ECLI:NL:RBZWB:2026:5804

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/2995
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 ParticipatiewetArt. 6 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Art. 7 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Art. 8:72 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Individuele inkomenstoeslag afgewezen onterecht wegens onjuiste inkomensberekening

Eiser diende op 21 juni 2024 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg werd afgewezen. Het college berekende het inkomen over de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag en concludeerde dat het inkomen boven de norm lag, mede doordat het de bijtelling voor privégebruik van de leaseauto en betalingen voor motorrijtuigenbelasting als inkomen had aangemerkt.

Eiser voerde aan dat deze kosten intermediaire kosten zijn en niet als inkomen mogen worden beschouwd, en dat de bijtelling onterecht was meegenomen omdat hij de auto niet privé gebruikte. De rechtbank oordeelde dat de motorrijtuigenbelasting door de werkgever werd betaald en dat de door eiser voorgeschoten bedragen als intermediaire kosten moeten worden aangemerkt, waardoor deze niet als inkomen tellen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een dwangsom werd afgewezen wegens het ontbreken van een ingebrekestelling. De rechtbank kon nog niet beslissen over het verzoek om schadevergoeding omdat het college aanvullend onderzoek naar het vermogen van eiser zal doen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onjuiste inkomensberekening door het college.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2995 PW

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet (PW). Eiser is het niet eens met deze afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers aanvraag op onjuiste gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 juni 2024 een aanvraag ingediend voor de individuele inkomenstoeslag. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 19 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college [gemachtigde] .

