ECLI:NL:RBZWB:2026:5905

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3279 PW VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening Participatiewet wegens gebrek aan spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet. Hij stelde afhankelijk te zijn van liefdadigheid en een schuld van €17.600,- te hebben opgebouwd. De voorzieningenrechter vroeg om nadere toelichting op het spoedeisend belang, inclusief een overzicht van de financiële situatie met bewijsstukken.

Verzoeker weigerde bankafschriften te overleggen vanwege privacy, maar gaf aan wekelijks een voedselpakket te ontvangen en uitstel van huurbetaling te hebben sinds 30 maart 2026. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet kan wachten op de uitkomst van de bezwaarprocedure.

Omdat het gevraagde bewijs ontbrak en verzoeker geen alternatieve bewijsstukken aanleverde, kon niet worden aangenomen dat er sprake was van een acute noodsituatie die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder toekenning van griffierechtvergoeding of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3279

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis(college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet.
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
2.2.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift van 19 juni 2026 gesteld dat hij afhankelijk is van liefdadigheid en dat hij een schuld heeft opgebouwd bij VenantiusSpaar BV van € 17.600,-.
2.3.
De griffier heeft verzoeker op 23 juni 2026 gevraagd om zijn spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten. Daarbij is verzocht om een volledig overzicht van verzoekers financiële situatie, waaruit blijkt van zijn inkomsten, schulden en vaste lasten, spaargelden of andere vermogensbestanddelen, met bewijsstukken, waaronder bankafschriften van de afgelopen twee maanden.
2.4.
Verzoeker heeft op 23 juni 2026 gereageerd op dit verzoek. Daarin is gesteld dat verzoeker momenteel wekelijks een voedselpakket van JOTA in [plaats] ontvangt en dat hij sinds 30 maart 2026 uitstel van huurbetaling heeft gekregen. Verzoeker heeft geweigerd om bankafschriften over te leggen, onder meer omdat hij dit privacy-schending vindt.
2.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zijn spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet van hem kan worden verlangd dat hij de uitkomst van de bezwaarprocedure afwacht. Het door de griffier gevraagde overzicht van verzoekers financiële situatie ontbreekt. Ook als verzoeker geen bankafschriften wil overleggen, kan hij mogelijk door middel van andere bewijsstukken aantonen dat hij in een acute noodsituatie verkeert. Dit heeft hij nagelaten. Daardoor kan niet worden aangenomen dat sprake is van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de bezwaarprocedure noodzakelijk maakt.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens gebrek aan spoedeisend belang. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 2 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.