ECLI:NL:RBZWB:2026:5846
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen afwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling wegens hoog herhalingsgevaar ongegrond verklaard
Veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Hij kwam per 19 juni 2026 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) met een proeftijd van 480 dagen en een strafrestant van 480 dagen. De directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering adviseerden respectievelijk uitstel en afstel van de v.i. Het Openbaar Ministerie besloot op 7 mei 2026 om veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
Veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat hij wel kan verblijven bij zijn partner ondanks het ontbreken van een inschrijfadres en dat zijn vaderschap hem positief heeft veranderd. De rechtbank behandelde het bezwaar op 17 juni 2026 in raadkamer, waarbij ook de raadsman en officier van justitie werden gehoord.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De afwijzing berustte niet alleen op het ontbreken van een inschrijfadres, maar vooral op het hoge herhalingsgevaar vanwege het verleden van veroordeelde, zijn weigering tot diagnostiek en het ontbreken van gedragsinterventies. Veroordeelde heeft meerdere keren bijzondere voorwaarden overtreden en zelfs tijdens schorsing een nieuw strafbaar feit gepleegd.
De rechtbank betwijfelt dat het vaderschap op zichzelf zal leiden tot structurele gedragsverandering zonder behandeling. Daarom is er geen basis om de v.i. slechts tijdelijk uit te stellen. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard, met de kanttekening dat een andere situatie kan ontstaan indien veroordeelde alsnog meewerkt aan diagnostiek en behandeling, wat in het belang is van hemzelf, zijn gezin en de samenleving.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard vanwege het hoge herhalingsgevaar en het ontbreken van gedragsinterventies.