ECLI:NL:RBZWB:2026:5800

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/418
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering WIA-uitkering door UWV na onjuiste loonverwerking

Eiser ontvangt sinds 2012 een WGA-uitkering die in 2015 werd omgezet naar een WGA-vervolguitkering. Het UWV besloot in januari 2023 de WIA-uitkering als voorschot uit te keren, omdat eiser naast zijn uitkering werkte. Later stelde het UWV vast dat eiser € 6.888,64 te veel had ontvangen en vorderde dit bedrag terug.

Eiser betwist de terugvordering en voert aan dat zijn ex-werkgever zijn uren en loonstroken niet correct heeft verwerkt, waardoor het lijkt alsof hij niet aan zijn verplichtingen voldeed. Hij stelt dat hij meer uren heeft gewerkt en nog loon tegoed heeft. De rechtbank oordeelt dat het UWV in beginsel mag uitgaan van de door de werkgever aangeleverde gegevens bij de Belastingdienst en dat de door eiser overgelegde loonstroken overeenkomen met deze gegevens.

De rechtbank stelt vast dat het beroep tijdig en ontvankelijk is ingediend, ondanks een aanvankelijk niet-ondertekend beroepschrift dat ter zitting alsnog werd ondertekend. De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gegevens onjuist zijn en dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond en bevestigt de terugvordering van de WIA-uitkering door het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/418 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de WIA-uitkering van eiser heeft teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de WIA-uitkering van eiser heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat het standpunt van eiser. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het UWV heeft met het besluit van 10 mei 2024 (primair besluit) de uitkering van eiser definitief berekend over de periode van 1 april 2023 tot en met 31 maart 2024 en vastgesteld dat eiser € 6.888,64 bruto te veel aan WIA-uitkering heeft ontvangen. In de brief van 13 mei 2024 heeft het UWV dit bedrag teruggevorderd.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 november 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser bijgestaan door zijn partner. Het UWV heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt sinds 8 november 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering. De uitkering is vanaf 8 november 2015 omgezet naar een WGA-vervolguitkering. Op 19 januari 2023 heeft het UWV besloten de WIA-uitkering als voorschot uit te keren, omdat eiser naast zijn uitkering werkt/is gaan werken. Naar aanleiding hiervan heeft het UWV de beslissing genomen zoals vermeld onder Procesverloop.
Het standpunt van eiser
4. Eiser stelt dat zijn uren en loonstroken door zijn ex-werkgever [ex-werkgever] B.V. niet naar behoren zijn verwerkt. Hierdoor lijkt het alsof hij niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan om zijn volledige WIA-uitkering te kunnen behouden, terwijl hij dat wel heeft gedaan.
4.1.
Daarnaast voert eiser aan dat hij in de periode van 1 augustus 2023 tot 1 december 2023 een bedrag van € 6.976,- van het UWV heeft ontvangen terwijl hij over deze periode ruim € 6.800,- moet terugbetalen, wat zou betekenen dat zijn uitkering € 88,- voor vier maanden zou zijn geweest. Dit kan volgens eiser niet kloppen.
4.2.
Eiser probeert al een jaar lang de juiste verwerking van zijn ex-werkgever te krijgen, maar zijn ex-werkgever reageert nergens op. Zijn ex-werkgever is hem ook nog
€ 2.056,- verschuldigd, omdat eiser slechts € 1.267,- in vier maanden heeft ontvangen.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
5. De rechtbank dient allereerst vast te stellen of het beroepschrift aan de formele vereisten voldoet.
Is het beroep tijdig ingediend?
6. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijke voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Die voorwaarden houden in dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
7. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb.
8. De beslissing op bezwaar dateert van 12 november 2024. De rechtbank heeft het UWV verzocht aan te tonen wanneer de beslissing op bezwaar is verzonden. Het UWV heeft de rechtbank laten weten dat de brief per reguliere post is verzonden en dat de brief in beginsel wordt verstuurd op de dag dat deze wordt gedateerd. Uit de administratie van het UWV blijkt dat de brief op 12 november 2024 om 12:38 uur is toegevoegd aan het dossier. De brief is volgens het UWV dus op 12 november 2024 aangeboden aan de postverwerker.
9. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet meer weet wanneer hij de brief heeft ontvangen, maar in ieder geval vóór 25 december 2024 [1] .
10. Op grond van vaste rechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat, ingeval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het besluit is verzonden. De rechtbank is van oordeel dat het UWV er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat de brief op 12 november 2024 is verzonden, omdat een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld wanneer de brief daadwerkelijk is verzonden en dus ook niet wanneer de termijn voor het indienen van een beroepschrift is aangevangen.
11. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift de datum 17 december 2024 vermeld. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij direct met het opstellen van het beroepschrift is begonnen nadat hij het besluit had ontvangen en het beroepschrift diezelfde - of volgende dag op de post heeft gedaan, maar uiterlijk op 25 december 2024. De rechtbank bepaalt dat de termijn is aangevangen op 17 december 2024. In dat geval had het beroepschrift uiterlijk 28 januari 2025 bij de rechtbank binnen moeten zijn. Het beroepschrift is – blijkens de poststempel op de enveloppe – door PostNL op 7 januari 2025 ontvangen en door de rechtbank op 14 januari 2025. Het beroep is dan ook tijdig ingediend en ontvankelijk.
Beroepschrift niet ondertekend
12. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, van de Awb het beroepschrift ondertekenen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank – na een herstelmogelijkheid – het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
13. Eiser heeft het ter zitting bevestigd dat het beroepschrift door hem is opgemaakt en hij heeft het beroepschrift ter zitting alsnog ondertekend. Hiermee is het verzuim door eiser hersteld.
14. De rechtbank acht het beroep van eiser ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank de zaak inhoudelijk zal beoordelen.
Heeft het UWV terecht de WIA-uitkering van eiser teruggevorderd?
15. Het UWV vordert de WIA-uitkering van eiser terug omdat eiser minder zou hebben gewerkt dan waarvan bij het bevoorschotten werd uitgegaan. Eiser stelt dat de gegevens waarvan het UWV is uitgegaan niet kloppen, omdat zijn ex-werkgever zijn uren en loonstroken niet correct heeft verwerkt. Eiser stelt dat hij meer uren heeft gewerkt en nog loon tegoed heeft van zijn ex-werkgever. Het UWV mag echter in beginsel uitgaan van de gegevens zoals door de werkgever aangeleverd bij de Belastingdienst, en die staan in het systeem ‘Suwinet’. Daarnaast heeft het UWV loonstroken opgevraagd bij eiser. De door eiser overgelegde loonstroken komen overeen met de gegevens zoals bekend in Suwinet. Eiser heeft verder voor enkele weken zijn urenregistratie overgelegd. Hierbij wijkt week 32 af van de overgelegde loonstroken, maar de rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser zelf deze stukken heeft ingevuld en ingediend bij zijn ex-werkgever. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hierop geen accordering van zijn ex-werkgever heeft plaatsgevonden. Hiermee heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de urenopgave van zijn ex-werkgever – over de gehele periode in geding – niet juist is.
Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij alleen in november 2023 minder heeft gewerkt dan 17 uur per week in verband met zijn vakantie. Dit blijkt echter niet uit de stukken. Ook kan eiser niet aantonen dat hij heeft afgesproken met zijn ex-werkgever dat hij 17 uur per week krijgt betaald. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij destijds geen contract heeft gekregen en dat mondeling afspraken zijn gemaakt. Dit moet voor eisers rekening en risico blijven. Dat dit impliceert dat eiser maar € 88,- per vier maanden zou hebben ontvangen aan uitkering, maakt niet dat de beslissing van het UWV onjuist is. Ook dat eiser nog een nabetaling zou moeten ontvangen van zijn ex-werkgever maakt de beslissing niet anders. Als eiser kan aantonen dat hij een nabetaling heeft ontvangen of anderszins kan aantonen dat zijn ex-werkgever nog loon verschuldigd is (lees: civiele procedure), dan kan eiser een verzoek tot herziening indienen bij het UWV. Met hetgeen eiser in deze procedure heeft aangevoerd, heeft het UWV geen aanleiding hoeven zien om van terugvordering af te zien.
16. Tot slot is ter zitting gebleken dat eiser momenteel AOW, een pensioenuitkering en loon uit dienstbetrekking ontvangt. Ook is tussen partijen een terugbetalingsregeling afgesproken die tot op heden correct wordt nagekomen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is, ook ter zitting, dus niet gebleken.
17. Het beroep van eiser slaagt niet. Dat neemt niet weg dat de rechtbank begrijpt dat eiser in een vervelende situatie en bewijsrechtelijk lastige positie verkeert.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn eventuele proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 77 van Pro Wet WIA luidt, voor zover relevant:
1. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.
3. In afwijking van het eerste lid kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.De dag waarop de beroepstermijn zou verstrijken bij verzending op 12 november 2024.