ECLI:NL:RBZWB:2026:5899

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
02-164497-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 55 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen productie harddrugs en voorhanden hebben metamfetamine

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het voorbereiden van de productie van synthetische drugs en het voorhanden hebben van metamfetamine. De feiten vonden plaats in een gehuurde loods te [plaats 1], waar drugsgerelateerde goederen en chemicaliën werden aangetroffen.

De rechtbank stelde vast dat verdachte de feitelijke beschikkingsmacht had over de loods en de daarin aanwezige goederen. Ondanks zijn ontkenning en het aanvoeren dat de ketels en aanhangwagen van derden waren, concludeerde de rechtbank dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de stoffen bestemd waren voor de productie van harddrugs. Dit werd onderbouwd door onder meer de geur die een inspecteur rook en berichten die verdachte na de inbeslagname ontving.

De rechtbank verklaarde beide feiten wettig en overtuigend bewezen: het voorhanden hebben van metamfetamine op 8 juni 2023 en het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs in de periode van 1 augustus 2022 tot 8 juni 2023. Er werd geen strafuitsluitingsgrond gevonden.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van eendaadse samenloop en hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf werd verminderd. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend gezien de ernst van de feiten en de ontkennende houding van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf wegens voorbereidingshandelingen productie harddrugs en voorhanden hebben metamfetamine.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-164497-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg .

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Nijboer en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:opzettelijk (met)amfetamine heeft bereid dan wel aanwezig heeft gehad;
feit 2:voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van synthetische drugs.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de drugs en van de aan de vervaardiging van drugs gerelateerde goederen in zijn loods.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte heeft twee loodsen gehuurd aan [adres] in [plaats 1] . In één van deze loodsen (loods [nummer] , verder te noemen de loods) zijn verschillende drugsgerelateerde goederen en stoffen (chemicaliën) aangetroffen. In de loods stonden meerdere ketels, waaronder twee gebruikte ketels. en een met een hangslot afgesloten aanhangwagen waarin diverse met vloeistof gevulde blauwe klemdekselvaten, RVS pannen en gevulde jerrycans zijn aangetroffen.
De aangetroffen vloeistoffen zijn bemonsterd en onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Uit dit onderzoek blijkt dat het aangeboden onderzoekmateriaal een grote hoeveelheid gezuiverde en ongezuiverde metamfetamine, PMK (grondstof voor MDMA) en fenylacetonitril bevatte. Fenylacetonitril wordt gebruikt voor het vervaardigen van APAAN, een grondstof voor BMK. BMK is een grondstof voor amfetamine en metamfetamine. Door de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) is gerelateerd dat de aangetroffen goederen en chemicaliën typisch zijn voor locaties waar synthetische drugs en/of precursoren vervaardigd worden.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft over het aantreffen van de goederen en stoffen verklaard dat hij de loods ook gebruikte als opslagruimte voor goederen van anderen. De ketels in de loods zijn van een man die hij kent als [naam 1] (fonetisch). [naam 1] had gereageerd op een geplaatste advertentie van verdachte dat hij een opslagruimte te huur had. Dit betrof een loods aan de [straat] in [plaats 2] . [naam 1] had de opslagruimte nodig voor ketels die hij zou gaan gebruiken om een bierbrouwerij te starten. De ketels had [naam 1] in de coronatijd (2020/2021) in de loods van verdachte gestald op de [straat] . Verdachte heeft [naam 1] daarna nooit meer gezien of gesproken. Toen verdachte per 1 augustus 2022 verhuisde naar de loods aan de [adres] heeft hij deze ketels meeverhuisd, omdat hij dacht dat [naam 1] ooit nog wel terug zou komen. Verder heeft verdachte verklaard dat de aanhangwagen in zijn loods van [naam 2] is. [naam 2] is een interieurbouwer uit [plaats 3] die zijn aanhangwagen met daarin bouwmateriaal regelmatig bij verdachte in de loods stalde. Dit deed [naam 2] ook al in de loods aan de [straat] . Verdachte controleerde de inhoud van de aanhangwagen steeds. Telkens zat er een zaagmachine in, aldus verdachte. Twee weken voorafgaand aan 8 juni 2023 had [naam 2] samen met verdachte de aanhangwagen opnieuw in de loods van verdachte gezet. Toen heeft verdachte deze niet gecontroleerd. Van zowel [naam 1] als [naam 2] heeft verdachte geen gegevens en beiden hadden geen sleutel van de loods.
Wetenschap en beschikkingsmacht
Er is sprake van ‘voorhanden hebben’ zoals bedoeld in de artikel 10a van de Opiumwet als verdachte de wetenschap van en de beschikkingsmacht over de aangetroffen goederen en chemicaliën had.
De rechtbank stelt vast dat de goederen en chemicaliën zijn aangetroffen in een loods die verdachte huurde. Verdachte had de sleutels van deze loods, kwam daar ook regelmatig en heeft de ketels en de aanhangwagen zelf in de loods geplaatst. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte de feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over de goederen en stoffen in zijn loods. Wat betreft de bestemming van de voorhanden stoffen, is wetenschap in voorwaardelijke zin voldoende, maar kan ook een variant van culpa toereikend zijn, te weten een ernstige reden om te vermoeden dat die stoffen zijn bestemd voor het vervaardigen van een middel van lijst I.
De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat verdachte wordt geacht te weten wat er in zijn loods aanwezig is. Hierbij weegt de rechtbank mee dat een inspecteur van de politie, die in het kader van een bestuurlijke controle de deur van de loods heeft geopend, direct een geur ruikt die hij eerder heeft geroken bij een drugslab. Ook verdachte moet deze sterke chemische geur geroken hebben. Verder is van belang dat verdachte geen concrete en verifieerbare gegevens heeft van de personen die deze spullen volgens hem in zijn loods hebben opgeslagen. Daarnaast zet de rechtbank vraagtekens bij de berichten die verdachte na de inbeslagname van alle spullen op 9 juni 2023 heeft ontvangen op zijn telefoon. Deze berichten (“Een vriend uit [plaats 4] , ik zou je graag even willen spreken”, “waar kan ik je zien dan kunnen we het over de ellende hebben”, “je herkent me wel als je me ziet” en “wat heeft de politie gezegd”) houden duidelijk verband met deze inbeslagname en het had dan ook op de weg van verdachte gelegen om, wanneer hij inderdaad geen enkele wetenschap had gehad zoals hij heeft verklaard, de politie hierover in te lichten. Gelet op voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien met de bewijsmiddelen in bijlage II, concludeert de rechtbank dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de goederen en stoffen die in zijn loods zijn aangetroffen bestemd waren voor het vervaardigen van harddrugs. Redenen om te veronderstellen dat verdachte hiervan geen kennis droeg, zijn niet aannemelijk geworden.
Conclusie
De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1op 8 juni 2023 te [plaats 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 8 juni 2023 te [plaats 1] , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende amfetamine en/of metamfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
- een loods (gelegen aan [adres] te [plaats 1] ) te huren en
- in voornoemde loods (gelegen aan [adres] te [plaats 1] ), (een) productieopstelling(en) ten behoeve van de productie van BMK en/of PMK en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA voorhanden te hebben, en/of
- in voornoemde loods/bedrijfsruimte (gelegen aan [adres] te [plaats 1] ) (een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden voorhanden te hebben, waaronder: een of meerdere jerrycans, RVS pannen, vaten, emmers, ketels, trechters, fusten en/of buizen, bestemd voor de productie van synthetische drugs
- in voornoemde loods/bedrijfsruimte (gelegen aan [adres] te [plaats 1] ), (een) hoeveelheid/hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen/middelen voorhanden te hebben, waaronder: PMK en fenylacetonitril.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs. In de loods die verdachte huurde waren meerdere goederen en stoffen aanwezig die gebruikt kunnen worden voor het vervaardigen van harddrugs. Daarnaast heeft verdachte een grote hoeveelheid metamfetamine voorhanden gehad. Het is algemeen bekend dat drugs, mede vanwege de verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Verdachte heeft een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van en de daaropvolgende handel in harddrugs, dat vaak samengaat met georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Ook is dit regelmatig oorzaak van geweld, waarmee ook nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop, omdat de bewezenverklaarde feiten zo nauw met elkaar samenhangen dat verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden kan gemaakt. De rechtbank zal hier bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening mee houden.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Hij blijft namelijk tegen beter weten in verklaren dat hij van niets weet.
Over verdachte is een rapport door de reclassering opgemaakt. Uit dit rapport van 27 mei 2026 blijkt dat verdachte beschikt over huisvesting, een dagbesteding en voldoende inkomen. Daarnaast heeft hij een steunend netwerk. Vanwege de ontkennende proceshouding en het geringe strafblad van verdachte kan het risico op recidive niet worden ingeschat. Tot slot ziet de reclassering onvoldoende aanknopingspunten voor verdere begeleiding of interventies.
Redelijke termijn
Bij de strafoplegging moet ook rekening worden gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn is in dit geval aangevangen op 5 juli 2023, de dag van het verhoor en de inverzekeringstelling van verdachte. Als uitgangspunt geldt dat de zaak moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank overweegt dat het vonnis dus gereed had moeten zijn op 5 juli 2025. Nu het vonnis is uitgesproken op 3 juli 2026 en de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, is de redelijke termijn overschreden met bijna een jaar. De rechtbank zal hiermee in strafverminderende zin rekening houden, hetgeen hieronder wordt toegelicht.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat niet met een andere straf dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. Voor de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet op het feit dat verdachte na het plegen van de feiten niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Zij zal dan ook volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, wordt een korting toegepast van drie maanden, waardoor de rechtbank tot een gevangenisstraf komt van twaalf maanden. Zij zal deze aan verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert eendaadse samenloop van:
feit 1:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2:om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 12 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter, en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en C.M.B. Gijselman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2022 tot en met 8 juni 2023 te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of metamfetamine, zijnde amfetamine en/of metamfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond B Opiumwet )
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2022 tot en met 8 juni 2023 te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende amfetamine en/of metamfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
- een loods/bedrijfsruimte (gelegen aan [adres] te [plaats 1] ) te huren en/of en/of ter beschikking te stellen en/of ter beschikking laten stellen, en/of
- in voornoemde loods/bedrijfsruimte (gelegen aan [adres] te [plaats 1] ), (een) productieopstelling(en) ten behoeve van de productie van BMK en/of PMK en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA voorhanden te hebben, en/of
- in voornoemde loods/bedrijfsruimte (gelegen aan [adres] te [plaats 1] ) (een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden voorhanden te hebben, waaronder: een of meerdere jerrycans, RVS pannen, vaten, emmers, ketels, trechters, fusten en/of buizen, bestemd voor de productie van synthetische drugs
- in voornoemde loods/bedrijfsruimte (gelegen aan [adres] te [plaats 1] ), (een) hoeveelheid/hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen/middelen voorhanden te hebben, waaronder: BMK,
PMK en/of fenylacetonitril;
( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet )