ECLI:NL:RBZWB:2026:5843

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3348
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen evenementenvergunning Tilburg

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen een evenementenvergunning voor een muziekfestival in Tilburg. De burgemeester had de vergunning op 16 juni 2026 verleend, waarna verzoeker bezwaar maakte en tevens vroeg om het evenement te laten afgelasten of aan te passen.

Het verzoek om voorlopige voorziening werd ingediend nadat het evenement al was begonnen, waardoor de voorzieningenrechter uitsluitend een belangenafweging kon maken. Verzoeker stelde dat het hoge geluidsvolume zijn nachtrust ernstig verstoorde, ondanks gesloten ramen, en verwees naar tentamentijd en hoge temperaturen als extra omstandigheden die het belang van rust versterkten.

De vergunning stond het evenement toe tot middernacht op 26 en 27 juni 2026, waarna de geluidsoverlast aanzienlijk zou afnemen. De voorzieningenrechter wees erop dat de vergunning geluidsnormen bevat en dat handhaving bij overtreding aan de burgemeester toekomt. Het algemene belang van het doorgaan van het evenement onder de vastgestelde voorwaarden werd zwaarder gewogen dan het individuele belang van verzoeker.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend, en verzoeker werd geacht het griffierecht te voldoen. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep of verzet toe.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de evenementenvergunning is afgewezen wegens onvoldoende aantoonbare onevenredige nachtrustverstoring.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3348

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de burgemeester van de gemeente Tilburg.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[b.v.]te Schijndel.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker met betrekking tot een evenementenvergunning voor [b.v.] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
De burgemeester van de gemeente Tilburg heeft op 16 juni 2026 een beslissing genomen op de aanvraag van een evenementenvergunning. De burgemeester heeft besloten de vergunning te verlenen. Dit besluit is bekendgemaakt in het gemeenteblad van 17 juni 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat het evenement wordt afgelast of aangepast.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Omdat het verzoek is ingediend op een moment dat het evenement al is aangevangen, wordt deze vraag uitsluitend beantwoord aan de hand van een belangenafweging.
2.1
Bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft verzoeker zijn bezwaarschrift gevoegd. Daaruit blijkt dat hij van mening is dat een hoog-volume-muziekfestival de rechten van bewoners op nachtrust schendt. Hij heeft aangegeven dat hij niet kan slapen van het geluid terwijl hij de ramen gesloten houdt. Verder heeft hij nog opgemerkt dat het tentamentijd is, het overdag 36 graden is en mensen er recht op hebben te kunnen slapen, ook vóór 23.00 of 24.00 uur. Uit dit bezwaarschrift maakt de voorzieningenrechter op dat het belang van verzoeker gelegen is in een goede nachtrust.
2.2
Uit de evenementenvergunning blijkt dat het evenement aanstaande vrijdag, 26 juni 2026, verdergaat en tot 24.00 uur duurt. De dag erna, zaterdag 27 juni 2026, is de laatste dag van het evenement en duurt het ook tot 24.00 uur. De geluidsoverlast die verzoeker ervaart, zal na dit tijdstip niet of veel minder aanwezig zijn. Vanaf 24.00 uur zal dan de nachtrust van verzoeker niet of in ieder geval beduidend minder worden belemmerd. Daarnaast merkt de voorzieningenrechter op dat aan de evenementenvergunning
verschillende voorschriften zijn verbonden waarin onder andere geluidsnormen zijn opgenomen. Wanneer niet wordt gehandeld in overeenstemming met die voorschriften, is het aan de burgemeester om daar handhavend tegen op te treden. In het geval dat de burgemeester niet bereikt kan worden, kan verzoeker zich wenden tot de politie.
2.3
Tegenover het belang van verzoeker staat het algemeen belang dat erbij is gediend dat het evenement onder de in de vergunning gegeven voorwaarden, doorgang kan vinden. De organisator, horecaondernemingen, bezoekers en andere betrokkenen hebben er belang bij dat het evenement doorgaat en dat de eindtijd of geluidsnormen niet meer worden aangepast terwijl het evenement al gestart is, omdat daar niet meer goed op geanticipeerd kan worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat zijn nachtrust dusdanig onevenredig wordt verstoord als gevolg van het evenement, dat het evenement daarom beëindigd moet worden. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zwaarder gewicht worden toegekend aan het belang dat is gediend met het doorgaan van het evenement, dan aan het belang van verzoeker.
2.4
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De voorzieningenrechter gaat er wel van uit dat verzoeker het griffierecht dat hij verplicht is te voldoen voor dit verzoek om voorlopige voorziening nog zal voldoen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 25 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.