ECLI:NL:RBZWB:2026:5871

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/5741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.26 OmgevingsplanArt. 8.0a BklArt. 22.29 OmgevingsplanArt. 5.2 Wijzigingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor bouw loods in agrarisch gebied met landschaps- en archeologische waarden

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Breda verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods aan een adres in Breda. Zij stellen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met landschappelijke, ecologische en provinciale belangen en dat de belangenafweging eenzijdig is geweest.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag is ingediend na inwerkingtreding van de Omgevingswet en dat het bouwplan binnen de functies “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” en “Waarde-Archeologie” van het Omgevingsplan moet passen. De ruimtelijke gevolgen van het bouwplan zijn reeds afgewogen bij het vaststellen van het Wijzigingsplan, zodat de rechtbank geen ruimte ziet voor een nieuwe belangenafweging.

Verder is vastgesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de voorwaarden voor de functie “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” en dat de afwijking ten aanzien van de functie “Waarde-Archeologie” is toegestaan omdat er geen archeologische waarden aanwezig zijn op de bouwlocatie.

De rechtbank concludeert dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

1. [eiser 1]uit [plaats] ,
2. [eiser 2] ,uit [plaats] ,
3. [eiser 3]uit [plaats] ,
tezamen eisers
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college

(gemachtigde: mr. S.A.L. Verhoeven).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: De Rith B.V. uit Breda (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. R. Verkoijen).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods aan het [adres] te Breda. Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning en hebben beroep ingesteld.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers met [persoon 1] en [persoon 2] , de gemachtigde van het college met [vertegenwoordiger college] en de gemachtigde van vergunninghoudster met [persoon 3] en [persoon 4] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Vergunninghoudster heeft een agrarisch bedrijf aan het [adres] te Breda. Zij wil de bedrijfsbebouwing aan de achterzijde van dit perceel uitbreiden. Op 1 februari 2024 heeft de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) op verzoek van het college hierover advies uitgebracht. Dit advies komt er – samengevat – op neer dat de AAB meent dat de gevraagde uitbreiding van de bedrijfsbebouwing noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering en ontwikkeling van het bedrijf.
2.1.
Op 21 januari 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend die ziet op het bouwen van een loods.
2.2.
Bij besluit van 18 maart 2025 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods aan het [adres] te Breda, bestaande uit een bouwactiviteit (omgevingsplan) en een bouwactiviteit (technisch).
2.3.
Eisers hebben bezwaar gemaakt.
2.4.
Bij bestreden besluit van 25 september 2025 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Toetsingskader
3. Het bestreden besluit is tot stand gekomen op basis van de Omgevinsgwet (Ow). Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. De aanvraag is ingediend op 21 januari 2025. Dit betekent dat de Ow van toepassing is.
3.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. De bouwlocatie ligt in het gebied waar het Omgevingsplan gemeente Breda (hierna: Omgevingsplan) van toepassing is. Op grond van artikel 22.26 van het Omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten.
3.2.
De bouwlocatie ligt in het gebied waarop de voormalige bestemmingsplannen
“ [bestemmingsplan 1] ” , “ [bestemmingsplan 1] , wijzigingsplan [adres] ” (hierna: Wijzigingsplan) en “ [bestemmingsplan 2] ” van toepassing zijn. Deze plannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan.
Aan de bouwlocatie zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de functies “Agrarisch met waarden - Landschapswaarden” en “Waarde- Archeologie” toegekend.
3.3.
Voor zover relevant voor deze zaak, volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in samenhang met artikel 22.29, eerste lid, van het Omgevingsplan dat de omgevingsvergunning voor het verrichten van een bouwactiviteit alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen.
Wat is de omvang van het geding?
4. De rechtbank stelt vast dat de gronden die eisers hebben aangevoerd enkel zien op bouwactiviteit (omgevingsplan). Tegen de bouwactiviteit (technisch) zijn geen gronden aangevoerd en dat deel van de omgevingsvergunning valt dan ook buiten deze beoordeling van de rechtbank. Voor wat betreft de bouwactiviteit (omgevingsplan) dient de rechtbank te beoordelen of de aanvraag past binnen de functies “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” en “Waarde-Archeologie” die op grond van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan aan de locatie zijn toegekend.
Wat hebben eisers aangevoerd?
5. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. In dat verband hebben zij – samengevat – aangevoerd dat de door het college uitgevoerde belangenafweging eenzijdig is geweest. Het college heeft enkel gekeken naar het economisch belang van eiseres. De activiteiten van vergunninghoudster verhouden zich niet tot de aard van het landschap – coulisselandschap – en de aanwezige ecologie. Er is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers, provinciale belangen en andere ter plaatse geldende belangen zoals behoud en versterking van het landschap, natuur- en milieubelangen. Het college had moeten afwegen waarom een zo groot bedrijf op deze locatie passend zou zijn.
Bouwactiviteit (omgevingsplan): functie “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden”
6. De rechtbank stelt vast dat op in artikel 3.2 van het Wijzigingsplan de voorwaarden voor het bouwen van bouwwerken op de gronden met de functie “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” zijn opgenomen. Eisers hebben geen gronden aangevoerd die zien op strijdigheid van het bouwplan met deze voorwaarden.
6.1.
De gronden die eisers hebben aangevoerd zien op de ruimtelijke gevolgen van het bouwplan en het ontbreken van een door het college uitgevoerde belangenafweging. Deze gronden kunnen niet slagen omdat de ruimtelijke gevolgen van het bouwplan bij het vaststellen van het Wijzigingsplan al zijn afgewogen. Bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning die past binnen het Omgevingsplan is er geen ruimte om die belangenafweging nog eens over te doen.
6.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het college dat het bouwplan binnen de functie “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” past.
Bouwactiviteit (omgevingsplan): functie “Waarde-Archeologie”
7. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet rechtstreeks past binnen de functie “Waarde-Archeologie”. Deze functie heeft – naast de op de locatie geldende basisbestemming – tot doel de archeologische waarden ter plaatse te beschermen en veilig te stellen. Het bouwplan ziet op het oprichten van een gebouw met een oppervlakte van meer dan 100 m². Dit is in strijd met artikel 5.2 van het Wijzigingsplan dat het oprichten van gebouwen tot een oppervlakte van maximaal 100 m² toestaat. Omdat uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse van waar gebouwd gaat worden geen archeologische waarden als zodanig aanwezig zijn, heeft het college met toepassing van artikel 5.3 van het Wijzigingsplan – binnenplanse afwijkingsmogelijkheid – de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
7.1.
Eisers hebben geen gronden aangevoerd die zien op de strijdigheid van het bouwplan met de functie “Waarde-Archeologie”. Ook de belangen die volgens eisers meegewogen hadden moeten worden zien niet op de bescherming en/of het veiligstellen van archeologische waarden. De rechtbank ziet daarom ook hier geen aanleiding om te twijfelen aan de verlening van de omgevingsvergunning.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen en het bestreden besluit in stand kan blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 2 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.