ECLI:NL:RBZWB:2026:5894

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
230726925
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 285b SrArt. 261 SvArt. 67a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging en bedreiging van universiteitsdirecteur en docenten

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor belaging en bedreiging van de directeur en meerdere docenten van een universiteit in de periode van juni 2024 tot november 2025. Verdachte stuurde gedurende deze periode talloze zorgwekkende en intimiderende e-mails, ondanks gesprekken en een schorsing door de universiteit. De rechtbank oordeelde dat het gedrag van verdachte een ernstige inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer en de bedrijfsvoering van de universiteit.

Daarnaast werden bedreigende uitlatingen met een misdrijf tegen het leven gericht bewezen verklaard, waaronder expliciete teksten die angst en vrees aanjoegen. Verdachte bekende deze uitlatingen. De verdediging voerde aan dat het om toewensingen ging zonder intentie om daadwerkelijk te bedreigen, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

Psychologisch onderzoek toonde aan dat verdachte leed aan een schizo-affectieve stoornis en andere neurologische aandoeningen, wat leidde tot een verminderd toerekeningsvatbaarheid. De reclassering adviseerde een klinische opname en ambulante behandeling. Gezien de ernst van de feiten en de psychische problematiek legde de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden op, met aftrek van het reeds doorgebrachte voorarrest van 200 dagen, waardoor de straf feitelijk is uitgezeten.

De rechtbank verwierp het verzoek van de verdediging om een voorwaardelijke straf op te leggen vanwege de opheffing van de voorlopige hechtenis. De dagvaarding werd als geldig beoordeeld en verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf met aftrek van 200 dagen voorarrest voor belaging en bedreiging van de universiteitsdirecteur en docenten.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-307269-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
verblijvende, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting, te [adres 2] ,
raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda .

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: in de periode van 25 juni 2024 tot en met 14 november 2025 in [plaats] de directeur en/of docenten van [universiteit] heeft belaagd;
Feit 2: in de periode van 21 augustus 2025 tot en met 12 november 2025 in [plaats] diezelfde directeur en/of docenten heeft bedreigd.

