Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[eiser 1] ,
(die zich op 7 april 2026 heeft onttrokken als advocaat)2.
[bewindvoerder] h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor] V.O.F.,
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
(€ 2.182,95 :3 =) € 727,65 per persoon, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, bedragen;
primair: [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te veroordelen het restant van het aan [eiser 1] toekomende erfdeel in de nalatenschap van erflater van € 13.394,70, althans € 44,70 toekomt, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, aan [eiser 1] te betalen ( [bankrekeningnummer 1] ten name van [personen] ), binnen twee weken na de datum van het vonnis, althans te betalen binnen een termijn als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de vordering met ingang van 19 april 2024 (de datum waarop de vordering opeisbaar is geworden) tot de datum van algehele voldoening, althans met ingang van een datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
4.De beoordeling
4:198 BW oefenen de erfgenamen [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun bevoegdheden als vereffenaars gezamenlijk uit. De rechtbank gaat ervan uit dat sprake is van de zogenaamde lichte vereffening, waarbij [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verplicht zijn een boedelbeschrijving op te maken (artikel 4:211 lid 3 BW Pro), contact dienen op te nemen met de bekende schuldeisers van de nalatenschap (artikel 4:214 lid 2 BW Pro), vorderingen van de nalatenschap te innen en de (opeisbare) schulden van de nalatenschap dienen te voldoen. De wettelijke vereffening vindt primair plaats in het belang van de schuldeisers van de nalatenschap. [1] Dat betekent dat [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de belangen van schuldeisers moeten behartigen. De rechtbank merkt in dit verband op dat [eiser 1] - naast vereffenaar en erfgenaam - als legitimaris nu ook schuldeiser van de nalatenschap is. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat [eiser 1] in de verschillende hoedanigheden tegengestelde belangen heeft, waardoor haar primaire taak als vereffenaar mogelijk in het gedrang kan komen.
mede[eiser 1] (vertegenwoordigd door haar bewindvoerder) taak én kwam haar daartoe bevoegdheid toe om
zelfbescheiden van degenen die deze ter beschikking hebben of onder hun berusting hebben op te vragen. Het ligt (mede) op de weg van de bewindvoerder van [eiser 1] om in ieder geval zelf bij - bijvoorbeeld - de bank, de Belastingdienst, de verhuurder van de woning waarin erflater verbleef, verzekeraars stukken op te vragen en registers te raadplegen. Gesteld noch gebleken is dat de bewindvoerder van [eiser 1] dat heeft gedaan. Daar komt bij dat het geuite vermoeden dat [gedaagde 1] een deel van de stukken waar de bewindvoerder om verzoekt onder zich zou hebben door [gedaagde 1] is weersproken, zodat dit niet als vaststaand kan worden aangenomen. [gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij wat administratie van erflater onder zich heeft maar dat dit minimaal is en dat hij bereid is om [eiser 1] hierin inzage te verlenen. Daarnaast heeft [gedaagde 2] bij akte uitlating als prod. 18 een aanslag Inkomstenbelasting 2024 overgelegd waaruit blijkt dat de erfgenamen nog een bedrag van € 230,-- zullen ontvangen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bewindvoerder geen recht en belang jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft ten aanzien van het gevorderde sub I, zodat deze vordering wordt afgewezen.
8 september 2024 bedroeg het saldo € 678,31. Het saldo op bankrekening
[bankrekeningnummer 3] bedroeg op de overlijdensdatum € 37,99 en per 8 september 2024 stond een bedrag van € 4,64 op deze rekening. Beide bedragen van € 678,31 en € 4,64 zijn op verzoek van [eiser 1] aan haar uitgekeerd waarna beide rekeningen zijn gesloten. Voor de vaststelling van de erfdelen van [gedaagde 1] , [eiser 1] en [gedaagde 2] wordt uitgegaan van een totaalbedrag van € 682,95.
€ 5.000,-- bij [persoon] vorderen. Dit bedrag telt mee als actief van de nalatenschap van erflater.
€ 2.304,31. Omdat [eiser 1] het saldo van voormelde bankrekeningen ad € 682,95 uitbetaald heeft gekregen zal hiermee bij de verdeling rekening moeten worden gehouden. Vordering sub II wordt toegewezen in de zin dat voor recht wordt verklaard dat het erfdelen van [gedaagde 1] , [eiser 1] en [gedaagde 2] in de nalatenschap van erflater € 2.304,31 per persoon bedragen.
a, b, c en f BW.
De legitieme portie bedraagt op grond van artikel 4:64 BW Pro de helft van de waarde waarover de legitieme porties wordt berekend gedeeld door het aantal afstammelingen. In dit geval is het breukdeel daarvan 1/6e. [eiser 1] kan dus aanspraak maken op 1/6e (1/2 x 1/3) van de legitimaire massa (artikel 4:64 lid 1 BW Pro).
€ 40.050,00 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet komen vast te staan. De rechtbank neemt dit bedrag dan ook niet mee bij de berekening van de legitimaire massa.
€ 2.776,00als een aan [gedaagde 3] gedane gift meegeteld worden.
€ 1.000,--wordt meegenomen bij de berekening van de legitimaire massa.
€ 500,--aan giften ontvangen en haar erfdeel is bovendien
€ 2.304,31. De totaalsom van deze bedragen overstijgt de legitieme portie van [eiser 1] van
€ 1.781,49zodat [eiser 1] geen vordering uit hoofde van haar legitimaire aanspraak heeft. Om die reden worden vordering sub III en het subsidiair gevorderde sub IV afgewezen.