegde lokaalvredebreuk wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-076382-261
op 12 maart 2026 te [plaats] een fles wijn die aan de HEMA toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 12 maart 2026 te [plaats] in het besloten lokaal aan [adres 3] bij de HEMA
wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 22 februari 2026 schriftelijk de toegang tot (alle aangesloten winkels van) HEMA [plaats] ontzegd voor de duur van een jaar;
02-061335-26op 28 februari 2026 te [plaats] in het besloten lokaal aan [adres 2] bij het Mercure Hotel, wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 28 oktober 2025 schriftelijk de toegang tothet Mercure Hotel ontzegd voor de duur van een jaar.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt primair dat oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet mogelijk is, omdat niet wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Er zijn namelijk nog reële alternatieven om de risico’s in te perken. Er wordt verzocht om een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 of 3 jaar en daaraan gekoppeld algemene en bijzondere voorwaarden. Indien de rechtbank van oordeel is dat wel aan de voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan, dan verzoekt de verdediging subsidiair deze maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen. Mocht de maatregel toch onvoorwaardelijk worden opgelegd, dan wordt verzocht om het voorarrest in mindering te brengen op de duur van de maatregel. Ook wordt in dat geval verzocht om na 6 maanden een tussentijdse toets te gelasten, zodat de voortgang van de ISD-maatregel kan worden beoordeeld door de rechter.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal bij de HEMA en ook heeft hij ontzeggingen voor de HEMA en het Mercure Hotel overtreden. Deze ontzeggingen waren niet voor niets aan hem opgelegd. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendommen van anderen en voor de ontzeggingen die hem in dat verband eerder waren opgelegd. Hij heeft daarmee voor
overlast en schade gezorgd.
Bij de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 11 juni 2026. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van ernstige en langdurige problematiek op meerdere leefgebieden. De woonsituatie van verdachte is instabiel. Hij beschikt momenteel niet over passende huisvesting. Hij heeft nu een toegangsverbod bij Traverse tot augustus 2026, met uitzondering van de winteropvang. Daarnaast ontbreekt een structurele dagbesteding. Er is sprake van schuldenproblematiek en de inkomenssituatie is onzeker, ondanks het mogelijk recht op een uitkering. Tevens is sprake van een negatief sociaal netwerk en middelenproblematiek, waarbij met name alcoholgebruik op de voorgrond staat. Verder bestaan er zorgen over het psychosociaal functioneren van verdachte. Hoewel diagnostische informatie ontbreekt, zijn er signalen die kunnen wijzen op psychotische problematiek, waaronder het horen van stemmen, psychische instabiliteit en mogelijk psychotische ontregeling. Eerdere interventies en ambulante begeleidingstrajecten hebben onvoldoende resultaat opgeleverd. Verdachte heeft zich herhaaldelijk onvoldoende gehouden aan gemaakte afspraken en voorwaarden. Hierdoor zijn eerdere toezichttrajecten voortijdig negatief beëindigd. Het recidiverisico wordt, mede gelet op de uitgebreide delictgeschiedenis, ingeschat als hoog. Gelet op de ernst, de omvang en de verwevenheid van de problematiek, in combinatie met de beperkte begeleidbaarheid binnen eerdere ambulante kaders, acht de reclassering een ambulant traject op dit moment onvoldoende toereikend om de noodzakelijke gedragsverandering en stabilisatie te realiseren. De reclassering acht een onvoorwaardelijke ISD-maatregel dan ook het meest passend en uitvoerbaar.
Aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt de wet een aantal eisen. De rechtbank stelt aan de hand van de justitiële documentatie vast dat aan die eisen wordt voldaan. Voor de door verdachte begane diefstal is voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl hij in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of een vrijheidsbeperkende maatregel is veroordeeld. De diefstal gepleegd op 12 maart 2026 is begaan ná tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen. Verder moet, zoals blijkt uit het reclasseringsadvies, er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel. Tot slot wordt ook aan de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers voldaan. Er zijn over een periode van vijf jaren tegen verdachte meer dan tien processen-verbaal opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van de onderhavige diefstal.