3.De voorvragen

Geldigheid dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

3.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de dagvaarding voor wat betreft het onder feit 1 tenlastegelegde
nietig te verklaren. De tenlastelegging is onvoldoende feitelijk, doordat niet omschreven
staat op welke e-mailberichten het verwijt betrekking heeft.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie voert aan dat in de tenlastelegging 'e-mailberichten' staat en de specifieke e-mailberichten niet zijn opgenomen. Door [universiteit] (hierna: [universiteit] ) zijn meerdere gesprekken gevoerd met verdachte over de belaging per e-mail, gelet waarop voor verdachte voldoende duidelijk is waar hij zich tegen dient te verdedigen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank dient te beoordelen of de onder 1 ten laste gelegde belaging voldoet aan de eisen die in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering aan de dagvaarding worden gesteld. De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging een zodanige opgave van het feit dient te zijn, dat in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende duidelijk is waartegen verdachte zich moet verdedigen.
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Uit het dossier blijkt immers naast de daarin aanwezige e-mails in de tenlastegelegde periode dat er contact is geweest met verdachte over de berichten die door hem naar het personeel van [universiteit] zijn verstuurd, zoals in de brieven van 8 augustus 2025 en 1 oktober 2025. Ook uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat er geen onduidelijkheid bestond over het verwijt dat verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Het beroep op de nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1 wordt daarom verworpen.
De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte, de berichten in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde bedreigingen stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte woorden van dusdanig bedreigende aard heeft gebruikt, dat van een strafrechtelijke bedreiging kan worden gesproken.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat verdachte inderdaad een bekennende verklaring heeft afgelegd. De emailberichten die hij heeft gestuurd zijn ongepast en verdachte schaamt zich hiervoor. Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging stelt de verdediging dat dit toewensingen zijn geweest en geen bedreigingen. Het was niet de intentie van verdachte om de directeur en de docenten van [universiteit] schrik aan te jagen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1:
Verdachte heeft in de periode van 25 juni 2024 tot en met 14 november 2025 zorgwekkende emailberichten gestuurd naar [universiteit] . Naar aanleiding hiervan heeft [universiteit] meerdere gesprekken met verdachte gevoerd met het doel om zijn gedrag te laten stoppen, echter zonder het gewenste resultaat. Dit heeft ertoe geleid dat verdachte is geschorst op 3 september 2025. Met verdachte is toen afgesproken dat hij gedurende de schorsing alleen contact mag hebben met de directeur van [universiteit] over zijn schorsing en plan van aanpak.
Vanaf dat moment heeft verdachte zijn emailberichten gericht aan de directeur van [universiteit] zoals afgesproken. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat tussen 6 oktober 2025 tot en met 14 november 2025 de mailfrequentie omhoog is gegaan naar tientallen en soms wel meer dan honderd e-mailberichten per dag.
De inhoud van deze berichten was niet gericht op (een terugkeer naar) school, maar grotendeels verontrustend van aard. Ook een stopgesprek door de politie op 13 november 2025 heeft verdachte niet weten te weerhouden van het sturen van dergelijke emailberichten. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte in de periode van 6 oktober 2025 tot en met 14 november 2025 zodanig zijn geweest dat van een wederrechtelijke stelselmatige inbreuk op de (rechts)persoonlijke levenssfeer van (medewerkers van) [universiteit] sprake is geweest.
Feit 2:
Verdachte heeft in de periode van 21 augustus 2025 tot en met 12 november 2025 via e-mails uitlatingen gedaan richting de directeur en meerdere docenten van [universiteit] , waaronder "all I want now is to see everyone related to this burn alive" en "Those cyber creeps should be stoned to death". Deze uitlatingen bevatten een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, gelet waarop feit 2 ten aanzien van deze uitlatingen bewezen zal worden verklaard. Verdachte heeft ook bekend deze uitlatingen te hebben gedaan. De overige in de tenlastelegging opgenomen uitlatingen (gedachtestreepje 2, 3, 4, 5, 7 en 8) zijn naar het oordeel van de rechtbank weliswaar nare en schokkende uitlatingen, maar met deze uitlatingen op zichzelf beschouwd wordt niet met een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling gedreigd. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken van deze uitlatingen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode 6 oktober 2025 tot en met 14 november 2025 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van de directeur van [universiteit] door e-mailberichten te versturen met het oogmerk voornoemde persoon te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;
2
in de periode 21 augustus 2025 tot en met 12 november 2025 te [plaats] ,
de directeur van en meerdere docenten van [universiteit] heeft bedreigd met
enig misdrijf tegen het leven gericht
door voornoemde personen via e-mailberichten de woorden toe te voegen:
- “All I want now is to see everyone related to this burn alive”,
- “Those cyber creeps should be stoned to death :))))”,
in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 347 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en een proeftijd van 2 jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie is hierbij uitgegaan van 167 dagen voorarrest en het advies om verdachte sterk verminderd toerekenbaar te beschouwen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat de voorlopige hechtenis bij beslissing van 2 juni 2026 is opgeheven, omdat de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv zich voordoet. Dit maakt dat het niet haalbaar is om nog een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De verdediging verzoekt primair een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest. Indien de rechtbank van oordeel is dat ondanks artikel 67a, derde lid, Sv nog een voorwaardelijke straf dient te volgen, dan verzoekt de verdediging aan verdachte een voorwaardelijke geldboete op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van de directeur van [universiteit] . Op enig moment stuurde hij bijna dagelijks e-mails, met een frequentie van tientallen, soms zelfs wel 100, e-mails per dag. Deze e-mailberichten bevatten nare en zorgwekkende uitlatingen. Daarnaast heeft verdachte de directeur en meerdere docenten van [universiteit] bedreigd. Verdachte heeft met zijn voortdurende intimiderende gedrag niet alleen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de directeur van [universiteit] en de daar werkzame docenten, maar ook op de bedrijfsvoering van [universiteit] .
[universiteit] heeft maatregelen moeten treffen, waaronder een schorsing van verdachte van school, om verdachte te laten stoppen met zijn gedrag, maar ook om de medewerkers van [universiteit] tegen het intimiderende gedrag van verdachte te beschermen. De medewerkers van [universiteit] hebben zich een periode lang onveilig gevoeld, onzeker of verdachte verder zou gaan dan alleen de belaging en bedreiging.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Nederlandse strafblad van verdachte van 5 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Tevens is het Litouwse strafblad van verdachte van 28 januari 2026 geraadpleegd, waaruit blijkt dat verdachte niet is veroordeeld voor vergelijkbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapportage van psycholoog dr. [psycholoog] van 19 mei 2026 en haar toelichting hierop ter zitting. De psycholoog heeft gerapporteerd dat er bij verdachte sprake is van een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type, een andere gespecificeerde neurologische ontwikkelingsstoornis en een lichte stoornis in het gebruik van cannabis. Van deze stoornissen was bij verdachte ook sprake ten tijde van het plegen van de feiten. Vanuit deze psychische problematiek wordt verdachte ingeperkt in zijn mogelijkheden om zijn eigen gedragskeuzes te maken en zijn gedrag in een niet-delict gerelateerde richting te sturen en daarnaast wordt het vermogen andermans intenties en gedrag adequaat te beoordelen ook ingeperkt.
Het voorgaande leidt ertoe dat de psycholoog heeft geadviseerd om de feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Uit het rapport van de psycholoog leidt de rechtbank verder af dat zij op grond van de bij verdachte aanwezige psychische problematiek het recidiverisico als matig inschat. De psycholoog adviseert forensische klinische opname en vervolgens forensisch ambulante behandeling van de "schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type" en terugvalpreventie inzake de lichte stoornis in het gebruik van cannabis in te zetten.
Ter zitting heeft de psycholoog hier nog aan toegevoegd dat de combinatie van stoornissen bij verdachte maakt dat hij bij stressfactoren waanbeelden krijgt. Verdachte legt dan verbanden die in werkelijkheid niet kloppen en tijdens een psychische ontregeling heeft verdachte zijn impulsen niet meer goed onder controle. Door het gebruik van (soft) drugs wordt verdachte mogelijk nog achterdochtiger.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 3 juni 2026. Hieruit leidt de rechtbank af dat de reclassering het middelengebruik en het psychosociaal functioneren als risicofactoren ziet. Het recidive risico wordt door de reclassering als gemiddeld ingeschat. De reclassering is van mening dat interventies noodzakelijk zijn om bij verdachte te komen tot een gedragsverandering. De reclassering sluit aan bij het advies van de psycholoog en adviseert om verdachte een (langdurige) klinische opname op te leggen. Hiervoor is inmiddels een indicatie aangevraagd bij het IFZ. Een ambulante behandeling na de opname is geïndiceerd om als nazorg te dienen. De reclassering adviseert bij een veroordeling om de volgende bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen: een meldplicht, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verbod verdovende middelen, contactverbod, locatieverbod en begeleiding door een coach. Daarnaast adviseert de reclassering om de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De rechtbank sluit zich voor wat betreft de toerekenbaarheid van de feiten aan bij het advies van de psycholoog, nu de psycholoog naar het oordeel van de rechtbank uitgebreid heeft gemotiveerd hoe zij tot dat advies is gekomen. De rechtbank zal daarom de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Op 2 juni 2026 is besloten tot opheffing van de voorlopige hechtenis vanwege artikel 67a, derde lid, Sv. Verdachte heeft volgens de rechtbank 200 dagen in voorarrest doorgebracht. Dit betekent dat verdachte langer in voorarrest heeft gezeten dan de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die hem nu uiteindelijk wordt opgelegd. Anders dan geadviseerd ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen ruimte om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf nog een voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Voorvragen
- verklaart de dagvaarding geldig;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:belaging;
feit 2:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermaals gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 4 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter,
en mr. R. de Jong en C.M.B. Gijselman, rechters,
in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode 25 juni 2024 tot en met 14 november 2025 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van de directeur van en/of een of meer docent(en) van [universiteit] door e-mailberichten te versturen met het oogmerk voornoemde personen te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij in of omstreeks de periode 21 augustus 2025 tot en met 12 november 2025 te [plaats] ,
de directeur van en/of een of meer docenten van [universiteit] heeft bedreigd met
- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van een of meer personen en/of goederen en/of gemeen gevaar voor de verlening van een of meer diensten ontstond,
- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of
- zware mishandeling
door voornoemde personen via e-mailberichten en/of in een teamschat de woorden toe te voegen:
- “All I want now is to see everyone related to this burn alive”,
- dat hij zin had om te doden en te vernietigen,
- “Let’s be honest, they made a school shooter, who is old enough to control it and don’t do nothing stupid”,
- “I can’t wait to show them what they made out of me”,
- “Well at least I’m happy that I’m old enough and they were unable to make a school shooter out of me, regardless of the agony I had to go through”,
- “Those cyber creeps should be stoned to death :))))”,
- “All of the things that was done to me, lead to me having multiple periods where I would dream while sleeping where I’m breaking their arms, chopping of their heads, setting them on fire, based on science
behind sleep, that’s my brain way to psychologicly protect me from their bullshit”, en/of
- “I remember in one of those dreams, I made a statue out of body parts of those 3 people ??????”,
in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )