ECLI:NL:RBZWB:2026:5797

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
25/2477
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 11 ParticipatiewetArtikel 19 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag noodzakelijke kosten van levensonderhoud wegens onvoldoende bewijs woon- en leefsituatie

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud, welke door het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van zijn hoofdverblijf en bijstandbehoevende situatie.

De rechtbank beoordeelt dat eiser niet voldoende heeft aangetoond waar hij zijn hoofdverblijf had, ondanks zijn stelling dat hij voornamelijk in een bepaalde plaats verbleef en zijn psychische problematiek. Ook heeft hij nagelaten relevante verklaringen en formulieren te overleggen die zijn verblijf zouden onderbouwen.

Daarnaast is niet duidelijk geworden hoe eiser in zijn levensonderhoud voorzag, aangezien hij geen vaste lasten kon aantonen en zijn stellingen over het gebruik van toeslagen, hulp van vrienden en een kerkvoedingskast onvoldoende zijn onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat Orionis terecht de aanvraag heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2477 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Wouters),
en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, Orionis.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Orionis terecht de aanvraag heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en onder 4 en 5 staat het standpunt van eiser. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: Heeft Orionis terecht gesteld dat het hoofdverblijf niet kan worden vastgesteld? En heeft Orionis terecht gesteld dat niet kan worden vastgesteld of eiser verkeerde in een bijstandbehoevende situatie? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 november 2024 een aanvraag ingediend voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Orionis heeft deze aanvraag met het besluit van 20 december 2024 (primair besluit) afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 op het bezwaar van eiser is Orionis bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Orionis heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens Orionis [gemachtigde] . Eiser zelf was afwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontving een bijstandsuitkering. Deze uitkering is met het besluit van 8 mei 2024 per opschortingsdatum 18 april 2024 ingetrokken. Eiser heeft vervolgens op 14 november 2024 opnieuw een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Doordat eiser niet alle gevraagde inlichtingen heeft verstrekt en daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is deze aanvraag met het besluit van 20 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 is Orionis bij haar besluit gebleven. Het is volgens Orionis onduidelijk wat het hoofdverblijf van eiser is en of eiser in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
Het standpunt van eiser
4. Eiser stelt dat hij voldoende stukken en informatie heeft aangeleverd om tot toekenning van de bijstandsuitkering te komen in de periode van 13 september 2024 tot 9 december 2024. Uit de bankafschriften volgt dat hij de afgelopen maanden enkel toeslagen heeft ontvangen en deze van zijn rekening opneemt. Eiser leeft van deze toeslagen. In voornoemde periode heeft eiser op verschillende adressen verbleven, gelegen in [woonplaats] of [plaats] . Dat is ook door hem medegedeeld. Dat Orionis dit, als gevolg van eisers detentie vanaf 9 december 2024, niet meer zou kunnen controleren is onjuist en ten tweede niet relevant voor de toekenning van de uitkering. Eiser heeft altijd in [plaats] verbleven. Aangezien eiser dit heeft medegedeeld, mag daar ook van uit worden gegaan. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de psychische problematiek die bij eiser speelt. Ter zitting is aangegeven dat door de psychische problematiek aannemelijk is dat eiser altijd in [plaats] verbleef.
5. Ook de secundaire afwijzingsgrond is volgens eiser onjuist. Uit de bankafschriften volgt namelijk welk (beperkt) inkomen eiser heeft. Niet te begrijpen is waarom het verhaal van eiser ‘niet aannemelijk’ zou zijn. Verder voert eiser aan dat hij in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien, door ontvangen toeslagen, eten bij vrienden en gebruikmaking van de voedingskast van de kerk.
Heeft Orionis terecht gesteld dat het hoofdverblijf niet kan worden vastgesteld?
6. Voor de vaststelling van het recht op bijstand is van doorslaggevend belang dat voldoende duidelijkheid wordt verschaft over de woon- en leefsituatie. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Hierbij wordt niet uitsluitend de Basisregistratie personen (BRP) bedoeld. Juist het feitelijke adres is van belang.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn woon- en verblijfplaats niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Aangezien het gaat om een aanvraagsituatie, ligt de bewijslast bij eiser. Eiser voert aan dat transacties die te zien zijn op de bankafschriften voornamelijk in [plaats] zijn geweest en het hierdoor aannemelijk is dat eiser zijn verblijfplaats in [plaats] heeft. Dit is echter onvoldoende om de conclusie te trekken dat eiser hoofdzakelijk in [plaats] verbleef. Van april 2024 tot september 2024 is de verblijfplaats geheel onduidelijk gebleven. Eiser stelt dat hij vanaf 13 september 2024 voor drie dagen per week bij de heer [persoon] verbleef en de overige dagen op straat. Eiser heeft deze stelling echter niet onderbouwd. Eiser heeft nagelaten het formulier ‘Verklaring omtrent verblijf 2024’ volledig ingevuld te retourneren. Bovendien had eiser op zijn minst een verklaring van de heer [persoon] kunnen overleggen over zijn gestelde verblijf bij hem.
8. Ter zitting voert eiser aan dat zijn psychische problematiek aannemelijk maakt dat hij binding heeft met [plaats] en aangenomen kan worden dat hij hier verbleef. Eiser is naar eigen zeggen een bijzondere man. Daargelaten dat de gestelde psychische problematiek niet is onderbouwd, is hiermee niet aangetoond dat (enkel) [plaats] de verblijfplaats van eiser zou zijn geweest. Bovendien zijn mogelijk psychische problemen door Orionis in de aanvraagprocedure meegenomen, ondanks dat eiser toentertijd zelf heeft aangegeven geen problemen te hebben. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Heeft Orionis terecht gesteld dat niet kan worden vastgesteld of eiser verkeerde in een bijstandbehoevende situatie?
9. Orionis heeft eiser tegengeworpen dat niet duidelijk is hoe eiser in zijn levensonderhoud heeft voorzien, aangezien eiser geen schulden heeft maar ook geen vaste lasten van zijn bankafschriften zijn afgeschreven. Eiser verklaart daartoe dat hij leefde van zijn huur- en zorgtoeslag. Verder zou hij bij vrienden gegeten hebben en leefde hij, indien nodig, van de voedingskast van de kerk.
10. Ook hierbij is van belang dat de bewijslast rust op eiser. Het is aan hem om uit te leggen waarom het recht op bijstand toch zou zijn vast te stellen. Eiser is daar volgens de rechtbank niet in geslaagd. Het niet onderbouwen van zijn stellingen met objectieve en verifieerbare gegevens maakt de financiële situatie in de te beoordelen periode onvoldoende inzichtelijk. Hierdoor is niet (voldoende) duidelijk geworden hoe eiser in zijn levensonderhoud voorzag en of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het recht op bijstand van eiser was daarom niet vast te stellen. Orionis heeft de aanvraag om bijstand dus terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 19 van Pro de Participatiewet
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
2. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.
3. In de algemene bijstand is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 4,8 procent [Red: per 1 januari 2009: 5 procent] van die bijstand.
4. De algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is.