De rechtbank stelt verder vast dat verdachte veelvuldig recidiveert en de kans op verdere recidive als hoog wordt ingeschat. De vraag is of er – anders dan de onvoorwaardelijke ISD-maatregel – nog mogelijkheden zijn om gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen om zo de recidive te beperken. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de reclassering heeft gerapporteerd dat een voorwaardelijke ISD-maatregel gelet op de eerdere negatieve ervaringen met toezicht en de beperkte naleving van afspraken, niet haalbaar wordt geacht. Daarnaast is de reclassering van oordeel dat het ontbreken van een stabiele huisvesting een belangrijke belemmerende factor vormt voor het slagen van een voorwaardelijke ISD-maatregel of een ambulant begeleidingskader. Daarbij komt dat volgens de reclassering gelet op de ernst van de problematiek, met name de verslavingsproblematiek, abstinentie enkel haalbaar is binnen een langdurige klinische opname. Hiervoor is echter een wachtlijst, waardoor er een overbruggingsperiode zal volgen. Indien verdachte hierdoor op straat komt te staan, zal hij terugvallen in middelen-gebruik. Er is volgens de reclassering alleen een klinische opname mogelijk binnen onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Bovendien heeft de reclassering met Novadic Kentron gesproken over een hernieuwd toezicht met voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden meer om de kans op recidive te beïnvloeden met bijzondere voorwaarden. Zij achten een meer gestructureerd en dwingend kader zoals de onvoorwaardelijke ISD-maatregel noodzakelijk om de kans op recidive te verlagen.
De inhoud van het reclasseringsadvies is door de deskundige op zitting bevestigd. De rechtbank sluit zich bij dit advies aan. Alles afwegend ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid om de maatschappij te beveiligen tegen het recidiverende en overlast veroorzakende gedrag van verdachte dan door oplegging van de onvoorwaardelijke maatregel voor plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar. Daarbij komt dat verdachte niet op de zitting aanwezig was, wat weinig vertrouwen geeft in het feit dat verdachte gemotiveerd is om zich aan afspraken en voorwaarden te houden. Zij acht de oplegging van die maatregel dan ook wenselijk en noodzakelijk.
Voor wat betreft het verzoek van de verdediging tot verrekening van het voorarrest met de duur van de ISD-maatregel overweegt de rechtbank dat de ISD-maatregel doorgaans voor twee jaar wordt opgelegd, vanwege de tijd die nodig is voor een effectief verloop van de maatregel. De rechtbank concludeert dat uit het reclasseringsadvies en hetgeen ter zitting is besproken geen aanknopingspunten naar voren zijn gekomen voor het oordeel dat met een kortere duur van de maatregel kan worden volstaan. Daarom wordt de tijd die verdachte in preventieve hechtenis heeft doorgebracht, niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel. Evenmin ziet de rechtbank op dit moment aanleiding om een tussentijds toets te bepalen. Mochten gewijzigde omstandigheden hier wel aanleiding toe geven, dan staat het de raadsman vrij om te zijner tijd zelf een dergelijk verzoek in te dienen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02.076382.26
feit 1: diefstal;
feit 2: in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
02.061335.26
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de
plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, mr. E.B. Prenger en
mr. H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 juni 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-076382-261
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te [plaats] , althans in Nederland,
een fles wijn, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan HEMA, in elk geval aan een
ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
(Artikel art 310 Wetboek Pro van Strafrecht)
2
hij, op of omstreeks 12 maart 2026 te [plaats] , althans in Nederland,
in het besloten lokaal op/aan [adres 3] bij de HEMA,
althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen
immers was hem, verdachte, met ingang van 22 februari 2026 schriftelijk de
toegang tot (alle aangesloten winkels van) HEMA [plaats] ontzegd voor de duur van een jaar;
(Artikel art 138 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
02-061335-26hij, op of omstreeks 28 februari 2026 te [plaats] ,
in het besloten lokaal aan [adres 2] bij het Mercure Hotel,
althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen
immers was hem, verdachte, met ingang van 28 oktober 2025 schriftelijk de
toegang tot dat/het Mercure Hotel ontzegd voor de duur van een jaar;
( art 138 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )