ECLI:NL:RBZWB:2026:5900

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
12099289 \ OV VERZ 26-406 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van der Burgt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:194a BWArt. 4:191 lid 1 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot beneficiaire aanvaarding nalatenschap na zuivere aanvaarding wegens onbekende schuld

Verzoekers, de kinderen van de overleden erflater, hadden de nalatenschap zuiver aanvaard. Na het overlijden van hun moeder in 2019, die echtgenote van de erflater was, ontvingen zij jarenlang teveel lijfrente-uitkeringen. Centraal Beheer stelde hen in december 2025 en januari 2026 aansprakelijk voor terugbetaling van deze teveel ontvangen bedragen.

Verzoekers waren niet op de hoogte van deze schuld en verzochten de kantonrechter om machtiging om alsnog beneficiair te aanvaarden, conform artikel 4:194a BW. Centraal Beheer reageerde niet op het verzoek, waardoor de kantonrechter aannam dat er geen bezwaar was.

De kantonrechter oordeelde dat verzoekers de schuld niet kenden en ook niet behoorden te kennen bij de zuivere aanvaarding. De brief van Centraal Beheer bevestigde dat het overlijden van de moeder niet bekend was bij de verzekeraar, waardoor ook de erfgenamen niet redelijkerwijs van de schuld op de hoogte konden zijn.

Daarom werd het verzoek toegewezen en werd verzoekers gemachtigd om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden. De kantonrechter wees erop dat zij nog een verklaring van beneficiaire aanvaarding moeten afleggen bij de griffie om de nalatenschap formeel beneficiair te aanvaarden.

Uitkomst: Verzoekers worden gemachtigd om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden wegens een onbekende schuld.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 12099289 \ OV VERZ 26-406
Beschikking van 1 juli 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] ,

wonende te [plaats 1] ,
2.
[verzoeker 2],
wonende te [plaats 2] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: verzoekers,
procederend in persoon,
in de nalatenschap van
[erflater],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1946,
laatstelijk gewoond hebbend te [plaats 1] ,
overleden te [plaats 3] op [datum 1] 2025,
hierna te noemen: erflater.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026,
- de aanvullende stukken,
- de brief van de griffier van 19 mei 2026 aan de schuldeiser.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Verzoekers zijn de kinderen van erflater. Op de nalatenschap van erflater is de wettelijke verdeling van toepassing, nu erflater geen testament had. Verzoekers zijn de erfgenamen van erflater. Verzoekers hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
2.2.
Centraal Beheer heeft verzoekers met de brieven van 17 december 2025 en 13 januari 2026 verzocht om tot terugbetaling over te gaan van teveel ontvangen lijfrente-uitkering.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoekers verzoeken de kantonrechter om te worden gemachtigd om de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te aanvaarden.
3.2.
Aan het verzoek hebben verzoekers het volgende ten grondslag gelegd. De moeder van verzoekers en echtgenote van erflater is overleden op [datum 2] 2019. Centraal Beheer was niet bekend met dit overlijden. Erflater heeft daardoor bijna zes jaar lang teveel lijfrente-uitkering ontvangen. Verzoekers wisten dit niet. Verzoekers werden pas met de brieven van 17 december 2025 en 13 januari 2026 bekend met de vordering van Centraal Beheer.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter heeft Centraal Beheer met de brief van 19 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek. Centraal Beheer heeft niet gereageerd, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Centraal Beheer geen bezwaren heeft tegen het verzoek.
4.2.
Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, wordt, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden (artikel 4:194a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna BW).
4.3.
Verzoekers hebben het verzoek tijdig ingediend, omdat het verzoek binnen drie maanden is ingediend nadat Centraal Beheer de eerste brief van 17 december 2025 aan verzoekers heeft gezonden. Uit de brief volgt dat Centraal Beheer verzoekers niet eerder heeft aangeschreven. Verzoekers zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek.
4.4.
De uitzonderingsclausule van artikel 4:194a lid 1 BW biedt alleen bescherming voor schulden die de erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat de erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaardde. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat met de woorden ‘kende en behoren te kennen’ wordt aangesloten bij het begrip goede trouw. Goede trouw ontbreekt als de erfgenaam van het bestaan van de schuld wist op het moment van aanvaarding van de nalatenschap. Ook als een erfgenaam weliswaar een juiste voorstelling van zaken miste met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden beter behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over (de afwezigheid van) een schuld en heeft nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen, kan de erfgenaam als niet te goeder trouw worden aangemerkt.
4.5.
De kantonrechter oordeelt dat verzoekers de vordering van Centraal Beheer op het moment van aanvaarding van de nalatenschap niet kenden en ook niet behoorden te kennen. Uit de brief van 17 december 2025 van Centraal Beheer blijkt dat het overlijden van de moeder van verzoekers bij Centraal Beheer niet eerder bekend was. Hier leidt de kantonrechter uit af dat de vordering ook niet eerder bekend was voor Centraal Beheer zelf, laat staan dat deze voor verzoekers (redelijkerwijs) bekend kon zijn.
4.6.
Het voornoemde leidt tot de conclusie dat verzoekers te goeder trouw zijn. De kantonrechter zal daarom het verzochte toewijzen.
4.7.
De kantonrechter wijst verzoekers erop dat zij na deze machtiging nog een verklaring van beneficiaire aanvaarding moeten afleggen bij de griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van erflater om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden (artikel 4:191 lid 1 BW Pro). Tot die tijd geldt de nalatenschap nog als zuiver aanvaard. De nalatenschap dient na de beneficiaire aanvaarding vereffend te worden volgens afdeling 4.6.3 BW.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verleent verzoekers machtiging om de nalatenschap van [erflater] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1946, laatstelijk gewoond hebbend te [plaats 1] en overleden te [plaats 3] op [datum 1] 2025, alsnog beneficiair te aanvaarden.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Burgt, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.