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt van het college
3. Volgens het college komt eiser niet in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag, omdat zijn inkomen in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag boven de norm lag. Het inkomen wordt gemiddeld per jaar berekend. Over de periode van juni 2023 tot en met mei 2024 heeft het college het inkomen bepaald op € 16.662.71, terwijl de toepasselijke norm € 16.405,96 bedraagt. Bij de berekening van het inkomen heeft het college de bijtelling voor het privégebruik van de auto aangemerkt als inkomen. Daarbij is rekening gehouden met de eigen bijdrage. Ook de betalingen van [werkgever] met de vermelding ‘motorrijtuigenbelasting’ of ‘MRB’ heeft het college aangemerkt als inkomen. Volgens het college zijn dit geen intermediaire kosten en gaat het om bedragen die eiser vrijelijk heeft kunnen aanwenden voor zijn levensonderhoud.
Beroepsgronden
4. Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat het besluit van het college onrechtmatig en ondeugdelijk gemotiveerd is. Ook is het besluit niet binnen de wettelijke termijn tot stand gekomen. Gelet hierop heeft eiser om wettelijke rente verzocht vanaf de eerste dag na 27 januari 2025. Ook is eiser van mening dat het college de maximale dwangsom verschuldigd is. Verder heeft het college nagelaten om de bij de Verordening Individuele Inkomenstoeslag 2016 (Verordening) voorgeschreven formulieren te verstrekken in de jaren waarin de individuele inkomenstoeslag niet is toegekend. Tot slot heeft eiser bij het college om schadevergoeding verzocht op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college is hier niet op ingegaan.
4.1.
Inhoudelijk heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op de individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2024. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat het college is uitgegaan van een referteperiode van 12 maanden in plaats van de voorgeschreven 60 maanden en het netto-inkomen verkeerd heeft berekend. Ten eerste omdat het college de intermediaire kosten van € 1.099,- meegeteld heeft voor het inkomen. De intermediaire kosten (motorrijtuigenbelasting) komen voor rekening van de werkgever en kunnen niet als inkomsten beschouwd worden. Ten tweede is ook de forfaitaire bijtelling voor de leaseauto door het college ten onrechte meegenomen in de berekening van het inkomen. Eiser heeft zijn auto niet privé gebruikt en heeft daartoe ook een verklaring van de Belastingdienst verkregen, zodat er in zijn geheel geen sprake had moeten zijn van een bijtelling. Daarnaast is de bijtelling een bruto forfait dat aan belastingheffing onderhevig is. Het college heeft de bruto bijtelling meegenomen als inkomsten, terwijl alleen het nettobedrag van belang is voor de individuele inkomenstoeslag. Ook heeft eiser aangevoerd dat de leaseauto gezien moet worden als loon in natura. Loon in natura kan uitsluitend in aanmerking genomen worden tot de waarde van het daarvoor opgeofferde bedrag. Gelet hierop mocht het college niet de volledige bruto bijtelling optellen bij het netto-inkomen.
Niet tijdig beslissen en dwangsom
5. Het college heeft ter zitting erkend dat het niet tijdig op het bezwaar van eiser heeft beslist. Om aanspraak te kunnen maken op een dwangsom, had eiser het college echter in gebreke moeten stellen. [1] De rechtbank stelt vast dat de brieven van eiser aan het college geen ingebrekestelling bevatten. Nu die ingebrekestelling ontbreekt, kan de rechtbank geen gevolgen verbinden aan het te laat beslissen. Het verzoek om een dwangsom vast te stellen wordt afgewezen.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
7. De omvang van dit geding wordt bepaald door de aanvraag van 21 juni 2024 en de besluiten die daarop genomen zijn. Wat eiser heeft aangevoerd over zijn recht op de individuele inkomenstoeslag voor de jaren 2018, 2019, 2020 en 2023 en zijn verzoek om schadevergoeding voor deze jaren, vallen buiten de reikwijdte van het bestreden besluit waarop dit beroep betrekking heeft. De rechtbank beperkt zich daarom bij de beoordeling van dit beroep tot de op 21 juni 2024 aangevraagde individuele inkomenstoeslag.
7.1.
Ten aanzien van eisers stelling dat het college voor de overige jaren heeft nagelaten om de voorgeschreven formulieren te verstrekken, overweegt de rechtbank dat dit ook buiten de omvang van het geding valt. De rechtbank zal dit daarom niet verder beoordelen.
7.2.
Inhoudelijk zijn partijen met name verdeeld over de vraag of een juiste referteperiode is toegepast en of de betalingen van de werkgever voor de motorrijtuigenbelasting en de (bruto) bijtelling meegenomen mogen worden bij de berekening van het netto-inkomen van eiser.
Referteperiode
8. De rechtbank is van oordeel dat de Verordening voldoende duidelijkheid biedt over de referteperiode. Gedurende de periode van 60 maanden voorafgaand aan de aanvraag, mag het inkomen gemiddeld per jaar niet hoger zijn dan 110% van de voor de belanghebbende geldende norm. Anders dan eiser meent, gaat het niet om het gemiddelde per 60 maanden, maar om het gemiddelde per jaar. Het college heeft ter zitting toegelicht dat eerst gekeken wordt naar de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag om te zien of het inkomen boven 110% van de norm ligt. Indien in die periode reeds een overschrijding wordt geconstateerd, worden de overige jaren niet meer beoordeeld. De rechtbank kan het college volgen dat er bij een geconstateerde overschrijding in de laatste 12 maanden, geen reden meer is om de overige referteperiode te bekijken, nu dit immers niet tot een toekenning van de individuele inkomenstoeslag kan leiden.
Intermediaire kosten (motorrijtuigenbelasting)
9. Eiser heeft aangevoerd dat de door hem voorgeschoten motorrijtuigenbelasting als intermediaire kosten aangemerkt moet worden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingen van [werkgever] kunnen worden aangemerkt als inkomsten waarover eiser vrijelijk heeft kunnen beschikken.
9.1.
Intermediaire kosten zijn kosten die de werknemer voor de werkgever heeft gemaakt. Bijvoorbeeld als de werknemer een zakelijke lunch betaalt of parkeerkosten voorschiet. De vergoeding van intermediaire kosten wordt niet gezien als inkomen. Over een vergoeding van intermediaire kosten is dan ook geen belasting verschuldigd en deze vergoeding gaat ook niet ten koste van de vrije ruimte onder de werkkostenregeling.
9.2.
Om te bepalen of er sprake is van intermediaire kosten, is van belang wie de motorrijtuigenbelasting verschuldigd is. Ingevolge artikel 6 en Pro 7 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers werkgever ( [werkgever] ) de kentekenhouder van de auto is. Gelet hierop is de werkgever de motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Het gegeven dat eiser de door de werkgever verschuldigde motorrijtuigenbelasting in de praktijk zelf afdraagt en dit terugkrijgt van de werkgever, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van intermediaire kosten die dus niet aangemerkt kunnen worden als inkomsten. Dat eiser volgens het college vrijelijk kan beschikken over de door de werkgever terugbetaalde bedragen, maakt dit niet anders, want dat geldt ook voor de vergoeding van eventuele andere intermediaire kosten. Het gaat immers om een (terug)betaling van door eiser (als werknemer) voorgeschoten bedragen, waarbij duidelijk is dat het om motorrijtuigenbelasting gaat die de werkgever als kentekenhouder verschuldigd is.
9.3.
De vergoedingen van de werkgever die zien op de motorrijtuigenbelasting bedragen in de beoordeelde periode van 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag € 1.099,-. Gelet op de beperkte overschrijding van de norm in die periode komt eisers inkomen zonder die vergoedingen onder 110% van de voor hem geldende norm. In beginsel zou eiser dan recht kunnen hebben op de individuele inkomenstoeslag, tenzij sprake is van een te hoog inkomen in het resterende deel van de referteperiode of in aanmerking te nemen vermogen. Het college heeft in dat kader aangekondigd aanvullend onderzoek te zullen doen naar eisers vermogen.
9.4.
Nu eisers beroepsgrond ten aanzien van de intermediaire kosten slaagt en zijn inkomen hiermee in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag al onder 110% van de voor hem geldende norm uitkomt, behoeft de berekening van de (bruto) bijtelling als inkomsten geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat de vergoedingen voor de motorrijtuigenbelasting door het college ten onrechte als inkomsten zijn aangemerkt en eisers inkomsten dus lager waren dan 110% van de voor hem geldende norm. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf een beslissing over de individuele inkomenstoeslag te nemen. Dit omdat het college heeft aangekondigd nog onderzoek te zullen doen naar eisers vermogen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar verwachting geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.
10.1.
De rechtbank bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
10.2.
Gelet op het aangekondigde onderzoek door het college is nu nog niet duidelijk of de individuele inkomenstoeslag zal worden toegekend aan eiser. Daarom kan de rechtbank nu niet beslissen op eisers verzoek om schadevergoeding. Het college dient in het nieuwe besluit ook in te gaan op het verzoek om schadevergoeding en de eventuele wettelijke rente.
10.3.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 15 april 2025;
  • draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • wijst het verzoek om een dwangsom vast te stellen af;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzitter, en mr. R.J.H. van der Linden en mr. M. Snoeks, leden, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
b. het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36;
Artikel 36
Op aanvraag van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
Tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:
de krachten en bekwaamheden van de persoon; en
de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.
3. Indien aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag, een individuele inkomenstoeslag is verleend, wordt de aanvraag afgewezen.
4. De artikelen 43, 49 en 52 zijn niet van toepassing.
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
Artikel 6
De belasting wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt.
Artikel 7, eerste lid
Een motorrijtuig wordt gehouden door degene:
a. op wiens naam het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister;
b. die het motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven, feitelijk ter beschikking heeft;
c. die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft.
Verordening Individuele Inkomenstoeslag 2016
Artikel 1 Begripsbepalingen Pro
In deze verordening wordt verstaan onder:
Wet: Participatiewet;
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg;
Raad: de gemeenteraad van de gemeente Tilburg;
Peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;
Referteperiode: periode van vijf jaar (60 maanden) voorafgaand aan de peildatum;
Individuele inkomenstoeslag: toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van Pro de wet;
Vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van Pro de wet;
WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
WSF 2000: Wet Studiefinanciering;
Voor de individuele inkomenstoeslag gaan we uit van de volgende normen:
norm gehuwden: de norm zoals genoemd in artikel 21 sub b Participatiewet Pro;
norm alleenstaande ouder: 90% van de norm gehuwden;
norm alleenstaande: 70% van de norm gehuwden.
Artikel 2, eerste lid
Onverlet het bepaalde in artikel 36 van Pro de wet komt in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag de belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan de AOW gerechtigde leeftijd, die gedurende de referteperiode aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende norm, zoals opgenomen in artikel 1 sub i van Pro deze Verordening, gemiddeld per jaar en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft.

Voetnoten

1.Artikel 4:17 van Pro de Awb.